KBO: opheffing van processanctie bij verkeerde of onvolledige inschrijving

Geschreven door Mr. Joeri Vananroye, Corporate Finance Lab, www.corporatefinancelab.org
Foto: Jacopo  

Wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft

In het Staatsblad van 2019-05-17 verscheen de Wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht wat de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft. Deze wet heft art. III.26 § 2 WER op.

Hier mee komt de wetgever tegemoet aan een inconsistentie sinds de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht die we eerder hier signaleerden: de processanctie voor niet-inschrijving in het KBO was regulariseerbaar terwijl dit niet gold voor de sanctie voor een onvolledige of verkeerde inschrijving. Deze inconsistentie wordt nu opgelost door het schrappen van die laatste sanctie.

De opgeheven paragraaf luidde:

Indien de inschrijvingsplichtige onderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

Lees ook: Nieuw: de statutendatabank

Na de opheffing blijft enkel § 1 van het huidig artikel III.26 WER over:

“Elk op verzoek van een inschrijvingsplichtige onderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de inschrijvingsplichtige onderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen te bewijzen of om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Indien de inschrijvingsplichtige onderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst of niet is ingeschreven binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk.”

De deformalisering ingezet met de Wet van 15 april 2018 en bezegeld door de besproken schrapping houdt verband met de nieuwe inschrijvingsplicht voor maatschappen. Een maatschap is immers een kwalificatie die kan worden opgeplakt zonder dat partijen zich bewust zijn van de aard van hun samenwerkingsverband. Een procesrechtelijke sanctie als gevolg van die kwalificatie zou dicht in de buurt komen van het leerstuk van de “onregelmatige VOF” zoals dat vóór 1996 bestond.

Waar vroeger een niet-inschrijving in het KBO leidde tot de onontvankelijkheid, is dit daarom regulariseerbaar gemaakt. Dat ontneemt verweerders de prikkel om deze (toegegeven weinig sympathieke) exceptie in te roepen. Een krachtige “private straf” verdwijnt daar mee in ons recht.