Wat hebben woningen in vennootschap te maken met “lusthuizen”?

Geschreven door , DE BROECK VAN LAERE & Partners, http://www.dvp-law.com
Foto: Eirien

Zowel fiscus als rechtspraak doen vaak moeilijk over de aftrek van kosten voor een woning die in de vennootschap zit en privé gebruikt wordt door de bedrijfsleider. Een poging om een doorbraak te forceren in die discussie via het Grondwettelijk Hof, is nu op niets uitgelopen.

Volg het on demand seminarie Up-to-date Vastgoedrecht 2019-1 met

Als een vennootschap gratis een woning ter beschikking stelt van haar bedrijfsleider, kan dat beschouwd worden als een deel van de bezoldiging van die bedrijfsleider. Hij of zij wordt daarvoor dan ook meestal belast op een voordeel van alle aard. Omdat een bezoldiging principieel een aftrekbare beroepskost vormt, zouden de kosten voor die woning (die dus een vorm van bezoldiging is) ook aftrekbaar moeten zijn.

Gratis woning als bezoldiging

Maar voor de rechtspraak is aftrek geen automatisme. De rechtbanken en hoven vinden dat de belastingplichtige eerst moet bewijzen dat de woning deel uitmaakt van de verloningspolitiek van de vennootschap en dat de woning specifiek bedoeld is als een (deel van de) bezoldiging. In de praktijk bleek dat bewijs vaak moeilijk te leveren.

Een belastingplichtige dacht echter een uitweg uit de impasse gevonden te hebben. In het wetboek staat een lijst van kosten die principieel nooit aftrekbaar zijn als beroepskost. Daaronder de kosten met betrekking tot “lusthuizen” (artikel 53, 9° WIB 1992). De wet maakt echter een belangrijke uitzondering. Kosten voor lusthuizen zijn niet aftrekbaar behalve als die kosten “in de belastbare bezoldigingen van de begunstigde personeelsleden zijn begrepen”.

Kosten lusthuis niet aftrekbaar behalve als personeel belast

Vooreerst, en om alle misverstanden uit te sluiten: het woord “lusthuis” roept bij veel mensen bepaalde connotaties op, maar dat is niet de betekenis die het woord heeft in de context van aftrekbare beroepskosten. Hier heeft het begrip betrekking op gebouwen die alleen gebruikt worden voor ontspanning. Het gaat dus bijvoorbeeld om vakantiewoningen of recreatiecentra voor personeel, klanten of zakenrelaties.

Met de woning van de bedrijfsleider heeft dat dus niets te maken. Maar de belastingplichtige in kwestie zag wel een parallel. Voor “lusthuizen” zegt de wet blijkbaar dat de kosten principieel aftrekbaar zijn van zodra het personeel belast wordt op het corresponderende voordeel van alle aard. Voor de woning die hij ter beschikking krijgt, wordt de bedrijfsleider ook belast op een voordeel van alle aard. Is het dan niet logisch dat ook in dat laatste geval de kosten principieel aftrekbaar zijn? Dus zonder de zware bewijslast die de hoven en rechtbanken opleggen? Want als beide gevallen – “lusthuizen” en woningen – niet gelijk behandeld worden, zou het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel geschonden zijn, vond de belastingplichtige.

Ander interessant artikel: Als bedrijfsleider meer huur vragen aan uw vennootschap?

Grondwettelijk Hof spreekt zich uit over vermeende ongelijkheid

Die vraag werd voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, en dat heeft nu uitspraak gedaan.

Het Hof bekijkt de zaken wel anders dan de belastingplichtige. De formulering in de wettekst houdt niet in dat kosten voor lusthuizen waar een belasting bij het personeel tegenover staat, automatisch aftrekbaar zijn, oordeelt het Hof. De algemene aftrekvoorwaarden (die in artikel 49 WIB 1992 staan) blijven van toepassing. Dat betekent met name dat de toegekende voordelen beantwoorden aan werkelijke prestaties voor de vennootschap. En dat is dan weer de stelregel waar het Hof van Cassatie op hamert en die de hoven en rechtbanken inspireert om de zware bewijslast op te leggen waar we het hierboven over gehad hebben.

Dus “lusthuizen” en woningen van de bedrijfsleider worden op exact dezelfde manier behandeld, van discriminatie is bijgevolg geen sprake.

Voor het Grondwettelijk Hof is de zaak daarmee gesloten, maar voor de aftrek van de kosten zal de discussie hoogstwaarschijnlijk blijven voortwoeden.

Bron: arrest nr. 78/2019 van het Grondwettelijk Hof van 23 mei 2019,