Wanneer zijn maten verplicht zich in te schrijven in de KBO?

Geschreven door Mr Joeri Vananroye, Corporate Finance Lab, https://corporatefinancelab.org/
Foto: mini_malist

Eén van de nieuwigheden van de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, was dat ook maatschappen inschrijvingsplichtig werden. Maatschappen zijn immers een “organisatie zonder rechtspersoonlijk” in de zin van art. I.1, 1° eerste lid (c)  WER en vallen wegens hun uitkeringsoogmerk niet onder de uitsluiting van (c) van het tweede lid (a).

Zulke organisaties zijn op grond van art. III.49 § 1 WER inschrijvingsplichting indien ze zijn opricht naar Belgisch recht (1°) of in België beschikken over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid (2°).

Volg op 20 september 2019 van 12:30 uur tot 13:30 uur het online seminar Up-to-date - Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap (SEPTEMBER 2019) met Roel VAN HEMELEN

Let op : de trigger voor de inschrijvingsplicht is niet de kwalificatie als maatschap, laat staan de door de vennoten zelf gekozen benaming van hun samenwerking. Het volstaat dus uiteraard niet om het samenwerkingsverband een andere kwalificatie te geven om aan inschrijvingsplicht te ontsnappen. Zelfs al zou een rechter die alternatieve kwalificatie volgen, dan sluit dit niet uit dat er sprake kan zijn van een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”

Er bestaat wat onduidelijkheid over de draagwijdte van de inschrijvingsplicht. Geldt de inschrijvingsplicht vanof oprichting, naar analogie voor wat geldt bij rechtspersonen? Of: geldt de inschrijvingsplicht enkel voorafgaand aan het aanvatten van activiteiten, naar analogie voor wat geldt bij natuurlijke personen? Dit kwam eerder hier aan bod, maar is niet het onderwerp van deze post. Deze post behandelt de vraag: gegeven dat een maatschap inschrijvingsplichtig is, zijn ook de maten zelf inschrijvingsplichtig?

Samen met de invoering van een inschrijvingsplicht, koos de wetgever voor een vrijstelling van inschrijving door de maten zelf. (Die vrijstelling is vooral relevant voor maten – natuurlijke personen aangezien maten die zelf een organisatie met of zonder rechtspersoolijkheid vormen reeds inschrijvingsplichtig zullen zijn omwille van hun eigen hoedanigheid.)

Art. III.49 § 2, 1° WER bepaalt: “In afwijking van paragraaf 1, zijn niet verplicht zich in te schrijven in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige ondernemingen : [] de onbeperkt aansprakelijke vennoten van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een vennootschap onder firma of een gewone commanditaire vennootschap voor de beroepsactiviteit van de vennootschap, op voorwaarde dat de betrokken vennootschap zelf is ingeschreven.” De wetgever kopieerde hiermee de vrijstelling die van oudsher reeds bestaat voor de (werkende) vennoten in een VOF of CommV.

De wetgever gaf dus een duidelijk antwoord op de vraag of een maat inschrijvingsplichtig is: nee. Een recent rondschrijven van de FOD Economie (Algemene Directie KMO-beleid, Dienst Ondernemingsloketten) aan de erkende ondernemingsloketten creëert hier echter twijfel.

Samengevat begrijpen we het standpunt in het rondschrijven als volgt:

  • Maten moeten in principe ingeschreven worden in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Enkel indien de vennootschap geen zelfstandige beroepsactiviteit heeft zijn de maten vrijgesteld.
  • Een zaakvoerder-maat is nooit vrijgesteld van inschrijvingsplicht.

Deze standpunten vinden we niet in overeenstemming met de wet. De regels inzake de inschrijvingsplicht van maten begrijpen we als volgt:

  1. De loutere hoedanigheid van maat is geen “zefstandige beroepsactiviteit”, maakt de maat geen “onderneming” en creëert dus ook op zich geen enkele inschrijvingsplicht.
  2. Het is anders indien de activiteiten van de maatschap gelden als een “beroepsactiviteit” (correcter: een “zelfstandige beroepsactiviteit”, maar bij een maatschap zal de “zelfstandigheid” geen issue zijn). De activiteiten van de maatschap worden immers toegerekend aan alle (openbare) maten. De maat krijgt dus de zelfstandige beroepsactiviteit toegerekend en krijgt de hoedanigheid van “onderneming”.
    Niet elke maatschap heeft een beroepsactiviteit. Het klassieke voorbeeld van een maatschap zonder beroepsactiviteit is een typische maatschap die in het kader van vermogensplanning.
  3. Een maat die op grond van de toerekening vermeld in een onderneming wordt, geniet echter van de vrijstelling van art. III.49, §2, 1°. De enige voorwaarde hiervoor is dat de maatschap zelf is ingeschreven.
  4. Die vrijstelling is uiteraard beperkt voor de beroepsactiviteit van de maatschap die aan de maat wordt toegerekend.
    bv. De maat in een bakkersmaatschap is een onderneming omwille van zijn hoedigheid van vennoot, maar is vrijgesteld van inschrijvingsplicht. De vrijstelling geldt uiteraard niet indien de maat buiten maatschapsverband nog slager is of andere activiteiten als bakker heeft.
  5. De maat die ook zaakvoerder is, heeft uiteraard nog een andere beroepsactiviteit buiten die van de maatschap die aan hem wordt toegerekend. Met name heeft hij ook de beroepsactiviteit van zaakvoerder. Die activiteit is echter op haar beurt vrijgesteld op grond van art. III.49, § 2, 6° (“de natuurlijke persoon waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten“).

Lees ook  Het belang van een correcte omschrijving van de activiteiten van uw onderneming in de KBO : check-up !

Voornoemd rondschrijven verwart naar mijn mening de grond om aan inschrijving te ontsnappen vermeld onder 2 (maatschap heeft geen beroepsactiviteit) en onder 3 (vrijstelling voor beroepsactiviteit van maatschap). Het is wat mij betreft geen correcte interpretatie van het WER.

Een ondernemingsloket heeft dan ook geen wettelijke basis om de inschrijving te weigeren van een maatschap om reden dat niet alle maten zijn ingeschreven. Dat belet niet dat een maat er goed aan doet zich af te vragen of hij geen andere zelfstandige beroepsactiviteit heeft buiten maatschapsverband.