Wijziging BTW medische verzorging

Geschreven door Lexalert
Foto: freestocks.org    

Het wetsontwerp van 25 juni 2020 wijzigt artikel 44, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde inzake de btw-vrijstelling met betrekking tot medische verzorging. Deze wijziging vloeit voort uit het arrest nr. 194/2019 van het Grondwettelijk Hof van 5 december 2019.

De aanpassing van voornoemde bepalingen ingevolge het voormeld arrest heeft tot gevolg dat ze tegelijk ook in overeenstemming worden gebracht met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de vrijstelling voor medische verzorging opgenomen in artikel 132, lid 1, b) (medische verzorging in het ziekenhuis) en c) (medische verzorging buiten het ziekenhuis) van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 inzake het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, die in ruime mate mee de juridische grondslag heeft gevormd van het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof.

Deze noodzakelijke hervorming van de btw-vrijstelling voor medische verzorging in of buiten het ziekenhuis heeft gevolgen voor de twee basisvoorwaarden voor die vrijstelling: enerzijds het materiële toepassingsgebied (de aard van de verstrekte diensten) en anderzijds het personele toepassingsgebied (de hoedanigheid van de dienstverstrekkers). Beide voorwaarden worden namelijk beïnvloed door het voormelde vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof.

Volg op 18 juni 2021 van 12:30 uur tot 13:30 uur het online seminar Up-to-date - Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap (JUN 2021) met Roel VAN HEMELEN

Het wetsontwerp van 25 juni 2020 wijzigt artikel 44, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: “Wetboek”) inzake de btw-vrijstelling met betrekking tot medische verzorging. Deze wijziging vloeit voort uit het arrest nr. 194/2019 van het Grondwettelijk Hof van 5 december 2019, dat de volgende bepalingen vernietigd heeft:

  • in artikel 44, § 1, 1°, tweede lid, van het Wetboek, zoals vervangen door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, de bepalingen vermeld onder litterae a) en b);
  • artikel 44, § 1, van het Wetboek, in zoverre het niet toelaat dat de vrijstelling van btw voor diensten van chiropraxie en osteopathie wordt verleend aan andere beoefenaars van medische en paramedische beroepen dan die welke vermeld zijn in die paragraaf, wanneer die beroepsbeoefenaars de noodzakelijke kwalificaties bezitten om medische verzorging te verlenen waarvan het kwaliteitsniveau voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan de door de leden van een gereglementeerd medisch of paramedisch beroep aangeboden verzorging, wanneer deze laatsten de chiropraxie of de osteopathie uitoefenen;
  • artikel 44, § 1, van het Wetboek, in zoverre het de door tandartsen, vroedvrouwen, verpleegkundigen, zorgkundigen, organisaties van die beroepsbeoefenaars en paramedici verrichte diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter vrijstelt van btw;
  • artikel 44, § 1, van het Wetboek, in zoverre het voor de in die bepaling bedoelde diensten die geen medische verzorging uitmaken, een btw-vrijstelling verleent;
  • artikel 44, § 2, 1°, a), van het Wetboek, in zoverre het voor de samenhangende goederenleveringen en diensten een btw-vrijstelling verleent in de gevallen die door artikel 134 van de btw-richtlijn uitdrukkelijk van een vrijstelling zijn uitgesloten;
  • artikel 44, § 2, 1°, a), van het Wetboek, in zoverre het de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter en die worden verricht buiten ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria, vrijstelt van btw;

►Lees ook: Interestaftrekbeperking: de fiscale administratie verduidelijkt

Zoals blijkt uit de inleiding hiervoor, heeft het Grondwettelijk Hof de bepalingen uit het Wetboek met betrekking tot de vrijstelling voor medische verzorging onder talrijke aspecten vernietigd.

De bedoeling van deze wet is dan ook om deze bepalingen aan te passen om tegemoet te komen aan de punten van kritiek van het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 194/2019 van 5 december 2019. Op die manier worden deze bepalingen tegelijk ook in overeenstemming gebracht met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HJEU) inzake de vrijstelling voor medische verzorging opgenomen in artikel 132, lid 1, b) (medische verzorging in het ziekenhuis) en c) (medische verzorging buiten het ziekenhuis) van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 inzake het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: de richtlijn 2006/112/EG), die in ruime mate mee de juridische grondslag heeft gevormd van het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof.

Deze noodzakelijke hervorming van de btw-vrijstelling voor medische verzorging in of buiten het ziekenhuis heeft gevolgen voor de twee basisvoorwaarden voor die vrijstelling: enerzijds het materiële toepassingsgebied (de aard van de verstrekte diensten) en anderzijds het personele toepassingsgebied (de hoedanigheid van de dienstverstrekkers). Beide voorwaarden worden namelijk beïnvloed door het voormelde vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof.

Wat het materiële toepassingsgebied betreft, stelt de vaste rechtspraak van het HJEU, zoals hernomen door het Grondwettelijk Hof in haar voormelde arrest, dat de btw-vrijstelling voor diensten van medische verzorging in essentie enkel toeziet op diensten met een therapeutisch doel. Deze benadering geldt zonder onderscheid voor de medische verzorging verstrekt in of buiten ziekenhuizen.

Op dit punt perkt dit ontwerp derhalve globaal gezien de bestaande vrijstelling verder in, in de mate dat die er enkel in voorzag dat ze niet van toepassing was op ingrepen en behandelingen van esthetische aard, en dan nog niet in alle omstandigheden, terwijl het wetsontwerp de niet-toepasselijkheid veralgemeent tot alle niet-therapeutische handelingen.

Inzake het personele toepassingsgebied van de btw-vrijstelling voor medische verzorging die buiten ziekenhuizen worden verstrekt, laat de richtlijn 2006/112/ EG de lidstaten de mogelijkheid te omschrijven door welke medische of paramedische beroepen die diensten moeten worden verstrekt om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. Volgens de vaste rechtspraak van het HJUE, zoals hernomen in het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof, mogen lidstaten daarbij evenwel in essentie niet verder gaan dan nodig om te verzekeren dat het kwaliteitsniveau van de diensten die door de betrokken beroepsbeoefenaars wordt aangeboden voldoende hoog is met het oog op de bescherming van de volksgezondheid.

Op dit punt breidt dit ontwerp de bestaande btwvrijstelling aldus uit, in de mate dat de vrijstelling niet langer meer exclusief wordt voorbehouden aan de beoefenaars van gereglementeerde medische of paramedische beroepen maar dat ook de beroepsbeoefenaars die door een adequate opleiding geacht kunnen worden een equivalent kwaliteitsniveau te bereiken zich zullen kunnen beroepen op de vrijstelling.

Inzake het personele toepassingsgebied van de btwvrijstelling voor medische verzorging die in de ziekenhuizen worden verstrekt, dat in het vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof niet wordt bekritiseerd, brengt dit ontwerp geen enkele wijziging aan.