Onmiddellijke aanhouding ter zitting ingevoerd

Geschreven door Lexalert

Het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, teneinde bij risico op recidive de onmiddellijke aanhouding ter zitting mogelijk te maken wordt momenteel besproken in de Commissie Justitie. 

Wanneer de hoven en rechtbanken een veroordeling uitspreken, mogen zij op grond van de wet betreffende de voorlopige hechtenis momenteel alleen overgaan tot een onmiddellijke aanhouding wanneer er vluchtgevaar bestaat. De rechter mag dus geen onmiddellijke aanhouding bevelen wanneer er wel een hoog risico op recidive bestaat, maar de beklaagde zich niet aan het gerecht dreigt te onttrekken.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe die leemte op te vullen door in die situatie de onmiddellijke aanhouding mogelijk te maken.​

De onmiddellijke aanhouding is een beschermingsmaatregel die is opgenomen in de wet betreffende de voorlopige hechtenis. Wanneer een beklaagde of een beschuldigde bij de uitspraak van zijn vonnis ongeboeid verschijnt en wordt veroordeeld tot een hoofdstraf van drie jaar (sinds 1 januari 2018, voordien was het één jaar1 ), dan wel tot een zwaardere straf (zonder uitstel), kan de rechter diens onmiddellijke aanhouding ter zitting gelasten. Daartoe is een vordering vanwege het parket vereist, alsook een situatie waarbij “te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken”. Bij veroordelingen ten gevolge van terroristische of seksuele misdrijven moet de straf slechts één jaar of meer bedragen. De onmiddellijke aanhouding maakt het dus mogelijk dat de veroordeelde wordt opgesloten, ook al is de veroordeling niet definitief en/of uitvoerbaar.

Volg het on demand seminarie Actualia strafrecht en strafprocesrecht: rechten van verdediging en bewijs met Catherine VAN DE HEYNING

Aangezien de termijnen voor het instellen van beroep een opschortende werking hebben, kan de uitvoering van een veroordeling immers alleen worden geëist nadat de beslissing kracht van gewijsde heeft gekregen, dus wanneer daartegen niet langer verzet, beroep of cassatie kan worden ingesteld. Het bevel tot onmiddellijke aanhouding vormt na de gelasting ervan één geheel met de hoofdbeslissing; er kan geen enkel beroep tegen worden ingesteld. Momenteel is krachtens artikel 33, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis een onmiddellijke aanhouding slechts mogelijk indien er twijfel bestaat over de intentie van de betrokkene om zich aan de uitvoering van zijn straf te onttrekken. Dit is een wettig criterium waarop de rechtbank acht moet slaan, en bovendien het enige waarmee ze rekening mag houden. De kans op recidive, bijvoorbeeld, is geen rechtsgrond die een onmiddellijke aanhouding rechtvaardigt. De personen die ongeboeid op hun proces verschijnen en die beslissen tegen hun veroordeling in beroep te gaan, gaan vrijuit in afwachting van een nieuw proces.

 Lees ook: Naar een (nog meer) regionaal gedifferentieerd risicobeleid?

Omgekeerd kan de onderzoeksrechter bij zijn beslissing om al dan niet een aanhoudingsbevel uit te vaardigen, wel rekening houden met de kans op recidive bij een eventuele invrijheidstelling van de verdachte. Dit wetsvoorstel beoogt derhalve de feitenrechter de mogelijkheid te bieden de onmiddellijke aanhouding te gelasten op basis van een nieuw criterium, waarop de onderzoeksrechter zich momenteel al kan beroepen. De kans op recidive moet immers in aanmerking kunnen worden genomen door zowel de onderzoeksrechter als de feitenrechter, aangezien het risico voor de (gewezen dan wel toekomstige) slachtoffers hetzelfde is. Het kan bijvoorbeeld gaan om de slachtoffers van echtelijk of huiselijk geweld, alsook om de slachtoffers van verkrachting, die hun aanrander momenteel nog maandenlang tegen het lijf kunnen lopen, hoewel hij meermaals voor gelijkaardige feiten veroordeeld is geweest. Daarbovenop komt dat de termijnen om in beroep een uitspraak te verkrijgen, als gevolg van de gerechtelijke achterstand, vaak (veel) te lang aanslepen, waardoor een veroordeelde die in beroep gaat, nog maandenlang vrij rondloopt in afwachting van een nieuw vonnis. Overwegende dat de onderzoeksrechter bij het nemen van zijn beslissing om al dan niet een aanhoudingsbevel uit te vaardigen, rekening kan houden met de kans dat de veroordeelde recidiveert, beogen de indieners van dit wetsvoorstel ook de feitenrechter die mogelijkheid te bieden bij het uitspreken van het veroordelend vonnis, wanneer hij de onmiddellijke aanhouding ter zitting wil gelasten. Deze maatregel zal vooral zijn nut hebben in geval van misdrijven die raken aan de fysieke en seksuele integriteit van de slachtoffers. We denken daarbij in de eerste plaats aan verkrachting en aanranding van de eerbaarheid. Deze bepaling kan ook een antwoord bieden op de roep om een krachtiger beleid te voeren tegen feminicide.

Lees de volledige tekst van het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, teneinde bij risico op recidive de onmiddellijke aanhouding ter zitting mogelijk te maken