Ongemene reflecties over gemene bepalingen

Geschreven door Joeri Vananroye, Corporate Finance Lab, corporatefinancelab.org
Foto: Joshua Conle

Een wetgever die alle vennootschappen, stichtingen en verenigingen in één wetboek wil regelen zou vele “gemene” regels kunnen bedenken: gemeen aan alle vormen, gemeen aan alle rechtspersonen, gemeen aan alle vennootschappen, gemeen aan alle non-profits (verenigingen en stichtingen), gemeen aan alle verenigingen (met en zonder rechtspersoonlijkheid), gemeen aan alle vormen zonder rechtspersoonlijkheid (maatschap en feitelijke vereniging), gemeen aan alle vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (met bv. een gemene liquiditeitstest), gemeen aan alle entiteiten met beperkte aansprakelijkheid (met bv. gemene bepalingen rond startvermogen), gemeen aan alle vennootschapsvormen met/zonder vrije overdraagbaarheid van aandelen, … Het WVV zet vooral in op regels gemeen aan alle rechtspersonen (Boek 2). Deze post gaat in op de voorgeschiedenis hiervan, de praktische inzet en de wenselijkheid van deze keuze.

 

In het begin van de 19de eeuw werden burgerlijke vennootschappen (i.e. vennootschappen met een doel dat niet bestond uit een van de daden van koophandel opgesomd in het Wetboek van Koophandel) beheerst door de titel “het contract van vennootschap” in het BW (art. 1832 e.v. BW). Handelsvennootschappen (i.e. vennootschappen met als voorwerp daden van koophandel opgesomd in het W.Kh.) werden beheerst door de relevante bepalingen in het W.Kh. (over tijdelijke vennootschap, stille vennootschap, CommV, VOF en NV).

De bepalingen van het BW over de “burgerlijke vennootschap” regelden wat we vandaag kennen als de maatschap. De regels van de maatschap in het BW waren ook een gemeen recht voor de commerciële personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid (VOF en CommV) en zonder rechtspersoonlijkheid (VOF en CommV). Het W.Kh. en later de Vennootschapswet regelden deze vormen immers zeer summier zodat voor de meeste vragen (bv. bestuur, verplichtingen en rechten ven vennoten, ontbinding, …) moest worden teruggegrepen naar het gemeen recht in het BW. In veel mindere mate golden de regels inzake de maatschap ook als een gemeen recht voor de handelsvormen. Dit was echter zeer beperkt omdat deze vormen vrij exhaustief werden geregeld in de Vennootschapswet; vaak op een wijze die sterk afweek van de regels voor de maatschap. Soms, zeer soms, werd echter de oplossing voor vragen gevonden in de regels van het BW. Een voorbeeld: voor vragen rond de concurrerende bevoegdheid van zaakvoerders in een BVBA wel werd eens terug gegrepen naar de regels bij meerdere zaakvoerders in een maatschap (bv. mogelijkheid van anticipatief verzet).

Die status van “gemeen recht” voor de maatschap – in het Frans onder het W.Venn. overigens société de droit commun genoemd – kreeg  in 1999 uitdrukking in Boek II van het W.Venn. met de “bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen”. De bepalingen van dit Boek kwamen grotendeels uit de oude regels van het BW. Formeel was Boek II het gemeen recht van elke vennootschap. In de praktijk was het Boek II enkel het gemeen recht voor de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (Boek III) en de VOF en CommV (Boek IV). De beperkte draagwijdte van het gemeenrechtelijke karakter kreeg uitdrukking in art. 18 W.Venn. dat stelde dat de bepalingen van Boek II enkel golden voor zover er in volgende boeken niet van werd afgeweken, en voor zover niet in strijd met wetten/gebruiken koophandel. Voor de NV, BVBA en CV werd er meestal afgeweken van de regels van Boek II; veel ruimte voor dit “gemeen recht” was er dan ook niet.

Volg het on demand seminarie Overdracht van accountants- en boekhoudkantoren anno 2019-2020 met Jo DECOUTERE

Het WVV heeft dit inzicht radicaal doorgetrokken en bevat géén boek met regels gemeenschappelijk aan alle vennootschappen. Er is een Boek 1 met algemene bepalingen die gelden voor alle vormen geregeld in het WVV, dus niet enkel de vennootschappen, maar ook de vennootschappen en de verenigingen. Er is verder een Boek 2 met bepalingen gemeenschappelijk aan alle rechtspersonen geregeld in het WVV (dus niet de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, maar dan weer wel de VZW’s en stichtingen). Binnen dit “gemeen rechtspersonenrecht” wordt overigens regelmatig wel gedifferentieerd; het is niet zo dat elke regel zonder meer van toepassing op elke rechtspersoon (bv. geschillenregeling).

De afwezigheid van een “algemeen vennootschapsdeel” moet worden genuanceerd.  Boek 1 met de “algemene bepalingen” bevat enkele bepalingen die voor alle vennootschappen en enkel voor alle vennootschappen gelden: bv. de regels inzake de inbreng (art. 1:8). 

Boek 2 bevat dan weer enkele regels die formeel niét gelden voor een maatschap maar waarvan redelijkerwijze wel kan worden aangenomen dat ze de uitdrukking vormen van een algemene regel die ook voor een maatschap geldt. Zie bv. art. 2:56 al. 1 dat de marginale toetsing van bestuurshandelen regelt. Er is geen reden om aan te nemen waarom deze toetsingsnorm niet zou gelden voor de zaakvoerder van de maatschap. Of beter: er is wel een reden om dat aan te nemen, nu geargumenteerd kan worden dat omwille van de onbeperkte aansprakelijkheid in de interne verhouding tussen zaakvoerder en vennoten meer voorzichtigheid kan worden gevraagd. Dit argument is echter ook van toepassing op de zaakvoerder van een VOF, waar de genoemde norm zonder enige twijfel geldt. Wellicht kan dan ook worden aangenomen dat rechters voor de zaakvoerder van de maatschap op gelijkaardige manier zullen toetsen.

Zie ook een eerdere post met onze scepsis  over het nut of zelfs de wenselijkheid van gemene regels voor alle vennootschappen.

 

 

Boek 2 zorgt ervoor dat het onderscheid tussen vennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid de summa divisio vormt in het WVV. Dat wordt nog versterkt door andere regels die enkel van toepassing zijn op rechtspersonen. Denk bv. aan Boek 12 over herstructureringen en Boek 14 over omzetting (inclusief internationale omzetting).

Dat is minder vanzelfsprekend dat het lijkt. Het WVV erkent voor het eerst in de wetgeving dat de maatschap een afgescheiden vermogen heeft, en daarmee dus niet langer als een contract kan worden beschouwd zoals onder het BW. Dit pleit er eerder voor dat méér regels voor rechtspersonen ook van toepassing zouden zijn op maatschappen. Het afgescheiden vermogen geeft de maatschap immers een belangrijk rechtspersoonskenmerk, waardoor deze vorm sterk lijkt op de VOF.

Het komt ons daarbij voor dat de wetgever niet altijd diep heeft nagedacht over de vraag of een regel al dan niet ook op de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid van toepassing moet zijn. Waarom is het IPR voor maatschappen niet geregeld? Waarom geen nietigheidsregeling voor maatschappen met ex nunc effect? Waarom geen regels voor de omzetting of herstructurering van een maatschap?

Een concreet voorbeeld: de ‘cap’ op bestuursaansprakelijkheid geldt wegens de plaatsing in Boek 2 enkel voor bestuurders van rechtspersonen. Bestuurders in een maatschap kunnen dus niet genieten van de ‘cap’. Bestuurders in bv. een VOF (met rechtspersoonlijkheid) wel. Een goede verantwoording hiervoor ligt niet voor. (Een m.i. slechte verantwoording zou kunnen zijn: het doet er noch in de maatschap noch in de VOF veel toe in de praktijk, maar voor de VOF is de drafting cost nu eenmaal veel lager door de aanwezigheid van een gemeen rechtspersonendeel.)

Twee opties van wetgever komen hier in botsing. Enerzijds is er het idee dat de maatschap, VOF en Comm.V één vennootschapsvorm is met een drievuldige verschijningsvorm. Dat gaat verder dan de structurering van de artikelen in één Boek 4: de verwantschap tussen vennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid werd benadrukt door voor de maatschap vermogenafscheiding en procesbevoegdheidheid (zie nieuw art. 703 § 2 Ger.W) ter erkennen. Anderzijds is er de keuze voor rechtspersoonlijkheid als grote breuklijn en centraal aanknopingspunt voor een hele reeks fundamentele regels.

In Boek XX van het WER werd een andere keuze gemaakt. Beperkte aansprakelijkheid noch rechtspersoonlijkheid vormt een aanknopingspunt voor de bestuursaansprakelijkheidsgronden van art. XX.225 e.v. Centraal staat de afgescheiden vermogen (al valt de feitelijke vereniging erbuiten).

►Lees ook: WVV - 1 januari 2020 Laatste eenvoudige dividenduitkeringen

Het WVV brengt maatschap, VOF en CommV samen in één Boek 4 voor personenvennootschappen. Art. 4:1 tot en met 4:21 gelden voor de maatschap. Samen met de regels uit Boek 1 zijn dit de enige regels die formeel van toepassing zijn op de maatschap. Art. 4:22 tot en met 4:28 gelden voor de VOF en CommV. Op grond van art. 4:23 zijn de meeste regels voor de maatschap ook van toepassing op de personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid. Daarbij worden die maatschapsregels uitgesloten die enkel op de maatschap van toepassing zijn wegens de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid: art. 4:13 al. 1 (onverdeeld karakter van maatschapsvermogen), art. 4:14 al.2 (stille maatschap) en art. 4: 21 (vereffening van maatschap). Voor de VOF en CommV moet verder uiteraard toepassing worden gemaakt van Boek 2 en de andere bepalingen voor rechtspersonen.

Een constante in deze historie is dat de regels van de maatschap al meer dan twee eeuwen een gemeen recht vormen voor alle personenvennootschappen. De manier waarop dit technisch uitwerking kreeg verschilde echter sterk in BW/W.KH, W.Venn. en WVV. De praktische verschillen van deze technieken zijn beperkt tot onbestaande.

Voor de gebruiker van het WVV is het belangrijk niet te vergeten dat heel wat regels uit Boek 4 hun oorsprong vinden in de Code civil uit 1804, soms ongewijzigd, soms licht gewijzigd.

 

 

Wat wel verloren is gegaan in het WVV is het idee van de regels voor de maatschap als een gemeen recht voor álle vennootschappen (vgl. met Boek II van het W.Venn.). Hoger stelden we al dat het gemeen recht hier zéér beperkt. Daarom was het nog niet irrelevant.

Het belangrijkste stuk “gemeen recht” waren de regels rond de ontbinding (oud art. 39-45 W.Venn; art. 4:16 WVV). De principes achter deze regels – eerder dan de formele regels zelf — werden voor het WVV ook wel eens op andere vennootschappen toegepast, bv. het principe dat een vennoot (of zijn persoonlijke schuldeisers) een redelijke exit-mogelijkheid moeten hebben. Dat kan van belang zijn voor een NV of BV(BA) waarbij overdrachtsbeperkingen de vennoten betonneren in de vennootschap. Zo vertaalt het opzeggingsrecht van art. 43 W.Venn (nu art. 4:17 WVV enkel van toepassing op personenvennootschappen) zich in een verplichting om een zekere overdraagbaarheid van aandelen te waarborgen (B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Biblo, 1996, 26, nr. 3).

De vraag is of dit “gemeen vennootschapsrecht” inzake ontbinding nog behouden blijft door de verhuis naar bijzonder boek 4. Dat hoeft niet per se uitgesloten te worden: ook nu is het niet zozeer de technische regel van Boek II die men toepast op de kapitaalvennootschappen maar wel een achterliggend maar niet uitgedrukt principe. Eerder illustreerden we reeds hoe de oude bepalingen van Boek II W.Venn. konden gelezen worden als een “gemeen liquiditeitsrecht” over de grenzen van het vennootschapsrecht heen. Heel wat recente cassatie-arresten over de duurzaamheid van een (familiale of andere) conventionele onverdeeldheid kunnen immers gelezen worden als een toepassing van de ontbindingsregels voor de maatschap.

De moraal is misschien dat wat ook de de structuur en de distinguo’s van de vennootschapswetgever zijn, de rechtspraak een gemeen liquiditeitsrecht kan vinden in de regels voor de maatschap en dit kan toepassen op andere organisaties.

Update (9u20): collega Storme wees na lectuur van de post op de figuur van de croupier in art. 4:6 al. 2 WVV (“Iedere vennoot mag evenwel, zonder toestemming van zijn medevennoten, een derde persoon tot deelgenoot nemen, wat zijn aandeel in de vennootschap betreft.“) Formeel geldt deze regel enkel voor de maatschap (inclusief VOF en CommV). Er is echter geen reden waarom een croupier niet mogelijk zou zijn in andere vormen zoals NV of BV. Opnieuw een illustratie dat niet al te cartesiaans moet worden omgegaan met het belang van de plaats van een regel in de structuur van het WVV.