Rechter kan ruling valideren of vernietigen (maar niet méér)

Geschreven door Mark Delanote, Bloom, tax.bloom-law.be
Foto: geir tønnessen  

Recent moest de rechtbank van eerste aanleg van Brussel zich buigen over de vraag of en in welke mate een rechter zich kan uitspreken over de rechtsgeldigheid van een ruling (Rb. Brussel 3 februari 2020, 2018/2426/A). Amper enkele weken ervoor kwam het aan het hof van beroep te Gent toe om zich over dezelfde rechtsvraag uit te spreken, ditmaal m.b.t. een Vlabel-ruling (Gent 14 januari 2020, 2018/AR/1269).

De Brusselse zaak betrof een negatieve ruling die was afgeleverd door de federale rulingdienst (Dienst voor Voorafgaande Beslissingen, in toepassing van de wet van 24 december 2002) (zie Fisc. Act. 2019, 3/5 voor de inhoud van de ruling). De Gentse zaak betrof een ruling die was afgeleverd door Vlabel in toepassing van artikel 3.22.0.0.1, § 1, al. 1 en 2 VCF. In beide gevallen waren de belastingplichtigen het niet eens met de negatieve ruling en hoopten zij dan ook dat de rechter die zou vernietigen, en wél positief zou oordelen over de kwestie.

De bevindingen van beide rechters lopen grotendeels parallel. Beiden komen tot het besluit dat het wel degelijk tot hun rechtsmacht en bevoegdheid behoort om van dergelijke geschillen kennis te nemen. Beiden delen ook de visie dat zij zich over de wettigheid van de ruling mogen buigen, en die ruling desgevallend mogen vernietigen. Maar ze mogen zelf geen nieuwe ‘voorafgaande beslissing’ uitvaardigen [De Brusselse rechtbank ziet overigens geen reden om de ruling te vernietigen: de rulingdienst heeft zijn beslissing wettig genomen volgens de rechter. Het Gentse hof heropent de debatten op dat punt.].
De beslissingen van beide rechters lijken mij correct (zie ook reeds Rb. Bergen 25 mei 2010, Fisc. Act. 2010, 20/6 en Vr. en Antw. Kamer 2008-09, afl. 52-40, 10403, Fisc. Act. 2009, 10/7).

Zo lijkt het voor de rechters alvast duidelijk dat een rechtsonderhorige die niet de verhoopte ruling verkrijgt, beschikt over het vereiste “verkregen en dadelijk” belang (in de zin van art. 17 en 18 Ger.W.) om een rechtsvordering in te stellen tegen de ongunstige ruling. Een ongunstige ruling leidt er immers toe dat de beoogde rechtszekerheid wegvalt, aldus het Gentse hof. En de Brusselse rechtbank merkt op dat ook een negatieve ruling in principe bindend kan zijn. Daarenboven heeft de betrokkene er belang bij dat zijn zaak eventueel kan worden herbekeken. Het feit dat een ruling (vanuit de eigen aard ervan) uitgesproken wordt vóór de vestiging van de aanslag, doet daaraan volgens de rechters geen afbreuk.
Dat de zaak voorgelegd kan worden aan de rechter, is dan ook duidelijk.

Rechter kan zich niet in plaats stellen van rulingdienst

Vervolgens rijst dan de vraag naar de omvang van diens rechtsmacht en bevoegdheid. Op dat vlak wijst de rechter voreerst op het (evidente) feit dat een rechtsonderhorige geen subjectief recht heeft om een gunstige ruling te verkrijgen. Een ruling vooronderstelt immers altijd een beoordeling door de bevoegde overheidsdienst. En het komt daarbij niet aan de rechtbanken of de hoven toe om zich in de plaats te stellen van die overheid (of die overheid te bevelen zich in de een of andere zin uit te spreken). In essentie komt het er dan ook op neer dat de omvang van de bevoegdheid van de rechtbanken en hoven beperkt is tot een controle op de interne en externe wettigheid van de beslissing van de bevoegde overheid.
Dat betekent concreet dat een rechter die beslissing kan valideren of vernietigen, maar zonder zelf een ‘nieuwe beslissing’ te kunnen nemen. Van de rechter kan evenmin verwacht worden dat hij (over de grond van de zaak) een “verklaring van recht” zou kunnen geven, aangezien dat procedureel alleen mogelijk is om een “schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen” (waarvoor dan weer het vereiste belang in de zin van art. 18 lid 2 Ger.W. ontbreekt).
Zoals gezegd, verdienen deze uitspraken bijval. Meer nog, het is zelfs enigszins verwonderlijk dat daarover nog betwistingen gevoerd worden.

Steeds weer dezelfde discussie

De vraag of en in welke mate de fiscale rechter kennis mag nemen van diverse twistpunten die rijzen tussen de overheidsdiensten en de rechtsonderhorigen, heeft inderdaad reeds heel wat (onnodig) stof doen opwaaien. Het in 1999 ontworpen systeem van fiscale rechtspleging was weliswaar opgebouwd vanuit de idee dat een burger slechts nood zou hebben aan de tussenkomst van een rechter nadat de overheid stelling had ingenomen over het bestaan en het bedrag van de belastingschuld. Vanuit die idee werd (inzonderheid op het vlak van de inkomstenbelastingen) ook getimmerd aan de vereiste van een voorafgaandelijk administratief beroep dat – bij wijze van ontvankelijkheidsvereiste (ook gekend als ‘uitputtingsvereiste’) – verplicht moest worden
doorlopen vooraleer men naar de rechter kon stappen.

►Lees ook: Corona-steunmaatregel: wijziging percentages voorafbetalingen van de inkomstenbelasting

Van meet af aan was het echter ook duidelijk dat de bevoegdheden van de fiscale overheden ruimer zijn dan louter het ‘vestigen van aanslagen’. Zij nemen inderdaad allerhande beslissingen, zowel in de aanloop naar als in het kielzog van de aanslag. Zo bijvoorbeeld heeft de fiscus – voorafgaand aan de aanslag – de bevoegdheid om diverse beslissingen te nemen die een onmiddellijke impact hebben op de draagwijdte van zijn onderzoeksbevoegdheden (bv. een beslissing om de onderzoekstermijn uit te breiden of financiële instellingen te bevragen). Ook na de aanslag kunnen nog diverse beslissingen worden genomen, die vaak verband houden met de invordering van de belastingschuld. Denk bijvoorbeeld aan het onbeperkt uitstel van invordering, de vrijstelling
van nalatigheidsinteresten, enz …

Hoewel het nogal evident is dat elk van die beslissingen een impact heeft op de rechtspositie van de rechtsonderhorigen, bleek toch telkenmale opnieuw dat onduidelijkheden rezen bij de vraag of en in welke mate die beslissingen in rechte aanvechtbaar zijn. Zo werd bij herhaling het belang van de belastingplichtige in twijfel getrokken. Voorts nam de fiscus (daarin initieel gevolgd door enkele rechters, ook in graad van beroep) steevast het standpunt in dat de rechter zich niet kon buigen over zogenaamde pretaxatiegeschillen, om reden dat de belastingplichtige zou moeten wachten tot de aanslag is gevestigd (alvorens bv. de uitbreiding van de onderzoekstermijn te kunnen aanvechten voor de rechtbank) [Zelfs in de hier besproken Gentse zaak had de rechter in eerste aanleg nog geoordeeld dat de belastingplichtige geen ‘belang’ had zolang de aanslag niet was gevestigd (Rb. Gent 23 april 2018).].
De wijsheid kwam (gelukkig maar) met de jaren.

Op vandaag twijfelt niemand er nog aan dat pretaxatiegeschillen aan de rechtbanken kunnen worden voorgelegd (zie Fisc. Act. 2012, 31/7, 2013, 23/2 en 2014, 10/7). De betrokkene heeft – gelet op de impact van de beslissing op zijn/haar rechtspositie – een ‘belang’. Voorts omvat de materiële bevoegdheid van de rechtbanken alle “geschillen betreffende de toepassing van een belasting” ( art. 569 lid 1 32° Ger.W.). De hoger aangehaalde ‘uitputtingsvereiste’ kan dat niet doorkruisen, want die vereiste heeft alleen betrekking op beslissingen waartegen expliciet een administratief beroep mogelijk is volgens de wet.

Het is dus grotendeels diezelfde problematiek die in de hier besproken rechtspraak andermaal aan bod komt, deze keer m.b.t. geschillen over ‘voorafgaande beslissingen’ of rulings. Het is goed dat de rechters in deze absolute duidelijkheid brengen. Laat ons hopen dat ook die procedurekwestie thans van de baan is.