Update circulaire rolrecht en expeditierecht

Geschreven door Lexalert
Foto: Ross Brimble

 

De FOD Financiën publiceerde op 15 februari 2019 de circulaire 2019/C/16 betreffende de hervorming van de rolrechten. De circulaire becommentarieert de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen en het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van voormeld wetboek en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken – Rolrechten – Expeditierecht.

1. Inleiding 

1.1. Wet van 14 oktober 2018 

In het Belgisch Staatsblad van 20 december 2018 (ed. 2) is de wet van 14 oktober 2018 gepubliceerd, tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (hierna: wet). Ze werd ook gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2018, vandaar een erratum van 31 december 2018 dat verduidelijkt dat de publicatie van 21 december 2018 nietig is. De wet is in werking getreden op 1 februari 2019. 

Betreffende het rolrecht vereenvoudigt en verhoogt de wet het toepasselijk, past ze de eisbaarheid van de rechten aan (nieuw art. 2692 W.Reg.) en wijzigt ze de regels voor de vrijstellingen (nieuwe artikels 2791, 3° en 4°, 280, 9° W.Reg.). 

Wat het expeditierecht betreft stelt de wet de eerste uitvoerbare uitgifte van vonnissen en arresten, die wordt verstrekt aan elke partij die erom verzoekt, vrij van dit recht (nieuw artikel 280, 9° W.Reg.). De huidige circulaire verstrekt commentaar bij de wijzigingen die door de wet worden aangebracht aan de bepalingen inzake het rolrecht en het expeditierecht.

 

1.2. Koninklijk besluit van 28 januari 2019 

In het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2019 werd het koninklijk besluit van 28 januari 2019 gepubliceerd, betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken (hierna “koninklijk besluit” of “KB”). Dit koninklijk besluit heeft het oude koninklijk besluit van 13 december 1968 opgeheven en door een nieuw koninklijk besluit vervangen, met uitwerking op 1 februari 2019 (KB art. 41). 

 

2. Doelstellingen van de wet 

2.1. Rolrecht 

Bij arrest nr. 13/2017 van 9 februari 2017 heeft het Grondwettelijk Hof de artikelen 3 tot 6 van de wet van 28 april 2015 vernietigd, op grond van het feit dat de band tussen de geldwaarde van de eis en de complexiteit ervan niet absoluut is, en dat bijgevolg het criterium van de geldwaarde van de eis niet relevant is voor de realisatie van de doelstellingen van de wetgever van 2015, met name het in overeenstemming brengen van de rolrechten met de veronderstelde inspanning en de kost van het gerechtelijk apparaat. Het Hof heeft tot uiterlijk 31 augustus 2017 de gevolgen van de vernietigde bepalingen gehandhaafd voor de eisen die vóór die datum bij een rechtscollege waren ingediend. Bij gebrek aan hervorming voor 1 september 2017 zijn de bepalingen voorafgaand aan de wet van 2015, te weten de programmawet van 22 juni 2012 tijdelijk terug toepasselijk geworden. 

De wet van 14 oktober 2018 past de bepalingen van het W.Reg. inzake de rolrechten aan, verhoogt het algemeen tarief, schaft het verminderd tarief en de voorwaarden verbonden aan de geldwaarde van de eis en het aantal eisers af, overeenkomstig voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof (wet, artt. 2 en 4), schaft het enig recht af inzake de gerechtelijke reorganisatie (wet, art. 5), wijzigt de eisbaarheid van het recht (wet, art. 3) en herziet het regime van de vrijstellingen (wet, art. 6). 

Door deze aanpassingen aan het rolrecht beoogt de wetgever meer recurrente budgettaire ontvangsten, een billijke bijdrage van de rechtsonderhorige aan de kosten van justitie, het ontmoedigen van hoger beroep en cassatieberoep, en het aanmoedigen van alternatieve manieren om geschillen te beslechten (bemiddeling, arbitrage) zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan het recht op toegang tot de rechter. 

 

2.2. Expeditierecht 

Om enigszins de verhoging van het rolrecht te compenseren stelt de wet de aflevering van de eerste uitvoerbare uitgifte van vonnissen en arresten, die wordt verstrekt aan elke partij die erom verzoekt, vrij van het expeditierecht (wet, art. 7). 

Deze maatregel beoogt de beperking van de kosten van de gerechtelijke procedure. Ze laat aan de in het gelijk gestelde partij toe de gerechtelijke beslissing met beperkte kosten te laten uitvoeren. 

 

3. Wijzigingen aan het rolrecht 

3.1. Vereenvoudiging van het tarief

Behoud van een eenvormig tarief 

De wet van 28 april 2015 heeft het regime van de rolrechten vereenvoudigd door geen afzonderlijke tarieven meer vast te leggen naargelang de aard van de inleidende akte van het geding en de aard van de rol (algemene rol, register van verzoekschriften en register van de vorderingen in kort geding), en door een eenvormig rolrecht in te stellen, welk ook het type procedure is. Ze behoudt één eenvormig algemeen tarief en voert één enkel tariefstelsel in, in plaats van vier voordien. 

De wet heeft artikel 2691 W.Reg. gewijzigd, artikel 2692 vervangen, en artikel 2693 opgeheven. 

Opheffing van de criteria verbonden aan de geldwaarde van het verzoek en aan het aantal eisers 

Overeenkomstig het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof van 9 februari 2017 heft de wet de criteria op die verbonden zijn aan de geldwaarde van het verzoek en aan het aantal eisende partijen, evenals de verklaring pro fisco die de geldwaarde van de eis vermeldde en die door elke eiser diende te worden opgemaakt. 

De wet heeft ook het bijzonder regime voor de arbeidsgerechten en de fiscale kamers afgeschaft, namelijk het plafond van € 250.000 en de twee voormelde criteria. 

De wet heeft ten slotte het algemeen tarief voor de burgerlijke rechtbanken gewijzigd door afschaffing van de proportionele rolrechten die afhingen van de geldwaarde van de eis en van het aantal eisende partijen. 

3.2. Nieuw algemeen tarief

Opheffing van het verminderd tarief en van het enig recht voor de procedure van gerechtelijke reorganisatie (PGR) 

De wet heeft een nieuw algemeen tarief ingevoerd. 

Ze heft het verminderd tarief van € 30 op dat bepaalde procedures voor vredegerechten en de vroegere rechtbanken van koophandel betrof (opheffing van het vroegere artikel 2691, tweede lid). Bijgevolg is voortaan het nieuw algemeen tarief toepasselijk op deze procedures. 

De wet heft ook het enig recht van € 1000 op voor de inleiding van een PGR inzake de continuïteit van ondernemingen (opheffing van het vroegere artikel 269/4 W.Reg.). Deze procedure geniet voortaan een vrijstelling.

 

Verhoging van het algemeen tarief – nieuwe toepasselijke tarieven 

De wet verhoogt de tarieven toepasselijk voor de burgerlijke rechtbanken, in functie van het type en niveau van de rechtsmacht, onder voorbehoud van de toepasselijke uitzonderingen.

Het bedrag van het rolrecht wordt vastgesteld bij het nieuw artikel 2691, eerste lid, W.Reg., zonder onderscheid tussen de inschrijving op de algemene rol of op een bijzondere rol. Voor elke zaak die wordt ingeschreven of opnieuw ingeschreven op de algemene rol, in het register van de verzoekschriften of in het register van de vorderingen in kort geding is een recht verschuldigd dat verhoogt volgens de aard en de rang van de rechtsmacht. 

ALGEMEEN TARIEF 

Vredegerechten – Politierechtbanken 

€ 50 

Rechtbanken van Eerste Aanleg – Rechtbanken van Koophandel 

€ 165 

Hoven van Beroep 

€ 400 

Hof van Cassatie 

€ 650 

Er wordt opgemerkt dat de rechtbanken van koophandel de “ondernemingsrechtbanken” zijn geworden sedert 1 november 2018, datum van de inwerkingtreding van de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (B.S., 27 april 2018, ed.2, p. 36878). 

3.3. Voortdurende aanhangigheid voor de familierechtbank

Behoud van de voortdurende aanhangigheid en van het enig recht 

De wet heeft ook het gunstregime voor de familierechtbanken afgeschaft. 

Het regime van de voortdurende aanhangigheid wordt evenwel gehandhaafd. Het is enkel toepasselijk op de familierechtbank, met uitsluiting van de familiekamers bij het hof van beroep. Het geldt voor de zaken die geacht worden spoedeisend te zijn bedoeld bij artikel 1253ter/4, § 2, Ger.W. (uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling, de onderhoudsverplichtingen) in geval van ontstaan van nieuwe elementen omschreven in artikel 1253ter/7 Ger.W. Daaruit volgt dat het rolrecht in principe slechts éénmaal betaald wordt bij de indiening van de eerste eis. 

Er moet evenwel een voldoende band zijn tussen de oorspronkelijke eis en de eis waardoor de familierechtbank opnieuw gevat wordt op grond van het bestaan van nieuwe elementen (eis waarover de familierechtbank zich voordien heeft uitgesproken). Bij gebrek aan voldoende band is het rolrecht verschuldigd in geval van inschrijving van een nieuwe eis. 

Uitbreiding van de voortdurende aanhangigheid 

Dit regime van voortdurende aanhangigheid wordt uitgebreid tot de maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag uitgesproken door de jeugdrechtbank, waarvan de wijziging wordt gevraagd voor de familierechtbank (nieuw art. 2691, derde lid, W.Reg.). 

3.4. Nieuwe regeling voor de eisbaarheid van het recht

Het belastbaar feit, namelijk de inschrijving van de zaak op de algemene rol, in het register van verzoekschriften of in het register van de vorderingen in kort geding, wordt behouden. De eisbaarheid van het recht wordt op twee vlakken gewijzigd (nieuw art. 2692, § 1 W.Reg.): 

  • het recht is niet verschuldigd bij de inleiding van de zaak, maar bij de afloop van de procedure; 
  • het recht wordt niet betaald door de eiser, maar door de partij(en) die in het ongelijk is (zijn) gesteld. 

Het recht wordt in principe opeisbaar op de datum van de uitspraak van de rechterlijke beslissing tot veroordeling (vonnis, arrest, beschikking). 

Als evenwel de zaak van de rol der zittingen of van de algemene rol wordt doorgehaald of weggelaten bij toepassing van artikel 730 Ger.W., is het recht opeisbaar vanaf de datum van de doorhaling of van de weglating ten laste van de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen (nieuw art. 2692, § 2 W.Reg.). 

Het komt toe aan de rechter om in zijn eindbeslissing de schuldenaars van het rolrecht en het aandeel van elk van hen in de betaling van dit recht aan te duiden. Tegen deze beslissing kan geen rechtsmiddel worden aangewend (nieuw art. 2692, § 1 W.Reg.). 

Bovendien heeft de griffier geen actieve rol meer in de heffing van het rolrecht, behoudens de invoer in de door de FOD Justitie beheerde geïnformatiseerde toepassing van alle gegevens die noodzakelijk zullen zijn om de FOD Financiën toe te laten de rechten te innen en in te vorderen. Het is de Algemene Administratie Inning en Invordering (AAII) van de FOD Financiën die voortaan belast is met de inning en de invordering van deze federale belasting. Er wordt bijgevolg verwezen naar de circulaire 2019/C/16 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten, opgesteld door de AAII (www.fisconetplus.be). 

3.5. Nieuw regime van de vrijstellingen 

Zaken ingeleid voor de arbeidsgerechten

Voorheen waren de zaken inzake sociale aangelegenheden bedoeld bij artikel 162, 33°bis tot 37°bis W.Reg. vrijgesteld van het rolrecht. De andere zaken, niet beoogd door de vrijstellingen, waren dus onderworpen aan het vroegere algemeen tarief. 

Voortaan worden de vrijstellingen van het rolrecht in sociale aangelegenheden uitgebreid tot alle zaken die onder de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen (nieuw art. 2791, 3°, W.Reg.). Vanaf 1 februari 2019 wordt geen rolrecht meer geheven op de zaken die worden ingeleid voor de arbeidsgerechten, wat ook de geldwaarde is van het geschil. Met andere woorden, de wet voert de kosteloosheid in voor alle zaken die voor de arbeidsrechtbanken, de arbeidshoven en de sociale kamers van het Hof van Cassatie worden gebracht. 

Zaken inzake belastingen

Ook fiscale geschillen zijn vrijgesteld van het rolrecht (art. 2791, 1° en art. 162, 4°, W.Reg.). Bijgevolg zijn de zaken die worden ingeleid inzake belastingen volledig vrijgesteld: 

  • zonder beperking tot € 250.000; 
  • wat ook de verschuldigde belastingen zijn (federale staat, gewesten, gemeenschappen, provincies, gemeenten, polders, wateringen); 
  • die als voorwerp hebben de inning of de invordering, de waarborg of de teruggave, door een Belgische fiscale administratie, van sommen die verschuldigd zijn aan een overheidsinstantie, en ook de invordering door een Belgische fiscale administratie van sommen die verschuldigd zijn aan vreemde staten wanneer de invordering wordt uitgevoerd overeenkomstig internationale overeenkomsten ondertekend door België. 

De vrijstelling is bijgevolg niet toepasselijk op zaken die niet rechtstreeks de inning of de invordering van belastingen betreffen (vb. het verzoek tot controleschatting ingediend door een kantoor Rechtszekerheid (ontvanger “registratie” of “successie”), verzoek tot teruggave van een belasting, ingediend door de belastingplichtige die deze belasting betaald heeft aan diegene die ze moet dragen, bewarend beslag of uitvoerend beslag op onroerend goed uitgevoerd door een fiscale administratie in het kader van een invordering van een belasting, enz.). Voor deze zaken is vanaf 1 februari 2019 het algemeen tarief toepasselijk wanneer ze worden ingeschreven of opnieuw ingeschreven. 

Zaken betreffende de insolventie van ondernemingen

In plaats van een vrijstelling inzake faillissement voert de wet een nieuwe vrijstelling in voor zaken die worden ingeleid in het kader van het Boek XX van het Wetboek van economisch recht, onder de titel “Insolventie van ondernemingen” (nieuw art. 2791, 4°, W.Reg.). 

Dit nieuw insolventierecht is zeer breed en beoogt de volgende aangelegenheden: 

  • de voorlopige maatregelen; 
  • de ondernemingsbemiddelaar en het minnelijk akkoord; 
  • de gerechtelijke reorganisatie; 
  • het faillissement; 
  • de grensoverschrijdende insolventie (Europese en internationale); 
  • de aansprakelijkheidsvorderingen; 
  • verbodsbepalingen en de rehabilitatie; 
  • de intrekking van faillissement. 

Tegelijk heeft de wet de vrijstelling toepasselijk op de procedure van de gerechtelijke reorganisatie ingevoerd bij de wet van 31 januari 2009 opgeheven (opheffing van artikel 281 W.Reg.). Deze vrijstelling wordt evenwel opgenomen in de algemene vrijstelling betreffende het insolventierecht. 

Behoud van de andere vrijstellingen 

De andere vrijstellingen worden behouden (art. 2791, 1° en art. 162 W.Reg.). 

►Lees ook Circulaire betreffende de hervorming van de rolrechten

 

4. Wijziging van het expeditierecht 

4.1. Verschuldigdheid van het recht 

De wet heeft ook het expeditierecht gewijzigd. Dit is het tweede luik van de wet die de griffierechten hervormt. 

Het expeditierecht treft de aflevering, op de griffies, van de uitgiften, kopieën of uittreksels van documenten neergelegd op de griffie: 

  • ongeacht de aard van het stuk (vonnis, arrest of beschikking, rechterlijke akte, stuk van gerechtelijk onderzoek, verzoekschrift van een partij, register van de burgerlijke stand of nationaliteit, akte van de griffier, kopie van eigenhandig of internationaal testament, enz.) 
  • ongeacht de rechtsmacht; 
  • ongeacht het voorwerp. 

4.2. Behoud van de vrijstellingen 

Het expeditierecht is niet verschuldigd in de gevallen beoogd door artikel 280, 1° tot 9°, W.Reg. Zijn dus vrijgesteld van het expeditierecht de uitgiften, kopieën of uittreksels van akten, vonnissen en arresten die zijn vrijgesteld van het registratierecht of de registratieformaliteit krachtens de artikelen 161 en 162 W.Reg., BEHALVE de akten, vonnissen en arresten betreffende de sociale wetten bedoeld in artikel 162, 33°bis tot 37°bis en die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten (de wet heeft artikel 280, 1°, tweede lid, b), W.Reg. immers niet opgeheven). 

4.3. Nieuwe vrijstelling op de eerste uitvoerbare uitgifte van de vonnissen en arresten

Om enigszins de verhoging van het rolrecht te compenseren heeft de wet een nieuwe vrijstelling van het expeditierecht ingevoerd (art. 7, wet). Het betreft de niet bestraffing van de partij die een zaak heeft gewonnen en die wil overgaan tot uitvoering van de rechterlijke beslissing met de minste kosten. 

Voortaan zijn vrijgesteld van het expeditierecht “de uitvoerbare uitgiften van vonnissen en arresten die aan de partijen worden verstrekt anders dan krachtens een beschikking van de voorzitter van de rechtbank als bedoeld in artikel 1379 van het Gerechtelijk Wetboek” (nieuw artikel 280, 9°, W.Reg.). 

De nieuwe vrijstelling slaat niet op de aflevering van de tweede uitvoerbare uitgifte van een rechterlijke beslissing aan elke partij die erom verzoekt bij toepassing van artikel 1379 Ger.W., maar wel degelijk op de aflevering van de eerste uitvoerbare uitgifte van een vonnis, arrest of beschikking, in alle zaken (inbegrepen strafzaken). Bijgevolg blijft het expeditierecht verschuldigd op de afgifte van de tweede uitvoerbare titel, onder voorbehoud van de toepasselijke vrijstellingen. 

5. Behoud van het opstelrecht 

De wet heeft geen wijziging aangebracht aan het opstelrecht (art. 2701, 2702, 2703 en 2792 W.Reg.). Dit recht wordt dus behouden. 

 

6. Koninklijk besluit van 28 januari 2019 

6.1. Opheffing van het koninklijk besluit van 13 december 1968 

Het koninklijk besluit van 13 december 1968 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies der hoven en rechtbanken regelt: 

  • de aanbieding, door de griffiers van de hoven en rechtbanken, van de vonnissen en arresten aan de kantoren der registratie (thans “kantoor Rechtszekerheid) met het oog op de inning en de invordering van de registratierechten op de vonnissen en arresten, met name het veroordelingsrecht en het titelrecht; 
  • de inning en de invordering van de griffierechten; 
  • het houden van de registers, boeken en documenten in de griffies. 

Sedert 1969 is dit besluit niet meer systematisch aangepast aan de evolutie van de wetgeving. Deze evolutie heeft de afschaffing van tal van griffierechten teweeggebracht en heeft wijzigingen aangebracht aan de bevoegdheden en de benamingen van bepaalde hoven en rechtbanken en bepaalde administraties van de FOD Financiën. Bovendien worden de registers en boeken op de griffies niet meer op papier maar elektronisch bijgehouden. 

In de plaats van een wijziging van het koninklijk besluit van 1968 werd geopteerd voor een vervanging door een nieuw koninklijk besluit. 

►Ander interessant artikel Griffierechten vanaf 1 februari 2019

6.2. Registratierecht 

Alle vonnissen en arresten (beschikkingen en beslissingen) moeten door de griffiers van de hoven van beroep, rechtbanken en vredegerechten binnen de 10 dagen van hun dagtekening worden meegedeeld aan de ontvanger van het bevoegd kantoor Rechtszekerheid van de AAPD, op straffe van een boete van € 12,50 per overtreding, met het oog op de heffing door de ontvanger van de volgende rechten: 

  • Het veroordelingsrecht, verschuldigd op het samengevoegd bedrag van de veroordelingen of vereffeningen ten laste van eenzelfde persoon, of op het totaalbedrag van de aan de schuldeisers uitgedeelde sommen, bij toepassing van artikel 142 W.Reg., onder voorbehoud van de uitzonderingen beoogd in artikel 143 W.Reg.; 
  • Het titelrecht, verschuldigd op de vonnissen en arresten die titel vormen van een overdragende of aanwijzende overeenkomst van eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen die niet onderworpen werd aan de toepasselijke belasting (KB, art.1). 

Deze bepaling is niet van toepassing: 

  • op de arresten en vonnissen in strafzaken; 
  • op de arresten en beschikkingen in kort geding; 
  • op de beschikkingen op eenzijdig verzoekschrift en de beslissingen gewezen op hoger beroep daarvan; 
  • op de beslissingen of maatregelen van inwendige aard zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling en bevel tot verschijning van de partijen in persoon; 
  • op de arresten van de jeugdkamers van de hoven van beroep en de vonnissen van de jeugdrechtbanken; 
  • op de arresten van de familiekamers van de hoven van beroep en de vonnissen van de familierechtbanken wanneer de eis een materie betreft die bedoeld is in artikel 572bis, 4° tot 7°, 12°, 14° en 15° Ger.W. (met name het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact ten aanzien van minderjarige kinderen (en de grensoverschrijdende maatregelen), de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen, de onderhoudsverplichtingen en kinderbijslag) (KB, art. 2, eerste lid). 
  • De minister van Financiën kan andere afwijkingen van artikel 1 bepalen (KB, art. 2, tweede lid). 

6.3. Griffierecht 

Rolrecht 

De FOD Justitie zendt aan de FOD Financiën via een elektronisch verzendingssysteem, de lijst van de rolrechten binnen de drie dagen van hun opeisbaarheid. De FOD Financiën moet een betalingsbericht verzenden, waarbij de verschuldigde rechten worden gevorderd, binnen de 15 kalenderdagen vanaf de ontvangst van het bericht. Dit betalingsbericht wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag volgend op de afgifte ervan bij de post (KB, art. 4). 

Artikel 288bis W.Reg. laat toe om bij KB de administratieve boete vast te stellen voor de laattijdige betaling van de rechten: de helft van het bedrag van het recht, met een minimum van € 25 (KB, art.5). 

Voorbeeld

Procedure ingesteld voor het hof van beroep te Brussel in februari 2019 en afgesloten in maart 2021. Indien het rolrecht laattijdig wordt betaald bedraagt de administratieve boete € 200 (1/2 van € 400). 

Het rolrecht en deze boete worden ingevorderd zoals de niet-fiscale schuldvorderingen (KB, art.6). 

Opstelrecht en expeditierecht 

Deze rechten worden verder geheven door de tussenkomst van de griffiers (hoofdstuk II). 

Bijhouden van de registers op de griffies 

Het KB heeft de achterhaalde oude registers afgeschaft (handelsregister, register van de burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, register van de (Europese) economische samenwerkingsverbanden, het ambachtsregister, enz.) en heeft de elektronische registratie- en boekhoudregisters ingevoerd (hoofdstuk III). 

Toezicht op de griffies 

Het KB regelt het raadplegingsrecht van de belastingambtenaren en organiseert de controle op de griffies in het kader van de uitvoering van het KB. De politierechters zijn toegevoegd aan de lijst van personen belast met het toezicht (hoofdstuk IV). 

Bescherming van de persoonsgegevens 

Als gevolg van het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit van 19 december 2018 zijn aan het KB bepalingen toegevoegd betreffende de bescherming van het privéleven (privacy) bij toepassing van de GDPR (hoofdstuk V). 

 

7. Inwerkingtreding en overgangsrecht 

7.1. Datum van inwerkingtreding 

De nieuwe maatregelen treden in werking op 1 februari 2019 (Wet art. 29, KB art. 41). 

 

7.2. Overgangsmaatregel  

De wijzigingen betreffende het rolrecht zijn van toepassing op de zaken waarvan de inschrijving of de herinschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019 (art. 28, wet). 

Voor alle andere zaken ingeschreven of heringeschreven tussen 1 september 2017 en 31 januari 2019 blijft de vroegere tarifering volgend uit de programmawet van 22 juni 2012 toepasselijk (B.S., 28 juni 2012). Deze wet had met name drie verschillende tarieven ingevoerd naargelang de zaak was ingeschreven op de algemene rol (oud art. 2691 W.Reg.), in het register van de verzoekschriften (oud art. 2692 W.Reg.) of in het register van de vorderingen in kort geding (oud art. 2693 W.Reg.). 

De wijziging betreffende het expeditierecht is toepasselijk: 

  • op de zaken waarvoor de inschrijving of de herinschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019 (art. 28, wet); 
  • voor de zaken die niet het voorwerp uitmaken van een inschrijving of een herinschrijving (waaronder de strafzaken), op de uitvoerbare uitgiften afgeleverd vanaf 1 februari 2019 (art. 29, tweede lid, wet). 

De aflevering van de uitgifte is inderdaad het belastbaar feit voor het expeditierecht; de eerste uitvoerbare uitgifte is vrijgesteld van het recht (art. 280, 9° W.Reg.). Maar het expeditierecht blijft verschuldigd op de aflevering van de tweede uitvoerbare uitgifte van een vonnis, een arrest of een beschikking, onder voorbehoud van de toepasselijke vrijstellingen (art. 280, 1° tot 9° W.Reg.). 

Dit levert de volgende tabel: 

Uitvoerbare uitgiften beoogd door artikel 28 van de wet 

Toepasselijk op zaken ingeschreven of heringeschreven vanaf 1 februari 2019 

Eerste uitvoerbare uitgifte (art. 280, 9°) 

vrijgesteld 

Tweede uitvoerbare uitgifte: 

  • Gevallen bedoeld in art. 280, 1°, 2°, 4°, 6° en 7° (uitzonderingen) 
  • BEHALVE gevallen bedoeld in art. 162, 33°bis tot 37°bis (sociale aangelegenheden) 
  • Gevallen niet bedoeld in art. 280, 1°, 2°, 4°, 6° en 7° (algemene regel) 

  

  • Vrijgesteld 
  • recht verschuldigd 
  • recht verschuldigd 

  

Uitvoerbare uitgiften niet beoogd door artikel 28 van de wet (waaronder strafzaken) 

Toepasselijk op uitgiften afgeleverd vanaf 1 februari 2019 

Eerste uitvoerbare uitgifte (art. 280, 9°) 

vrijgesteld 

Tweede uitvoerbare uitgifte 

recht verschuldigd