Verplichte betalingstermijnen tav KMO's

Geschreven door Lexalert
Foto: GotCredit  

Op 10 april 2019 heeft het Parlement een wetsvoorstel aangenomen tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe om, naar recent Nederlands voorbeeld, de uiterste betaaltermijn van grote ondernemingen aan kmo’s te beperken tot maximaal zestig dagen, en de controle- en verificatietermijn tot maximaal dertig dagen. Dit moet een einde stellen aan enkele misbruiken, wat de liquiditeitspositie van de ruggengraat van onze economie moet verbeteren.

Kmo’s vormen het hart van ons economisch weefsel. Heel vaak zijn het toonaangevende spelers in hun branche. Ze worden gedwongen innovatief te zijn en zo meerwaarde te creëren, niet alleen voor zichzelf, maar voor iedereen.

Volg het on demand seminarie Up-to-date - Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap (MEI 2019) met Roel VAN HEMELEN

Een voorwaarde voor deze gang van zaken is evenwel een vlot betalingsverkeer. Is dit er niet, dan heeft dat een rechtstreekse impact op het investeringsbeleid van de onderneming.

Om dit betalingsverkeer vlot te houden, is de overheid regelgevend opgetreden. Zo heeft de Europese wetgever in het kader van de ‘Small business act for Europe’ in 2011 een richtlijn uitgevaardigd die de betalingstermijnen binnen de EU moest harmoniseren en aanscherpen. De conventionele betalingstermijn tussen ondernemingen is in de hele Unie op zestig dagen geplafonneerd.

Deze richtlijn werd bij wet van 22 december 2013 naar Belgisch recht omgezet en is terug te vinden in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand in handelstransacties.

► Lees ook: Intrest betalingsachterstand handelstransacties 2019

De realiteit wijst echter uit dat hier het schoentje knelt. Twee derde van de ondernemingen in dit land geven te kennen betalingstermijnen te aanvaarden die langer zijn dan wat zij comfortabel achten. Vooral multinationals blijken hierop aan te dringen. 69 % van de bedrijven geven aan deze langere termijnen ook te aanvaarden.

Deze reactie is niet onlogisch. De dominante positie van die grote ondernemingen dwingt veel kleinere leveranciers een eenzijdige aanpassing van de betalingstermijn te aanvaarden. Wie naar de rechter stapt om zijn rechten te vrijwaren, dreigt zijn opdrachtgever of afnemer te verliezen, en zal dit dus ook niet gauw doen.

Ook in Nederland was deze trend duidelijk. Daar bleek uit een onderzoek van de universiteit van Maastricht dat de helft van de Nederlandse kmo’s de betalingstermijnen langer zag worden, tot zelfs 120 dagen of meer.

Om deze vicieuze cirkel tegen te gaan, heeft men in Nederland een nieuwe bepaling ingevoerd. Deze houdt in dat grote ondernemingen (als schuldenaar) t.a.v. kmo’s (als schuldeiser) geen uiterste dag van betaling meer kunnen overeenkomen van meer dan zestig dagen.

Het Parlement is overtuigd dat een gelijkaardige bepaling de Belgische rechtsorde ten goede komt.

De bepaling zou ook het fenomeen “zombie-bedrijven” moeten tegengaan. Dit zijn actieve bedrijven, die economisch gezien evenwel terminaal ziek zijn, bv. doordat zij jarenlang verlies maken of een negatief eigen vermogen voortslepen.

Tot slot kan het voor (grote) ondernemingen ook positief zijn, indien zij naar het publiek toe tonen dat zij zich engageren voor striktere betalingstermijnen.

Specifieke wijzigingen

Het begrip “onderneming”, dat nu reeds afgebakend is in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, wordt hier hernomen. Net zoals in Nederland wordt er echter een onderscheid gemaakt tussen grote ondernemingen en kmo’s. Ter wille van de consistentie wordt in deze de grens aangehouden, die de federale wetgever eerder trok met de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote bedrijven. Een kmo werd er in artikel 2 afgebakend aan de hand van de criteria, opgenomen in artikel 15, § 1 van het Wetboek van vennootschappen. Dat wil zeggen dat het moet gaan om een onderneming “die niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  • jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 7 300 000;
  • balanstotaal: 3 650 000;
  • tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.”

Deze criteria moeten beoordeeld worden op het moment van het sluiten van de overeenkomst.

Pro memorie kan herhaald worden dat ook zelfstandigen-natuurlijke personen onder bovenstaande definitie vallen.

Met het invoegen van de definitie van “kmo” wordt het onmogelijk om ten aanzien van deze ondernemingen nog langer gebruik te maken van de bestaande wettelijke achterpoortjes. De regel is nu duidelijk. Wie als niet-kmo contracteert met een kmo, moet (a) de wettelijke betalingstermijn van dertig kalenderdagen nakomen, of (b) de conventionele betalingstermijn van maximaal zestig kalenderdagen. Ook de controle- en verificatietermijn bedraagt voortaan maximaal dertig kalenderdagen.

Dit wetsvoorstel maakt dan ook gebruik van de mogelijkheid die artikel 12.3 van richtlijn 2011/7/EU biedt om op nationaal niveau de wet aan te scherpen.

Deze wet treedt in werking zes maanden na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Lees zeker de volledige tekst van het wetsvoorstel aangenomen tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties van 10 april 2019 hier.