Onbelast bijverdienen is ongrondwettig

Geschreven door , Instituut voor Arbeidsrecht, www.law.kuleuven.be/arbeidsrecht
Foto: Mark Hunter  
GwH 23 april 2020, nr. 53/2020, www.const-court.be

Onbelast bijverdienen – verenigingswerk – occasionele diensten – diensten via elektronische platforms – schending art. 10 en 11 GW   

Op 23 april vernietigde het Grondwettelijk Hof het stelsel van het occasioneel bijverdienen, dat geregeld is in de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en de wet van 30 oktober 2018 tot wijziging van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Het Hof acht het stelsel dat gebaseerd is op drie pijlers, met name het verenigingswerk, de occasionele diensten tussen burgers, en diensten verleend via erkende elektronische platformen, strijdig met artikel 10 en 11 van de Grondwet. Mensen die gewoonlijk en hoofzakelijk een beroepsactiviteit uitoefenen als werknemer of zelfstandige, maar ook gepensioneerden kunnen via dergelijke activiteiten tot een maximum van 6250 euro per jaar bijverdienen. De prestaties geleverd in de drie categorieën zijn echter uitgesloten van de toepassing van een groot deel van de arbeidswetgeving. De vergoedingen zijn bovendien vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.

Volg het on demand seminarie Workforce management tijdens en na de CoViD-19-crisis (deel 1) met Karel DE SCHOENMAEKER

Wat het verenigingswerk betreft, voert het Hof aan dat er sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat verenigingswerkers, in tegenstelling tot werknemers die dezelfde activiteiten uitoefenen in het kader van een arbeidsovereenkomst, onttrokken worden aan een groot deel van de arbeidswetgeving. Die uitsluiting heeft onder andere tot gevolg dat voor de geleverde prestaties geen minimumvergoeding geldt en er geen beperking is met betrekking tot het moment waarop die activiteiten plaatsvinden. Behoudens de vereiste hoofdactiviteit, die overigens niet geldt voor gepensioneerden, is er bovendien geen beperking inzake de tijd die de betrokkene kan besteden aan die activiteiten, en zijn er evenmin verplichtingen inzake pauzes en rustperioden. Hoewel het argument dat er nood was aan rechtszekerheid omtrent de kwalificatie van de prestaties van personen die in hun vrije tijd occasioneel bijverdienen volgens het Hof een verantwoording kan bieden voor de invoering van een afzonderlijk statuut, verantwoordt dit niet dat dit statuut gepaard gaat met het bijna volledig buiten toepassing verklaren van de arbeidswetgeving. 

Bovendien staan de gevolgen van de invoering van dat bijzondere statuut niet in een redelijke verhouding tot het nagestreefde doel van administratieve vereenvoudiging. Het risico dat het vrijwilligersstatuut wordt misbruikt voor de uitvoering van prestaties die in werkelijkheid een professioneel karakter vertonen, verantwoordt evenmin dat voor die prestaties een statuut wordt gecreëerd dat a priori elke toepassing van de opgesomde arbeidswetgeving uitsluit. Bovendien laat de bestreden regeling toe dat dezelfde activiteit door dezelfde persoon voor dezelfde organisatie deels als vrijwilligerswerker en deels als verenigingswerker wordt uitgeoefend. Indien die activiteiten een professioneel karakter vertonen, bestaat er dus een risico dat de bestreden regeling net bijdraagt aan het misbruik dat de wetgever tracht te voorkomen. De bestreden regeling komt volgens het Hof neer op een verhoging van de toegestane forfaitaire vergoeding voor vrijwilligerswerk, zonder dat een objectief criterium toelaat vast te stellen waarom die verhoging van toepassing is op bepaalde activiteiten, met uitsluiting van andere activiteiten die eveneens een maatschappelijke meerwaarde kunnen hebben.

Ook wat de vrijstelling van sociale en fiscale bijdragen voor de verenigingswerkers en de occasionele dienstverleners betreft, stelt het Hof dat dit de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt. Bij verenigingswerk wordt er immers een verschil in behandeling ingevoerd tussen personen die een vergoeding ontvangen voor identieke activiteiten, naargelang die activiteiten worden uitgevoerd als verenigingswerker dan wel als werknemer, aangezien de vergoeding in het eerste geval is vrijgesteld van fiscale en sociale bijdragen. Het Hof sluit zich aan bij het advies van de Raad van State (advies 62.368/1-2-3-4 van 1 december 2017) dat stelt dat de fiscale en sociale vrijstelling tot gevolg heeft dat de fiscale en sociale behandeling van de vergoeding voor eenzelfde activiteit verschillend is naargelang zij werd uitgevoerd in het kader van de bestreden wet, dan wel als werknemer of zelfstandige. Hoewel in de memorie van toelichting ingevolge dit advies bijkomende verantwoordingen naar voor werden gebracht, zijn die niet van dien aard dat zij dit fundamentele bezwaar kunnen weerleggen.

Zo werd naar voor geschoven dat in tegenstelling tot een werknemer, die volgens de wetgever als doel heeft om via arbeidsprestaties en gewaarborgd loon in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien, verenigingswerkers hun prestaties in de eerste plaats zouden leveren omwille van het maatschappelijk belang. In tegenstelling tot een zelfstandige, zou een occasionele dienstverlener geen commercieel doel voor ogen hebben, en ook geen beleid tot winstgeneratie voeren. Hij zou niet op de markt actief zijn zoals een gewone werknemer, maar zijn activiteiten veeleer occasioneel en in zijn vrije tijd uitoefenen. Deze redenering is volgens het Hof gebaseerd op ongefundeerde veronderstellingen en kan het verschil in behandeling bijgevolg niet verantwoorden. Zelfs indien de voormelde veronderstelling gegrond zou zijn, zou zij bovendien niet verantwoorden dat een vergoeding die voor de betrokkene « bijkomstig » is, een gunstiger stelsel zou kunnen genieten dan een vergoeding die bedoeld is om in het levensonderhoud van de betrokkene te voorzien. Ook de overweging dat het zou gaan om een beperkt aantal activiteiten die een bijzondere maatschappelijke meerwaarde bieden verantwoordt niet het aanzienlijke verschil in behandeling wanneer het gaat om identieke activiteiten. Bovendien blijkt niet uit de opsomming van de activiteiten in de artikelen 3 en 20 van de wet van 18 juli 2018 dat ze allemaal een grotere maatschappelijke meerwaarde zouden hebben dan mogelijke andere activiteiten. Ook de doelstelling om zwartwerk te vermijden, verantwoordt niet dat de vergoedingen voor de betrokken prestaties volledig aan de sociale zekerheid en aan de belastingen worden onttrokken. De maatregel creëert volgens het Hof zelfs de mogelijkheid om over te schakelen van een statuut dat onderworpen is aan de sociale zekerheid en aan fiscale verplichtingen, naar een statuut dat de betrokkene vrijstelt van al die verplichtingen.

Ook wat de diensten via erkende elektronische deelplatforms betreft, is er volgens het Hof sprake van een schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat zij een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen personen die dezelfde activiteiten uitoefenen als werknemers dan wel als dienstverlener via een erkend elektronisch platform. De wetgever had met de oorspronkelijke regeling inzake deeleconomie de volgende doelstellingen: zwartwerk tegengaan, het ondernemerschap en een nieuwe vorm van economie stimuleren en de mogelijkheid creëren om zonder veel administratieve verplichtingen een beperkte activiteit uit te oefenen. Daarnaast wou de wetgever ook rechtszekerheid creëren over het statuut van de dienstverleners. Hoewel de onzekerheid over de juiste kwalificatie eventueel een verantwoording kan bieden voor de nood aan een afzonderlijk statuut, wijst het Hof erop dat dergelijk statuut reeds gecreëerd werd door de programmawet van 1 juli 2016. Bovendien verantwoordt de onduidelijkheid over de kwalificatie niet dat de bestreden bepalingen aan dat statuut een volledige vrijstelling van de arbeidswetgeving, het socialezekerheidsstelsel en fiscale verplichtingen koppelen. Ook wat de doelstelling zwartwerk te vermijden betreft, herhaalt het Hof haar standpunt dat dit niet verantwoordt dat de vergoedingen voor de betrokken prestaties volledig aan de sociale zekerheid en aan de belastingen worden onttrokken. Het Hof merkt bovendien op dat in het kader van de derde pijler, anders dan in het kader van de eerste twee pijlers, niet voorzien is in een vereiste hoofdactiviteit, noch in een maandelijks maximumbedrag. De vereiste dat de activiteiten buiten de beroepsactiviteit van de betrokkene vallen, verandert niets aan die overweging. Dit is volgens het Hof bovendien tegenstrijdig aan de doelstelling van de wetgever om via de creatie van dat statuut ondernemerschap te stimuleren en een opstap te bieden naar het statuut van zelfstandige.

Omwille van de mogelijke negatieve gevolgen van de nietigverklaring voor personen die inkomsten ontvangen voor activiteiten uitgeoefend op basis van de bestreden wet, blijven de gevolgen van de vernietigde bepalingen evenwel gehandhaafd voor activiteiten geleverd tot en met 31 december 2020. (Miet Vanhegen)

Volledige tekst van het arrest