Welke wijzigingen aan de strafprocedure naar aanleiding van het coronavirus (COVID-19)

Geschreven door Lexalert
Foto: Steve Mays  

De regering bereidt een koninklijk besluit voor met bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de coronavirus-pandemie. Het behandelt de beperking van de fysieke aanwezigheid van de partijen en de overbrenging van de gevangenen, de verbetering van de leefomstandigheden in de gevangenissen, aanpassingen met betrekking tot bepaalde onderzoeksmaatregelen en de opschorting van verjaringstermijnen.

In de eerste plaats dient de fysieke aanwezigheid van de partijen in een strafprocedure te worden beperkt, evenals de overbrenging van gedetineerden en van andere personen die van hun vrijheid zijn beroofd.

Om de aanwezigheid van de partijen in een strafprocedure te beperken en zo het risico op een piek van besmettingen tegen te gaan, worden voor de duur van de pandemie van het Covid-19-virus die bepaald is van 18 maart 2020 tot 5 april 2020 (einddatum die door de Koning kan worden aangepast) de volgende maatregelen genomen.

Deze maatregelen hebben tot doel om de gezondheidsrisico’s te beperken, om de partijen in een strafprocedure te beschermen en om in het algemeen het risico op een piek van besmettingen tegen te gaan.

De eerste maatregel betreft de beroepen ingesteld bij de kamer van inbeschuldigingstelling, in toepassing van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van Strafvordering. De procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling kan voor de duur van de corona-pandemie schriftelijk verlopen.

De tweede maatregel betreft de mogelijkheid voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging, evenals voor de vonnisgerechten om, voor de duur van de corona-pandemie, in bepaalde omstandigheden van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid, te beslissen dat de partijen niet in persoon kunnen verschijnen. De raadkamer, de kamer van inbeschuldigingstelling en de vonnisgerechten motiveren deze beslissing en hun beslissing is niet vatbaar voor beroep.

De derde reeks maatregelen betreffen de procedures en de zittingen inzake de voorlopige hechtenis voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling, de uitvoering van gevangenisstraffen voor de strafuitvoeringsrechtbanken en de uitvoering van de interneringsmaatregelen voor de kamers ter bescherming van de maatschappij. Het bijzondere hierbij is dat één van de partijen, namelijk de verdachte, de veroordeelde of de geïnterneerde meestal van zijn vrijheid is beroofd en aldus volgens de (gewone) procedureregels het recht heeft om persoonlijk te verschijnen op de zitting. Welnu de overbrengingen van gedetineerden uit en naar de gevangenissen of van personen uit en naar andere instellingen vormen een groot risico voor het binnenbrengen van een besmetting. Deze transporten en overbrengingen dienen zo veel als mogelijk te worden vermeden. De vertegenwoordiging door de advocaat wordt de regel.

Daartoe voorziet dit Koninklijk Besluit onder meer in de volgende maatregelen.

Wat de voorlopige hechtenis betreft, kunnen de Raadskamer en de Kamer van beschuldigingstelling in bepaalde omstandigheden die absoluut noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid of de volksgezondheid, met redenen omkleed besluiten dat de verdachte niet persoonlijk mag verschijnen. Tegen dergelijke beslissingen kan geen beroep worden aangetekend.

Hetzelfde geldt voor veroordeelden met betrekking tot de zittingen van de rechtbank voor de tenuitvoerlegging van straffen of de rechter voor de tenuitvoerlegging van straffen en voor geïnterneerden met betrekking tot de zittingen van de sociale kamer of het hof van beroep.

Ten tweede dienen de leef- en werkomstandigheden in de gevangenissen te worden bevorderd. 

De in dit koninklijk besluit opgenomen maatregelen geven onder meer gevolg aan de "Beginselverklaring inzake de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd in het kader van de Coronaviruspandemie (COVID-19)" die op 20 maart 2020 door het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT) is uitgegeven.

In de verklaring staat namelijk dat "het personeel dat werkzaam is in de verschillende plaatsen van vrijheidsberoving, met inbegrip van detentiefaciliteiten voor wetshandhavers, gevangenissen, detentiecentra voor migranten, psychiatrische ziekenhuizen en sociale zorginstellingen, alsmede in verschillende nieuw gecreëerde faciliteiten/zones waar personen in quarantaine worden geplaatst, met specifieke en extreme uitdagingen wordt geconfronteerd". Het Comité herinnert aan het "absolute karakter van het verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd" en doet daarover aanbevelingen.

In dit besluit gaat het specifiek om maatregelen en modaliteiten die ervoor zorgen dat veroordeelde gedetineerden die geen probleem vormen voor de openbare veiligheid, voorlopig worden vrijgesteld, of om maatregelen die vermijden dat bepaalde veroordeelde gedetineerden de gevangenis (frequent) verlaten en dan weer binnen komen. 

De eerste maatregel betreft het verlengd  verlof. Deze maatregel is er in het bijzonder op gericht om de concentratie van de gevangenisbevolking zo veel mogelijk te verminderen door de veroordeelden die daarvoor op basis van de in dit besluit bepaalde criteria in aanmerking komen in verlof te laten gaan voor de duur van de coronavirus-pandemie.

De tweede maatregel betreft de onderbreking van de strafuitvoering voor veroordeelden die behoren tot de risicogroep van personen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van ernstige symptomen door het Covid-19. Deze maatregel is erop gericht om personen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van het virus toe te laten de gevangenissen te verlaten, zodat ze zich voor de duur van de coronavirus-pandemie in hun persoonlijke omgeving zouden kunnen beschermen.

De derde maatregel om de concentratie van gevangenispopulatie verder naar beneden te halen, is de volgende. Er wordt voorzien in een vervroegde invrijheidstelling van veroordeelden op beslissing van de directeur vanaf zes maanden voor het strafeinde. De maatregel kan verregaand lijken, maar daar kan enerzijds tegenovergesteld worden dat de geldigheidstermijn ervan uiteraard beperkt is tot de duur van coronavirus-pandemie en anderzijds dat deze vorm van invrijheidstelling met eenzelfde tijdsvoorwaarde (vanaf zes maanden voor strafeinde) vandaag reeds op algemene wijze voorzien is in de wet externe rechtspositie (artikel 20/1) voor de veroordeelde vreemdelingen zonder recht op verblijf in het kader van hun imminente verwijdering

Ten vierde, wordt een maatregel getroffen die moet vermijden dat de besmetting vanuit de vrije samenleving binnendringt in de gevangenissen doordat veroordeelden met strafuitvoeringsmodaliteiten  veelvuldig de gevangenis verlaten en ernaar terugkeren: de opschorting van de uitvoering van toegekende modaliteiten (uitgaansvergunning, penitentiair verlof en beperkte detentie) voor veroordeelden aan wie geen verlengd  verlof wordt toegekend.

Ten derde zijn aanpassingen nodig met betrekking tot bepaalde onderzoeksmaatregelen.

Dit besluit bevat verschillende aanpassingen die het stelsel van bepaalde onderzoeksmaatregelen beogen. De algemene doelstelling bestaat erin rekening te houden met de vertraging die zal worden opgebouwd in bepaalde onderzoeken en het capaciteitsverlies op het niveau van zowel de magistratuur als de politie. De wijzigingen zijn beperkt tot wat absoluut noodzakelijk lijkt om de crisis het hoofd te bieden, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om de rechten van de burgers te blijven beschermen, en in het bijzonder met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Eerst is er een aanpassing in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvorderingen, meer bepaald betreffende de periode in het verleden gedurende dewelke de procureur des Konings en de onderzoeksrechter kunnen beroep doen op de gegevens die op basis van artikel 126 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.

Vervolgens zijn er een aantal aanpassingen in de artikelen 90quater en 90quinquies van hetzelfde Wetboek om de daarin vervatte maatregel op een veilige en aangepaste manier te laten verlopen ondanks de coronaviruspandemie.

Tenslotte zijn bepalingen vereist houdende opschorting van de verjaringstermijnen.

Teneinde de goede werking van de gerechtelijke instanties te waarborgen en het personeel en de rechtzoekenden te beschermen tegen de risico’s op besmetting met het coronavirus, en teneinde de continuïteit van de strafrechtspleging te verzekeren, dient de strafrechtelijke procedure te worden aangepast, met inbegrip van de termijnen waarin de wet voorziet.

Er wordt voorzien in een algemene opschortingsgrond van de verjaringstermijnen voor een termijn van drie maanden.

Enerzijds verhindert die opschortingsgrond dat de verjaringstermijnen van de strafvordering verstrijken. Binnen die verjaringstermijnen, die variëren naargelang van de ernst van het misdrijf (misdaad, wanbedrijf, overtreding), moet de strafvordering zijn uitgeoefend.

Door de crisis in samenhang met de coronavirus-pandemie zijn de gerechtelijke instanties echter verplicht om hun activiteiten drastisch te beperken tot de dringendste en belangrijkste zaken.  Zij kunnen niet langer hun gewone taken vervullen en kunnen inzonderheid niet langer de misdrijven vervolgen met inachtneming van de prioriteiten van het strafrechtelijk beleid zoals vastgesteld vóór de uitbraak van de pandemie. Derhalve is het, om de daadwerkelijke toepassing van de strafwetten te waarborgen, de maatschappij te beschermen en de rechtsstaat te waarborgen, noodzakelijk om de weerslag van het tijdsverloop op de verjaring van de misdrijven wettelijk en voor beperkte tijd op te schorten.

Anderzijds dringt zich ook een opschorting van de verjaringstermijnen van de straffen op. De verjaring van de straf is het beginsel dat een straf die niet binnen een bepaalde bij de wet vastgestelde termijn ten uitvoer is gelegd, niet langer kan worden ondergaan. Op grond van de artikelen 91 tot 94 van het Strafwetboek variëren de termijnen naargelang de ernst van het misdrijf.

Het is de taak van de gerechtelijke autoriteiten om de tenuitvoerlegging van de door de rechtscolleges uitgesproken straffen ten uitvoer te leggen. Wegens de coronaviruscrisis kan die taak niet meer volledig worden uitgeoefend. De gerechtelijke autoriteiten zijn immers verplicht om hun activiteiten te beperken tot de tenuitvoerlegging van de zwaarste straffen teneinde de openbare orde en veiligheid te beschermen. Voorts, wat de vrijheidsstraffen betreft, zien de gerechtelijke autoriteiten erop toe om de instroom van nieuwe gedetineerden in de gevangenissen zoveel mogelijk te beperken, om die personen, de personen die reeds gedetineerd zijn en het personeel van de gevangenissen te beschermen tegen de risico’s op besmetting met het coronavirus.

Lees de volledige tekst van het ontwerp KB houdende diverse bepalingen bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de coronavirus-pandemie.