Nieuw vennootschapswetboek 2019 - bestuurdersaansprakelijkheid

Geschreven door Lexalert

Het nieuwe Wetboek Vennootschappen 2018 bevat nieuwe regels met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid. De artikelen 2:55 tem 2:57 Wb. Venn. treft u onderaan. 

Het nieuwe artikel 2:56 bevat de algemene aansprakelijkheidsregel voor bestuursorganen en vereffenaars van rechtspersonen. Onder het huidige recht bevat het Wetboek van vennootschappen voor deze organen aansprakelijkheidsbepalingen per rechtsvorm (NV, BVBA, VZW, …). Het voorgestelde artikel creëert een gemeenschappelijk regime die voor alle rechtspersonen geregeld in dit wetboek geldt.

De regeling is geïnspireerd op de artikelen 527 (gewone bestuursfout) en 528 (hoofdelijke aansprakelijkheid voor overtredingen van het Wetboek van vennootschappen of de statuten) inzake naamloze vennootschappen, met evenwel een aantal wijzigingen.

Ook feitelijke bestuurders, gedefinieerd als zij die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, zijn op dezelfde manier aansprakelijk zijn als formeel benoemde bestuurs- of toezichtsorganen.

Het ontwerp brengt in herinnering dat bestuurders die een buitencontractuele fout begaan hun aansprakelijkheid tegenover derden in het gedrang brengen.

Het wetsontwerp bevat de wettelijke formulering van het beginsel van de marginale toetsing. Hoewel enkele rechtsgeleerden kritiek op dit leerstuk hebben uitgeoefend vanuit een theoretisch perspectief, was het leerstuk reeds decennialang algemeen aanvaard in de praktijk. In werkelijkheid wijkt dit beginsel geenszins af van het gemeen recht. Er wordt rekening gehouden met het feit dat twee normaliter voorzichtige en toegewijde personen redelijkerwijs een andere houding kunnen aannemen. Dat is in het bijzonder het geval bij het bestuur van een rechtspersoon, dat onder meer inhoudt dat men risicovolle beslissingen neemt. Bovendien moeten de bestuursorganen vaak beslissingen nemen in grote onzekerheid, in omstandigheden waarin niemand op het moment van de beslissing kan bepalen welke beslissing een voorzichtig en zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben genomen. Veel van de belangrijkste bestuursbeslissingen, bijvoorbeeld over strategische investeringen of desinvesteringen, behoren tot deze categorie, waarbij het bestuursorgaan over een ruime beleidsmarge beschikt. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop het toezichtsorgaan toezicht houdt op de directieraad, of de wijze waarop beide organen toezicht houden op en waken over de uitbouw van een behoorlijk systeem van interne controle en risicomanagement en dienovereenkomstig hun controle uitoefenen. Men moet vermijden dat rechters aan wie wordt gevraagd te oordelen over bestuurdersaansprakelijkheid, op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten door opportuniteitsoordelen te vellen over de genomen beslissing. Minstens even belangrijk is hindsight bias te vermijden, dat wil zeggen wijsheid na de feiten waarbij uit de negatieve gevolgen van een bestuursbeslissing wordt afgeleid dat de beslissing als dusdanig onzorgvuldig was. Een wettelijke formulering van het beginsel van marginale toetsing kan tot de correcte beoordeling van bestuursbeslissingen bijdragen.

Vanzelfsprekend kan het beginsel van marginale toetsing enkel worden toegepast in die gevallen wanneer het bestuursorgaan over beleidsvrijheid beschikt. Dit zal niet het geval zijn als de wet, de statuten of een andere norm een specifiek gedrag voorschrijven.

De aansprakelijkheid voor alle bestuurs- en toezichtsfouten is hoofdelijk wanneer het bestuur of het toezicht collegiaal is georganiseerd. Onder het huidige recht is dit niet in de wet bepaald, zodat men op basis van het gemeen recht aanneemt dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor hun gemeenschappelijke fouten of in solidum aansprakelijk zijn voor hun samenlopende fouten die oorzaak zijn van dezelfde schade. Het onderscheid tussen gemeenschappelijke en samenlopende fouten is in de praktijk evenwel niet steeds duidelijk. Bovendien zal de aansprakelijkheid van de leden van het bestuursorgaan meestal een aansprakelijkheid in solidum zijn. De aansprakelijkheid in solidum heeft echter grotendeels dezelfde gevolgen als de hoofdelijke aansprakelijkheid behalve wat de secundaire gevolgen van de solidariteit en met name de regresmogelijkheden betreft. Het komt daarom opportuun voor deze visie te vervangen door de hoofdelijke aansprakelijkheid op te leggen voor alle bestuursfouten.

De hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld geldt steeds slechts binnen éénzelfde bestuursniveau. Zo is de raad van toezicht niet hoofdelijk aansprakelijk voor beslissingen van de directieraad, noch de raad van bestuur voor beslissingen van het dagelijks bestuur.

De aansprakelijkheid voor overtredingen van dit wetboek of van de statuten is steeds hoofdelijk, zelfs wanneer er geen collegiaal bestuursorgaan is (bijvoorbeeld in een BV met meerdere individueel bevoegde bestuurders). Deze aansprakelijkheid geldt, in tegenstelling tot de aansprakelijkheid voor gewone bestuursfouten, niet enkel ten aanzien van de rechtspersoon, maar ook ten aanzien van derden.

De leden van de bestuursorganen hebben de mogelijkheid om aan de voormelde hoofdelijke aansprakelijkheid te ontsnappen voor fouten waaraan zij geen deel hebben gehad.

Het lid van een bestuurs- of toezichtsorgaan dat niet persoonlijk aan de fout heeft meegewerkt – bijvoorbeeld omdat hij tegen de foute beslissing heeft geprotesteerd en dit aan de hand van de notulen kan bewijzen, of omdat hij gerechtvaardigd afwezig was op de vergadering waarop de beslissing is genomen, kan aan aansprakelijkheid ontsnappen door de (beweerde) fout te melden aan het relevante bestuursniveau, dat wil zeggen aan zijn collega-bestuurders. Is er een raad van toezicht dan moet deze melding bovendien steeds aan die raad gebeuren. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lid van een collegiale raad van bestuur de handelingen of beslissingen die volgens hem een fout vormen met de nodige toelichting over zijn visie zal moeten melden aan de andere leden van die raad. De meldingsplicht bestaat in zulk geval niet alleen voor beslissingen van de raad van bestuur, maar ook voor handelingen die buiten de raadsvergadering zijn begaan, bijvoorbeeld door een bestuurder aan wie overeenkomstig artikel 7:93, § 2, vertegenwoordigingsbevoegdheid werd verleend. In een BV met meerdere bestuurders die geen college vormen, rust op een bestuurder de plicht zijn collega-bestuurders in te lichten. Indien een lid van de directieraad vaststelt dat er een fout is begaan op het niveau van de directieraad, dan moet er een melding gebeuren aan de andere leden van de directieraad, en aan de raad van toezicht. De melding kan ook de vorm aannemen van een gemotiveerd protest op de bestuursvergadering waarop de beslissing die de beweerde fout uitmaakt wordt genomen. Indien de melding gebeurt aan een collegiaal bestuursof toezichtsorgaan, wordt de melding, evenals de bespreking waartoe zij aanleiding geeft, opgenomen in de notulen. Het lid van een bestuursorgaan dat een melding doet buiten een vergadering (bijvoorbeeld een bestuurder meldt aan een collega-bestuurder of aan de raad van bestuur dat een andere bestuurder of de gedelegeerd bestuurder een fout heeft gemaakt), heeft er om bewijsredenen belang bij die melding schriftelijk te doen.

Deze mogelijkheid om zich van aansprakelijkheid te bevrijden geldt ook voor het geval van schending van het wetboek of de statuten. Wat deze hypothese betreft, is de nieuwe wettekst een verlichting van de disculpatiemogelijkheid waarin onder het huidige recht in artikel 528 W.Venn. is voorzien. Onder het huidige recht moet een bestuurder die aan hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontsnappen niet alleen aantonen dat hij geen deel heeft genomen aan de fout en dat hem daarbij geen fout treft, maar moet hij de fout ook aanklagen op de eerstvolgende algemene vergadering van aandeelhouders. Dit laatste element was een onredelijk strenge vereiste, omdat het bestuurders die lid zijn van een collegiaal orgaan, doorgaans in een onmogelijke positie bracht. Men kan immers niet meer behoorlijk functioneren als lid van een collegiaal orgaan nadat men zijn collega’s of een aantal onder hen tegenover de aandeelhouders ervan heeft beticht een fout te hebben begaan. Het ontwerp schaft deze verplichting daarom af en vervangt deze door de hierboven toegelichte meldingsplicht.

Het wetsontwerp bevat een belangrijke vernieuwing tegenover het huidige recht, en is onlosmakelijk verbonden met het eveneens vernieuwende artikel 2:57. Artikel 2:56 voert een beperking in van het bedrag waarvoor een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld. Daaraan gekoppeld sluit artikel 2:57 de mogelijkheid uit van contractuele of statutaire aansprakelijkheidsbeperkingen die verder gaan dan artikel 2:56. Daarnaast worden ook exoneratieen vrijwaringsbedingen aangegaan door de vennootschap ten voordele van haar bestuurders verboden.

De aansprakelijkheidsbeperking die artikel 2:56 invoert is ingegeven door verschillende vaststellingen.

Eerste vaststelling: naar huidig recht bestaat er een ongerechtvaardigd verschil tussen de onbeperkte aansprakelijkheid van leden van een bestuursorgaan en de beperkte aansprakelijkheid van (top)managers die geen lid zijn van dat bestuursorgaan. Deze laatsten zijn immers meestal ofwel werknemers die van de bescherming van artikel 18 van de wet op de arbeidsovereenkomsten genieten, ofwel zelfstandigen die hun activiteit via een professionele vennootschap met beperkte aansprakelijkheid verrichten, en die dus van een feitelijke aansprakelijkheidsbeperking genieten (wat niet het geval is voor de bestuurders of de vaste vertegenwoordigers van bestuurders-rechtspersonen).

Tweede vaststelling: bij grote vennootschappen is het aansprakelijkheidsrisico toegenomen, onder meer door de sterk toegenomen nadruk op de complianceen risk management verantwoordelijkheid van het bestuur, waardoor het moeilijk verzekerbaar is. Als men een gepaste dekking van het aansprakelijkheidsrisico beoogt tegen aanvaardbare voorwaarden, dan is het absoluut nodig om het maximale bedrag vast te leggen waarvoor een bestuurder aansprakelijkheid kan oplopen.

Dergelijke verzekering is overigens niet alleen in het belang van de bestuurder zelf maar evenzeer van de vennootschap, en niet in het minst van derden die beweerdelijk slachtoffers zijn van fouten van bestuurders en vennootschappen. Bij omvangrijke schadeclaims riskeert een bestuurder immers niet over voldoende vermogen te beschikken om de door de rechter opgelegde vergoeding (helemaal) uit te betalen.

Bovenop deze twee basisvaststellingen komt nog het feit dat de aansprakelijkheid van bestuurders tegenover derden in België strenger is geregeld dan in onze buurlanden. In een internationaliserende “markt voor bestuurders” kunnen de strengere Belgische regels ertoe leiden dat Belgische vennootschappen en grote verenigingen talentvolle (vooral buitenlandse) bestuurders mislopen.

De voorgestelde hervorming beoogt dus een einde te stellen aan een ongelijke behandeling van bestuurders tegenover anderen en bij te dragen tot betere kansen voor Belgische vennootschappen in de internationale “war for talent”.

Wij lichten dit alles nu nader toe.

Andere interessante artikels: 

Minstens in grotere vennootschappen heeft het bestuursorgaan veelal voornamelijk een toezichtsfunctie, terwijl het management de vennootschap feitelijk gezien leidt. Ook wanneer het bestuur belangrijke beslissingen neemt, gebeurt dit bijna altijd op voorstel van het management, dat die beslissingen gedetailleerd heeft voorbereid en ze vervolgens ook implementeert.

Wanneer de vennootschap of derden schade lijden ten gevolge van een beslissing van de vennootschapsleiding, is dit dus doorgaans het gevolg van een beslissing van managers, eerder dan van het bestuur.

Naar huidig recht bestaat de paradoxale toestand dat die managers beter tegen aansprakelijkheid zijn beschermd dan bestuurders, ook al is de invloed van een topmanager op de belangrijke beslissingen van de vennootschap veel groter dan die van een niet-uitvoerende bestuurder (en a fortiori van die van een onafhankelijke bestuurder). Immers, de topmanager vervult zijn activiteiten ofwel als werknemer van de vennootschap, ofwel als zelfstandige maar dan doorgaans via een managementvennootschap. Is de manager werknemer, is hij overeenkomstig artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet verregaand tegen aansprakelijkheid beschermd: een werknemer kan alleen voor grove fouten die aan opzet grenzen of voor herhaaldelijk lichte fouten aansprakelijk worden gesteld, zowel tegenover de vennootschap als tegenover derden. Oefent de manager zijn functie uit als zelfstandige, dan gebeurt dat meestal via een managementvennootschap. In dat geval is de managementvennootschap weliswaar onbeperkt aansprakelijk, maar vaak zelf een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (doorgaans een BVBA of een NV). Derhalve is de manager, als (enige) vennoot of als aandeelhouder de facto, economisch gezien, beperkt aansprakelijk. Opmerkelijk daarbij is dat wanneer een bestuurder zijn bestuurdersmandaat uitoefent via een rechtspersoon (managementvennootschap), hij verplicht is een natuurlijke persoon als vaste vertegenwoordiger aan te duiden, die onbeperkt aansprakelijk is en met name alsof hij zelf in eigen naam bestuurder was (zie artikel 61 W.Venn. en artikel 2:54 van het ontwerp). Die verplichting geldt evenwel niet voor een managementvennootschap die geen bestuursfunctie waarneemt, maar wel een top executive is, die de cruciale beslissingen in de vennootschap neemt. Even opmerkelijk is dat ook een revisor die de functie van commissaris via een rechtspersoon uitoefent, weliswaar net als een bestuurder-rechtspersoon een natuurlijke persoon als vaste vertegenwoordiger moet aanduiden, maar dat die vaste vertegenwoordiger van een aansprakelijkheidsbeperking geniet.

Het is in de eerste plaats om een einde te maken aan dergelijke ongelijkheden, die bedenkelijk zijn in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat het wetsontwerp een aansprakelijkheidsbeperking voor bestuurders doorvoert. Het wetsontwerp zou dus, in tegenstelling tot wat de Raad van State schijnt aan te geven, de gelijke behandeling van ondernemingsactoren verhogen.

Het tegenargument dat werknemers en zelfstandigen die geen bestuurder zijn niet de leiding hebben over ondernemingen, en dat hun situatie dus niet vergelijkbaar is met die van bestuurders, gaat niet op, precies omdat zij in de feiten vaak topmanagers zijn die gemiddeld veel meer invloed hebben op de belangrijke ondernemingsbeslissingen.

Alleen voor bestuurders worden de routes naar gelijkaardige aansprakelijkheidsbeperkingen in het huidig recht afgesloten, door het verbod om het bestuursmandaat als werknemer uit te oefenen en door de verplichting een onbeperkt aansprakelijke persoon te benoemen voor hun managementvennootschap.

Een tweede belangrijke vaststelling is dat naar huidig én toekomstig recht niet alleen de rechtspersoon maar ook derden bestuurders van Belgische rechtspersonen voor om het even welke fout (culpa levissima) aansprakelijk kunnen stellen. In onze buurlanden daarentegen wordt de aansprakelijkheid van bestuurders beperkt door de vorderingsmogelijkheden voor derden te beperken en door het gebruik van een enger foutbegrip.

In common law landen (zoals het Verenigd Koninkrijk) en landen uit de Germaanse aansprakelijkheidstraditie (zoals Duitsland en Nederland) geldt een relativiteitsleer in het recht van de buitencontractuele aansprakelijkheid, met als gevolg dat de meeste derden niet de mogelijkheid hebben om vorderingen tegen bestuurders in te stellen. Daarvoor is immers een bijzondere band tussen de bestuurder en de derde vereist, die bijzondere verplichtingen met zich meebrengt, terwijl die band doorgaans alleen wordt geacht te bestaan tussen de bestuurder en zijn vennootschap en niet tussen de bestuurder en derden. In Frankrijk kent men net zomin als in België dergelijke relativiteitsidee (“Schutznormtheorie”, of vereiste van fiduciary relationship), maar heeft het Franse Hof van Cassatie specifiek met het oog op de bescherming van vennootschapsbestuurders tegen vorderingen door derden, de theorie van de “faute détachable (des fonctions)” ontwikkeld. Volgens deze Franse cassatierechtspraak kunnen derden, in essentie, een vennootschapsbestuurder slechts aansprakelijk stellen wegens fouten die vreemd zijn aan de uitoefening van de taak van de bestuurder (voor fouten begaan bij de uitoefening van de taak wordt de aansprakelijkheid van de bestuurder nl. “geabsorbeerd” door de aansprakelijkheid van de vennootschap).

Ook het foutbegrip zelf wordt in buitenlandse rechtsordes voor vennootschapsbestuurders enger en dus minder streng ingevuld dan voor andere personen, en met name enger dan in België het geval is en zal blijven. Zo heeft de Duitse wetgever, in navolging van rechtspraak van het Duitse Bundesgerichtshof, de Amerikaanse “business judgement rule” overgenomen (§ 93 AktG). Deze regel komt er op neer dat de algemene zorgvuldigheidsnorm niet kan worden toegepast om te beoordelen of een bestuurder een fout heeft gemaakt: de bestuurder wordt onweerlegbaar vermoed zorgvuldig te hebben gehandeld, en een rechtbank mag dit vermoeden niet in twijfel trekken en mag met name de bestuursbeslissing zelfs niet marginaal toetsen, tenzij de eiser aantoont dat de bestuurder door een persoonlijk belangenconflict werd geplaagd, of zich kennelijk onvoldoende heeft geïnformeerd alvorens een beslissing te nemen, dan wel met bedrieglijk opzet schade aan de vennootschap heeft berokkend. In Nederland geldt uitdrukkelijk de regel dat “gewone onzorgvuldigheid” geen aanleiding kan geven tot bestuurdersaansprakelijkheid: er moet “ernstige verwijtbaarheid” in het spel zijn (artikel 2:9 BW). Verder is opvallend dat in Nederland bijna elke uitvoerende bestuurder zijn functie in het kader van een arbeidsovereenkomst vervult; ook in Duitsland is dit een frequent fenomeen. In België heeft het Hof van Cassatie daarentegen steeds geoordeeld dat bestuurders hun bestuursfunctie niet in het kader van een arbeidsovereenkomst kunnen uitoefenen, en dus niet de bescherming van werknemers tegen aansprakelijkheidsvorderingen genieten. Deze regel wordt nu ook wettelijk verankerd in de BV, de CV en de NV, precies omwille van de aard van de aansprakelijkheid.

Al deze buitenlandse rechtssystemen beperken dus de bestuurdersaansprakelijkheid door het foutbegrip voor bestuurders in te perken, door de kring van vorderingsrechtigden te beperken, of door een combinatie van deze technieken. Deze vaak initieel door de rechtspraak ontwikkelde regels zijn ingegeven door het inzicht dat bestuurders (voor zover ze niet door een belangenconflict worden geplaagd) doorgaans handelen in het belang van de vennootschap, dat hun beslissingsruimte is beperkt door het beleid dat het management voert en dat bij de evaluatie van bestuurdersbeslissingen vaak niet kan worden vastgesteld hoe een zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Onderhavig wetsontwerp gaat er van uit dat het een stuk logischer en minder discriminerend is om de aansprakelijkheid qua bedrag te beperken, dan specifiek voor bestuurders af te wijken van het gemeenrechtelijk foutbegrip en de vorderingsmogelijkheden van derden te beperken (zoals Duitsland, Nederland, Frankrijk en de VSA doen).

Hier bovenop komt de beleidsmatige overweging dat in een globaliserend tijdsbestel waarin Belgische vennootschappen meedingen naar het beste internationaal beschikbare bestuurstalent, het niet is aangewezen dat het gevaar op bestuurdersaansprakelijkheid met name tegenover derden in België groter is dan in onze buurlanden.

Door een cijfermatige aansprakelijkheidsbeperking in te voeren, zal de wetswijziging bovendien bijdragen aan een betere verzekerbaarheid van het bestuurdersaansprakelijkheidsrisico. Het financiële risico waaraan de bestuurder blootstaat zal beter kunnen worden ingeschat en dus verzekerbaar blijven. Er zijn de voorbije jaren enkele gevallen geweest waarin verzekeraars aangaven de dekking te willen beperken, of bepaalde risico’s niet te willen afdekken. Men mag niet uit het oog verliezen dat de aandeelhouders of derden die bestuurders aansprakelijk willen stellen, heel vaak voor bedragen die zelfs gefortuneerde bestuurders niet met hun privévermogen kunnen dragen, alle belang hebben bij het bestaan van een aansprakelijkheidsverzekering. Bestuurders zelf hebben er evident alle belang bij dergelijke verzekering aan te gaan.

Het ontwerp is evenwel niet zo ver willen gaan om een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering verplicht te maken. In vele kleine verenigingen en vennootschappen is het bestuurdersaansprakelijkheidsrisico immers relatief beperkt en zou het een disproportionele financiële en administratieve last zijn om de verzekering steeds te verplichten.

In vele gevallen brengt de aansprakelijkheid van (het lid van een) bestuursorgaan aansprakelijkheid van de rechtspersoon met zich mee (toerekening op basis van de orgaantheorie). Men moet er zich rekenschap van geven dat de aansprakelijkheidsbeperking van de bestuurder geen impact heeft op de volledige, qua bedrag onbeperkte aansprakelijkheid van de rechtspersoon. In dat opzicht wordt de regeling die op grond van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet voor werknemers geldt, doorgetrokken naar bestuurders.

In die talrijke gevallen waarin de fout van de bestuurder de aansprakelijkheid tegenover derden van de rechtspersoon met zich meebrengt, behoudt de benadeelde dus een volledig verhaalsrecht op de rechtspersoon en ondervindt hij dan ook geen hinder van de aansprakelijkheidsbeperking.

Uiteraard kan, zoals de Raad van State opmerkt, de rechtspersoon failliet zijn, zodat de slachtoffers zich precies daarom tot de bestuurders willen wenden. Hebben de bestuurders een fout gemaakt die heeft bijgedragen tot dat faillissement, gaat het heel vaak om een fout met bedrieglijk opzet (zoals de versluizing van activa of omzet naar het privévermogen van de bestuurder, misbruik van vennootschapsgoederen, …). In dat geval geldt de aansprakelijkheidsbeperking niet. Zo dat niet het geval is, dan gaat het meestal om het soort beleidsbeslissing waarvoor bestuurders terecht tegen een al te groot aansprakelijkheidsrisico worden beschermd.

De aansprakelijkheidsbeperking wordt uitgedrukt in een absoluut bedrag. Dit plafond is proportioneel aan de omvang van de rechtspersoon, gemeten aan de hand van zijn balanstotaal en omzet. Grotere ondernemingen brengen een grotere maatschappelijke verantwoordelijkheid met zich mee, zodat hogere aansprakelijkheidsbedragen zijn verantwoord. Het is juist, zoals de Raad van State suggereert, dat de omvang van een onderneming geen perfecte indicator is van de risico’s die die onderneming creëert. Maar omvang is in dat opzicht wel een volstrekt relevant gegeven, en het is onbegonnen werk om een subtieler systeem uit te werken. Zo zou het bv. onverantwoord en onwerkbaar zijn om de aansprakelijkheidsbedragen te laten schommelen naargelang de soort activiteit van de vennootschap.

De criteria om de hoogte van de maximale aansprakelijkheid te bepalen, zijn geïnspireerd op de criteria die het Wetboek van vennootschappen gebruikt om microentiteiten (artikel 15/1, zie ook nieuw artikel 1:25), kleine en grote vennootschappen (artikel 15, zie ook nieuw artikel 1:24) van elkaar te onderscheiden. Er wordt alleen met balanstotaal en omzet exclusief BTW rekening gehouden; het aantal werknemers speelt geen rol. Gelet op hun maatschappelijk belang vallen organisaties van openbaar belang steeds onder de regeling met de hoogste aansprakelijkheidsbedragen, ongeacht hun omvang.

Indien een rechter vaststelt dat de boekhoudkundige cijfers die de vennootschap bekend heeft gemaakt, niet correct zijn, zal hij uiteraard met de correcte cijfers rekening houden bij de bepaling van de aansprakelijkheidsgrenzen. De Raad van State vreest dat omzet en balanstotaal zouden kunnen dalen precies ten gevolge van een fout van de bestuurders.

Als reactie op deze opmerking wordt de regel ingevoerd dat de gemiddelde omzetcijfers en balanstotalen gemeten over drie boekjaren als uitgangspunt moeten worden genomen. Verder mag hierbij worden opgemerkt dat in gevallen waarin balanstotaal of omzet zijn gedaald het heel vaak (net zoals bij het boven besproken geval van faillissement) zal gaan om gevallen waarbij een bestuurder met bedrieglijk opzet activa naar zichzelf heeft versluisd of de passiva heeft laten toenemen. Los daarvan is de rechter bevoegd om, indien hij vaststelt dat de fout van de bestuurder een significante negatieve impact heeft gehad op balanstotaal of omzet, hiertegenover corrigerend op te treden door voor de bepaling van de aansprakelijkheidsgrens uit te gaan van de cijfers zoals zij zouden geweest zijn zonder de impact van de fout.

Het maximale aansprakelijkheidsbedrag is gekopieerd uit de regeling voor revisoren (met name artikel 24 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren). Deze regeling heeft zoals reeds aangegeven inderdaad inspirerend gewerkt, zij naast vele andere en mogelijks zelfs belangrijkere elementen, bij de ontwikkeling van voorliggend voorstel. Het is evenwel vanzelfsprekend nooit de bedoeling geweest om de aansprakelijkheidsbeperking voor revisoren zonder meer en in alle details te kopiëren voor bestuurders. Zoals de Raad van State, die op een aantal verschillen wijst, zelf aangeeft, zou dat onverantwoord zijn geweest gezien de verschillende functies van revisoren en bestuurders.

De bedragen betreffende balanstotaal en omzet vermeld in het artikel worden automatisch geïndexeerd.

De aansprakelijkheidsbedragen zijn zo gekozen dat de aansprakelijkheidsregels hun vergoedende en afschrikwekkende functie kunnen waarmaken, zonder er op gericht te zijn bestuurders persoonlijk te ruïneren. De Raad van State merkt op dat de bestuurder ook een rechtspersoon kan zijn (en stelt impliciet dat het wenselijk is voor rechtspersonen hogere aansprakelijkheidsbedragen te hanteren). Maar in dat geval moet een natuurlijke persoon als vaste vertegenwoordiger worden aangeduid, die dezelfde aansprakelijkheid heeft. Bovendien is het niet aangewezen om de ganse regeling te laten bepalen door het door de Raad van State aangehaalde maar steeds minder voorkomende geval waarbij een moedervennootschap als dusdanig bestuurder bij haar dochters wordt. De Raad van State suggereert tevens dat de hervormingsvoorstellen inconsistent zijn omdat enerzijds een aantal regels (zoals de voorschriften over financiële bijstand in de zin van artikel 629 W.Venn.) worden gedepenaliseerd met de motivering dat aansprakelijkheidsregels hier kunnen volstaan om gedrag te sturen, terwijl de aansprakelijkheid anderzijds qua bedrag wordt beperkt. Dit standpunt van de Raad van State miskent het inzicht dat heel hoge of volledige schadevergoedingsbedragen niet nodig zijn om van aansprakelijkheidsrecht een afschrikwekkende werking te laten uitgaan: het risico op een ernstige financiële impact voor de bestuurder is voldoende, nog afgezien van het feit dat de reputationele schade die bestuurders oplopen wanneer zij aansprakelijk worden gesteld, een wellicht minstens even groot afschrikwekkend effect heeft. Er zijn bovendien vaak ook ander sanctiemechanismen, zoals nietigheidsvorderingen.

De Raad van State bekritiseert (zonder evenwel alternatieven voor te stellen) dat de aansprakelijkheidsbedragen niet zijn gekoppeld aan de concrete omvang van de schade, maar verliest daarbij uit het oog dat een regeling waarbij er wel dergelijke correlatie zou bestaan, geen aansprakelijkheidsbeperking zou zijn. Een aansprakelijkheidsbeperking uitgedrukt als een percentage van de daadwerkelijk veroorzaakte schade zou bijvoorbeeld geen absolute aansprakelijkheidsbeperking zijn en zou ertoe kunnen leiden dat het geclaimde schadebedrag en het aantal eisers stevig worden opgeblazen om het percentage kunstmatig de hoogte in te jagen. Bovendien zou dergelijke aanpak er niet toe bijdragen het te verzekeren bedrag voorspelbaar te houden, wat een essentiële doelstelling van de hervorming is. Dat is, zoals aangegeven, in het belang niet alleen van bestuurders, maar ook van de vennootschap, haar aandeelhouders en haar stakeholders zoals schuldeisers, die bij verzekering immers kunnen rekenen op “deeper pockets” dan de bestuurders persoonlijk of dan de (insolvente) vennootschap.

Er wordt ook geen verband gelegd tussen het bedrag van de schadevergoedingsbeperking en het aantal slachtoffers. Buiten gevallen van lichamelijke schade aan natuurlijke personen, bestaat dergelijk verband tussen de omvang van de schade en het aantal slachtoffers immers niet: wanneer bijvoorbeeld een genoteerde vennootschap misleidende informatie over haar financiële toestand verspreidt, bij monde van een aantal bestuurders, en beleggers schade leiden ten gevolge van een sterke waardedaling van de aandelen eens de waarheid aan het licht komt, en, meer algemeen, telkens een fout van bestuurders een negatieve impact op de waarde van de vennootschap heeft, verschillen de waardedaling van de vennootschap en de omvang van de schade niet naargelang er 100 dan wel 100 000 aandeelhouders zijn. Wanneer de schade niet varieert naargelang het aantal slachtoffers, zou het onlogisch zijn het aansprakelijkheidsbedrag wel te laten variëren in functie van dat aantal slachtoffers.

Het is mogelijk, zoals de Raad van State opmerkt, dat opeenvolgende eisers zich bij de aansprakelijke bestuurder(s) aanbieden, en dat latere eisers moeten vaststellen dat ten gevolge van de eerdere succesvolle vorderingen, de aansprakelijkheidsdrempel reeds is bereikt.

Het moet worden benadrukt dat deze situatie zich niet vaak zal voordoen, omdat de grote meerderheid van bestuurdersaansprakelijkheidsgevallen zich voordoet in geval van faillissement of andere situaties van georganiseerde samenloop (zoals bijvoorbeeld vereffening). De curator (of vereffenaar) zorgt dan voor de gelijke en gelijktijdige behandeling van de schadegevallen. Indien de schade van alle vorderingen samen de aansprakelijkheidsdrempel overschrijdt, wordt de vergoeding ponds-pondsgewijze verdeeld, onverminderd wettige redenen van voorrang.

Buiten gevallen van samenloop is de situatie niet anders dan in andere aansprakelijkheidssituaties, en zelfs meer in het algemeen in talloze situaties waarin een schuldeiser verhaal probeert te nemen op het vermogen van zijn schuldenaar: wie eerst vordert heeft meer kans om te worden betaald dan wie later komt en moet vaststellen dat de activa van de debiteur zijn gebruikt om de eerdere eisers te voldoen.

Het nieuwe artikel verduidelijkt dat de cijfermatige aansprakelijkheidsbeperkingen uit het artikel gelden per feit of geheel van feiten dat tot aansprakelijkheid aanleiding geeft. Indien er meerdere eisers zijn die eenzelfde vordering samen of afzonderlijk instellen op basis van eenzelfde feit of geheel van feiten, wordt de maximale schadevergoeding die aan hen samen kan worden toegekend bepaald door het in § 1 vermelde bedrag. Dit bedrag wordt dus niet vermenigvuldigd met het aantal (succesvolle) eisers. Hetzelfde geldt indien éénzelfde geheel van feiten juridisch tot meer dan één vorm van bestuurdersaansprakelijkheid aanleiding kan geven, bijvoorbeeld als schending van een norm uit het (nieuwe) Wetboek en als onrechtmatige daad: er vindt geen vermenigvuldiging plaats naargelang meerdere kwalificaties van eenzelfde feit of feitengeheel mogelijk zijn. Wanneer bijvoorbeeld onregelmatigheden in de boekhouding van de vennootschap kunnen worden gekwalificeerd als een inbreuk op het Wetboek, een inbreuk op het Wetboek van economisch recht, dan worden al deze kwalificaties, wanneer zij op eenzelfde geheel van feiten berusten, als één geheel gezien voor de beperking van de aansprakelijkheid.

De aansprakelijkheidsbeperking geldt ongeacht de aard van de aansprakelijkheid (contractuele of buitencontractuele fout) of de aard van de fout (gewone of (kennelijk) grove fout). De aansprakelijkheidsbeperking geldt tenslotte ook voor burgerlijke vorderingen wegen strafbare feiten, voor zover deze geen bedrieglijk opzet veronderstellen.

De aansprakelijkheidsbeperking geldt dus zowel wanneer een bestuurder wegens gewone bestuursfouten aansprakelijk is, als wanneer de aansprakelijkheid voortvloeit uit een schending van het Wetboek of de statuten, maar ook wanneer de aansprakelijkheid voortvloeit uit andere bijzondere wetten, waaronder de artikelen XX.225 en XX.227 van het Wetboek van economisch recht (“wrongful trading”; huidig artikel 530 W.Venn. kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot faillissement). De Raad van State werpt in dat verband op dat het toepassingsgebied van artikel XX.225, § 2, van het Wetboek van economisch recht niet goed is afgestemd op dat van het nieuwe artikel 2:54 (aansprakelijkheidsbeperking). Deze kritiek overtuigt niet. Artikel XX.225, § 2, van het Wetboek van economisch recht bevat een uitzondering op de aansprakelijkheid voor kennelijk grove fout voor kleine vennootschappen. In de gevallen omschreven in de bewuste § 2 geldt er in het geheel geen aansprakelijkheid voor kennelijk grove fout. Artikel XX.225, § 2, van het Wetboek van economisch recht regelt dus een geheel andere materie dan het onderhavige artikel, dat de aansprakelijkheid qua bedrag beperkt in gevallen waarin een bestuurder wél aansprakelijk is. De veelheid aan verschillende behandelingen die de Raad van State ten gevolge van de libellering van artikel XX.225, § 2, van het Wetboek van economisch recht vaststelt, volgen inderdaad uit de aanpak die dat wetsartikel hanteert, en worden niet veroorzaakt door het hier nieuw voorgestelde artikel.

Evenwel mag er aan worden herinnerd dat de criteria uit het Wetboek van economisch recht zonder meer werden overgenomen uit het voormalige artikel 530 W.Venn.

Met uitzondering van het in de wettekst uitdrukkelijk vermelde artikelen XX.225 van het Wetboek van economisch recht (huidig artikel 530 W.Venn.), en XX.227 (“wrongful trading”) geldt de aansprakelijkheidsbeperking wel alleen voor gevallen waarin bestuurders gehouden zijn tot betaling van schadevergoeding (“schadeaansprakelijkheid”). Zij is niet van toepassing op gevallen waarin de bestuurder aan garantieverplichtingen is onderworpen, krachtens de artikelen 5:15 en 7:17. Met “garantieverplichtingen” wordt verwezen naar de situaties waarin de bestuurder blijkens de wet moet instaan voor een verbintenis van iemand anders, zoals bijvoorbeeld wanneer een inschrijving bij een kapitaalverhoging nietig is of de minimale volstortingsplichten bij een kapitaalverhoging niet zijn voldaan. A fortiori geldt de bestuurdersaansprakelijkheidsbeperking niet wanneer iemand die bestuurder is, niet in zijn hoedanigheid van bestuurder, maar van aandeelhouder of oprichter wordt aangesproken (bv. oprichtersaansprakelijkheid).

Irrelevant is of de vennootschap of een derde de vordering instelt. Precies omdat het Belgische recht voor de aanspraken van derden tot nog toe een stuk strenger is dan dat van onze buurlanden of dat van de VS, moet de regel ook tegenover hen gelden.

De bedragen gelden voor alle aansprakelijk gestelde leden van bestuurs- of toezichtsorganen samen voor de ganse vordering, die immers op éénzelfde feit is gebaseerd. Heeft de rechtspersoon een collegiaal bestuursorgaan, dan is de aansprakelijkheid doorgaans hoofdelijk. Het kan niet de bedoeling zijn dat het bedrag van de aansprakelijkheid van een individuele bestuurder zou worden bepaald door de aansprakelijkheidsbeperking maal het aantal bestuurders.

Vanzelfsprekend geldt de aansprakelijkheidsbeperking niet voor gevallen waarin de fout opzettelijk werd begaan of met het oogmerk om te schaden. Het begrip “bedrieglijk opzet” verwijst naar het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”. Niet alle strafbare feiten veronderstellen dergelijk burgerrechtelijk bedrieglijk opzet: er bestaan heel wat misdrijven waarbij onachtzaamheid of de overtreding van een specifieke wettelijke norm strafbaar zijn, zonder dat bedrieglijk opzet in de zonet beschreven zin is vereist.

De vaststelling dat de beweerde fout ook een strafbaar feit is, is dus als dusdanig niet voldoende om de aansprakelijkheidsbeperking buiten werking te stellen.

Het wetsontwerp voorziet in een aantal uitzonderingen op de aansprakelijkheidsbeperking in gevallen waarin de vordering is gestoeld op een wettelijke bepaling die fiscale overheden of, in het geval van artikel XX.226 WER, sociale zekerheidsinstanties, specifiek heeft willen beschermen. Deze uitzonderingen zijn verantwoord precies omwille van de wens van de wetgever om in deze situaties de fiscus en de RSZ, als schuldeisers van openbaar belang, een versterkte, specifiek wettelijk geregelde vorderings-en verhaalsmogelijkheid te geven.

Het ontwerp wil een evenwicht realiseren tussen effectieve aansprakelijkheidsregels en een redelijke voorspelbaarheid van de financiële omvang van de aansprakelijkheid. Terwijl artikel 2:56 om die laatste reden de hoogte van de aansprakelijkheid beperkt, wil artikel 2:57 vermijden dat de bestuurder het aansprakelijkheidsrisico via contractuele mechanismen uitschakelt of op de vennootschap afwentelt. Vooral bij grote vennootschappen is een stijgende tendens waar te nemen om bestuurders via exoneratieen vrijwaringsbedingen tegen aansprakelijkheid te beschermen (bijvoorbeeld het stijgend aantal “hold harmless”-regelingen bij genoteerde vennootschappen).

Het uitgangspunt van de nieuwe regels is dubbel. Bestuurders moeten zoals ook onder het bestaande recht kwijting kunnen krijgen van de rechtspersoon, via een beslissing van de algemene vergadering op basis van voldoende informatie, nadat de fout is begaan. Verder blijft het toegelaten dat de rechtspersoon zijn bestuurders op zijn kosten verzekert bij een verzekeringsonderneming. Alle mechanismen waarbij de bestuurder op voorhand wordt vrijgesteld van aansprakelijkheid (exoneratie) of waarbij de rechtspersoon of zijn dochterentiteiten hem vrijwaart tegen aansprakelijkheid, worden verboden. Al deze technieken doen immers afbreuk aan de preventieve functie van het aansprakelijkheidsrecht. Exoneratiebedingen kunnen tot gevolg hebben dat de rechtspersoon en daardoor zijn vennoten, aandeelhouders of leden en zijn schuldeisers die door die regels indirect worden beschermd, van een vordering worden beroofd zonder daarvoor individueel en met kennis van zaken toestemming te hebben gegeven. Vrijwaringsbedingen wentelen de kosten van aansprakelijkheid van een bestuurder af op de rechtspersoon en daarmee op zijn stakeholders. Het ontwerp verbiedt daarom vooreerst exoneratiebedingen, ongeacht welke vorm zij aannemen: statutaire bepalingen, contractuele clausules in een overeenkomst tussen rechtspersoon en bestuurder of bestuurder en een derde.

Bedingen waarbij de rechtspersoon een bestuurder vrijwaart tegen aansprakelijkheid, dat wil zeggen de financiële gevolgen van de aansprakelijkheid tegenover de bestuurder geheel of gedeeltelijk op zich neemt, zijn eveneens verboden. Om een al te gemakkelijke omzeiling van het verbod tegen te gaan bepaalt de wettekst dat ook vrijwaringsbedingen door dochtervennootschappen of gecontroleerde entiteiten zijn verboden. Derden zoals de moedervennootschappen/controlerende entiteiten of aandeelhouders mogen bestuurders wel vrijwaren. Zo bijvoorbeeld kan een moedervennootschap een aangestelde aan wie zij de opdracht geeft om bestuurder te worden bij een dochter, die aangestelde indekken tegen de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid.

Bedingen of clausules strijdig met de verbodsbepalingen van het nieuwe artikel worden voor niet geschreven gehouden.

Bestuurdersaansprakelijkheid.

Art. 2:55. De in artikel 2:50 bedoelde personen en alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad zijn jegens de rechtspersoon aansprakelijk voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Dit geldt ook jegens derden voor zover de begane fout een buitencontractuele fout is. Deze personen zijn evenwel slechts aansprakelijk voor beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.

Indien het bestuursorgaan een college vormt, is hun aansprakelijkheid voor de beslissingen of nalatigheden van dit college hoofdelijk.

Zelfs indien het bestuursorgaan geen college vormt, zijn diens leden zowel jegens de rechtspersoon als jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de rechtspersoon.

Wat fouten bedoeld in de vorige twee leden betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, zijn zij evenwel van hun aansprakelijkheid ontheven indien zij de beweerde fout hebben gemeld aan alle andere leden van het bestuursorgaan, of, in voorkomend geval, aan het collegiaal bestuursorgaan en aan de raad van toezicht. Indien zij gebeurt aan een collegiaal bestuurs- of toezichtsorgaan, wordt deze melding, evenals de bespreking waartoe zij aanleiding geeft, opgenomen in de notulen.

Art. 2:56. § 1. De aansprakelijkheid bedoeld in artikel 2:55, elke andere schadeaansprakelijkheid die voortvloeit uit dit wetboek of andere wetten of reglementen ten laste van de personen vermeld in artikel 2:50, evenals de aansprakelijkheid voor de schulden van de vennootschap bedoeld in de artikelen XX.225 en XX.227 van het Wetboek van economisch recht is beperkt tot de volgende bedragen:

1° 250 000 euro, in rechtspersonen die in de drie boekjaren voorafgaand aan de instelling van de aansprakelijkheidsvordering of over de periode sinds de oprichting indien er sindsdien minder dan drie boekjaren zijn verlopen een gemiddelde omzet van minder dan 700 000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, hebben verwezenlijkt, en waarvan het gemiddelde balanstotaal over dezelfde periode niet hoger was dan 350 000 euro;

2° 1 miljoen euro, in rechtspersonen die niet onder het 1°, vallen en die in de drie boekjaren voorafgaand aan de instelling van de aansprakelijkheidsvordering of over de periode sinds de oprichting indien er sindsdien minder dan drie boekjaren zijn verlopen, niet meer dan één van de volgende criteria hebben overschreden:
— gemiddelde omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde op jaarbasis: 9 000 000 euro;
— gemiddeld balanstotaal: 4 500 000 euro;

3° 3 miljoen euro, in rechtspersonen die niet onder het 1° en 2°, vallen en die in de drie boekjaren voorafgaand aan de instelling van de aansprakelijkheidsvordering of over de periode sinds de oprichting indien er sindsdien
minder dan drie boekjaren zijn verlopen de grenzen vermeld in het 2°, overschreden hebben, maar geen enkele van de grenzen vermeld in het 4°, hebben bereikt of overschreden;

4° 12 miljoen euro, in organisaties van openbaar belang en in rechtspersonen die niet onder het 1°, 2° en 3°, vallen en die in de drie boekjaren voorafgaand aan de instelling van de aansprakelijkheidsvordering of over de periode sinds de oprichting indien er sindsdien minder dan drie boekjaren zijn verlopen minstens 1 van volgende grenzen bereikt of overschreden hebben:
— gemiddeld balanstotaal van 43 miljoen euro;
— gemiddelde omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde op jaarbasis van 50 miljoen euro.

Telkens als de stijgingen of dalingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op 1 januari van het volgende jaar leiden tot een stijging of daling van 5 % of meer, worden de hierboven vermelde bedragen betreffende balanstotaal en omzet vanaf dezelfde datum met hetzelfde percentage verhoogd of verlaagd. Die
aanpassingen worden bij een bericht in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het indexcijfer van december 2017 geldt als basis.

§ 2. De aansprakelijkheidsbeperking bedoeld in § 1 geldt zowel tegenover de rechtspersoon als tegenover derden, en ongeacht de contractuele of buitencontractuele grondslag van de aansprakelijkheidsvordering.
De maximale bedragen gelden voor alle in § 1 bedoelde personen samen. Zij gelden per feit of geheel van feiten dat aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid, ongeacht het aantal eisers of vorderingen.

§ 3. De aansprakelijkheidsbeperking geldt niet:
1° in geval van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden in hoofde van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld;
2° voor de in de artikelen 5:138, 1°, en 7:205, 1°-3° bedoelde verplichtingen;
3° voor de hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in de artikelen 442quater en 458 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en de artikelen 73sexies en 93undeciesC van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
4° voor de hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel XX.226 van het Wetboek van economisch recht.


Art. 2:57. De aansprakelijkheid van een lid van een bestuursorgaan of dagelijks bestuurder kan niet verder worden beperkt dan vermeld in artikel 2:56. De rechtspersoon, zijn dochtervennootschappen of de door hem gecontroleerde entiteiten mogen de in het eerste lid vermelde personen niet vooraf exonereren of vrijwaren voor hun aansprakelijkheid jegens de vennootschap of jegens derden.

Elke bepaling in de statuten, in een overeenkomst of een eenzijdige wilsuiting die strijdig is met de bepalingen van dit artikel wordt voor niet geschreven gehouden.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 4 juni 2018 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen 

Het wetsontwerp bestaat uit twee delen: