Ontvankelijk hoger beroep na ontvankelijk verzet vereist steeds een beoordeling ten gronde van de beroepsrechter

Geschreven door Ruben Van Herpe, Waeterinckx Vansteenkiste, www.wvlaw.be
Foto: James Saunders  

Het Grondwettelijk Hof verklaarde in een arrest van 26 september 2019 (nr. 123/2019) opnieuw een bepaling uit het Wetboek van Strafvordering ongrondwettig.

De bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag is art. 187, § 9, tweede lid Sv. (Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.”)

Bij de ‘Potpourri II’ hervorming herschreef de wetgever art. 187 Sv. en goot hij een bestaande praktijk (bv. Cass. 2 juni 2015, P.14.1692.N) in de wet (art. 187, § 9 Sv.) zodat een hoger beroep tegen een ongedaan verklaard verzet automatisch de grond van de zaak aanhangig maakt bij de beroepsrechter (Parl.St. Kamer 2015-2016, nr. 54-1418/001, 77). Net zoals het genoemde cassatie-arrest had de wetgever duidelijk enkel rekening gehouden met de voor de beklaagde nadelige hypothese dat het verzet ongedaan wordt beschouwd in eerste aanleg. De wetgever vergat hierbij dat het in de praktijk ook mogelijk is dat het verzet eerst gedaan wordt verklaard om nadien op hoger beroep terug ongedaan te worden verklaard.

Volg op 10 maart 2020 van 12 uur tot 14 uur het online seminar Actualia strafrecht en strafprocesrecht: rechten van verdediging en bewijs met Catherine VAN DE HEYNING en Manon GUTWIRTH

Indien het verzet tegen een beslissing op verstek ongedaan wordt verklaard, betekent dit dat het verzet ontvankelijk is, maar als vervallen wordt beschouwd zodat het verstekvonnis waartegen men zich verzette overeind blijft.

In de zaak die aanleiding gaf tot de prejudiciële vraag verklaarde de eerste rechter het verzet ontvankelijk en gedaan en oordeelde bijgevolg over de grond van de zaak. Telkens was de beslissing op verzet gunstiger voor de beklaagden. Vervolgens tekende het parket hoger beroep aan en beperkte naderhand overeenkomstig art. 187 § 7 Sv. het hoger beroep tot de ‘gedaanverklaring’ door de rechter. De beklaagde tekende geen hoger beroep aan. Door dit enkel hoger beroep van het parket was de beoordelingsruimte van het hof zeer beperkt. Bijkomend merkte het hof bij de lezing van art. art. 187, § 9, tweede lid Sv. op dat een bevestiging van de stelling van het openbaar ministerie het verstekvonnis terug doet herleven en dat de beklaagde geen enkele kans meer heeft om de grond van de zaak voor te leggen aan de feitenrechter. Het hof van beroep van Luik vroeg aan het Grondwettelijk Hof of dit wel verzoenbaar is met bepaalde fundamentele rechten van de rechtsonderhorige.

Op basis van art. 187, § 9, tweede lid Sv. zal het (ontvankelijk) hoger beroep tegen een (ontvankelijk) ongedaan verklaard verzet door de eerste rechter steeds automatisch aanleiding geven tot een beoordeling in hoger beroep van het verzet (gedaan of ongedaan) én de grond van de zaak.

►Lees ook: Onmiddellijke aanhouding ter zitting ingevoerd

Het Hof van Cassatie interpreteert dit automatisme zelfs zo dat het hoger beroep tegen een in eerste aanleg ongedaan verklaard verzet ongedaan van rechtswege (!) het geschil in zijn geheel ter beoordeling voorlegt aan de beroepsrechter binnen de contouren van het verzet. Als gevolg van art. 187, § 9, tweede lid Sv. is art. 204 Sv. niet van toepassing zodat de appellant geen grieven moet formuleren zoals art. 204 Sv. in principe vereist (Cass. 27 februari 2018, P.17.0618.N).

Het Grondwettelijk Hof bekritiseert de wetgever die geen rekening hield met de voor de beklaagde voordelige hypothese dat het verzet gedaan wordt beschouwd in eerste aanleg. Zoals blijkt uit de feiten bestaat de mogelijkheid dat het openbaar ministerie hoger beroep aantekent en de beroepsrechter het verzet toch ongedaan verklaart. Op dat moment ‘herleeft’ het verstekvonnis als definitief zonder dat de beklaagde de kans krijgt om de zaak opnieuw voor te leggen aan de strafrechter.

Dit alles schendt – volgens het Hof – het recht op toegang tot de rechter (art. 13 Grondwet) in samenhang gelezen met het recht op een dubbele aanleg in strafzaken (art. 2, Zevende Protocol bij het EVRM en art. 14, lid 5 IVBPR).

Besluit: De beroepsrechter zal na een ontvankelijk hoger beroep tegen een vonnis op verzet steeds van rechtswege de zaak volledig ten gronde moeten onderzoeken, ongeacht of het hoger beroep werd ingesteld tegen gedaan dan wel ongedaan verzet.