Versoepeling overbruggingsrecht zelfstandigen nav coronavirus (COVID-19)

Geschreven door Lexalert

Zelfstandigen beschikken over een overbruggingsrecht waarvan de voorwaarden geregeld worden in de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen.

Het wetsvoorstel van 11 maart 2020 voorziet in een versoepeling voor de zelfstandigen die gedwongen worden hun zelfstandige activiteit te onderbreken omwille van de situaties van overmacht voorzien in de derde pijler. Het werd aangenomen in de Commissie Sociale Zaken.

Het doel is om eveneens de gevallen van onderbreking van de beroepsactiviteit te dekken die minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen duurt. In gevallen zoals het in quarantaine plaatsen in het kader van een epidemie (zoals het coronavirus), zal de zelfstandige voortaan toch aanspraak kunnen maken op een financiële uitkering die varieert tussen 25 % en 100 % van het bedrag van de maandelijkse financiële uitkering, in functie van het aantal periodes van 7 dagen dat hij gedwongen wordt om te onderbreken.

Het overbruggingsrecht bedraagt 1.291,69 euro per maand zonder kinderlast en 1.614,10 euro met kinderlast. 

Volg het on demand seminarie Gratis webinar – FAQ Coronavirus en HR-beleid met Emmanuel WAUTERS

Voorbeeld

Een zelfstandige wordt gedwongen om zijn zelfstandige activiteit te onderbreken omwille van een maatregel van quarantaine (in de hypothese dat deze niet erkend wordt als arbeidsongeschikt wegens ziekte) om de mogelijke gevolgen van een epidemie (zoals het coronavirus) in te dijken, of omwille van een gedwongen uitstel van zijn terugkeer uit vakantie in het buitenland. De gedwongen onderbreking start op 5 maart en eindigt op 18 maart (herneming van de activiteit op 19 maart). De huidige wetgeving laat aan deze zelfstandige niet toe om aanspraak te maken op een financiële uitkering voor deze periode van onderbreking ten belope van twee weken. De beoogde versoepeling bestaat erin dat de zelfstandige recht heeft op een gelijkwaardige financiële uitkering ten belope van 50 procent van het maandelijks bedrag van de financiële uitkering, mits alle overige voorwaarden vervuld zijn.

Wanneer in dit voorbeeld de laatste dag van de onderbreking zich situeert tussen 11 maart en 17 maart, kan betrokkene voortaan aanspraak maken op een gelijkwaardige uitkering van 25 procent van het maandelijkse bedrag van de financiële uitkering.