Invoering WVV - gevolgen BTW

Geschreven door Lexalert
Foto: Global Panorama  

De circulaire 202/C/17 van 22 januari 2020 behandelt de gevolgen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde van de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS 04.04.2019) en dit meer bepaald voor wat de maatschap en de feitelijke vereniging betreft. Daarenboven verdwijnen met ingang van 01.05.2019 een aantal vennootschapsvormen geleidelijk aan, waaronder onder meer de stille handelsvennootschap en de tijdelijke handelsvennootschap.

I. Inleiding

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS 04.04.2019) ondergingen onder meer de rechtsfiguren van de maatschap en de feitelijke vereniging grondige wijzigingen.

Hierna gaat een beknopte analyse van de behandeling op het stuk van de btw van de maatschap en van de feitelijke vereniging ingevolge de invoering van voornoemd Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

Verder wordt opgemerkt dat de wet van 23.03.2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen (BS 04.04.2019) ten aanzien van bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen tevens in een aantal overgangsbepalingen voorziet.

II. De maatschap

Ingevolge de invoering van voornoemd Wetboek van vennootschappen en verenigingen onderging de rechtsfiguur van de ‘maatschap’ grondige wijzigingen.

De maatschap is thans een vennootschap met een burgerlijk of een handelsdoel die geen rechtspersoonlijkheid bezit (artikelen 1:5 en 4:1 tot en met 4:3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). Het is een consensueel contract.

De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordeel dat daaruit kan ontstaan, met elkaar te delen. Zij wordt in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.

De maatschap is ‘stil’ wanneer overeengekomen wordt dat zij bestuurd wordt door een of meer zaakvoerders, al dan niet vennoten, die handelen in eigen naam. Tenzij anders overeengekomen, wordt zij aangegaan met inachtneming van de persoon van de vennoten.

De ‘stille’ maatschap wordt niet aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek.

De maatschap waarvan de vennoten overeenkomen dat zij rechtspersoonlijkheid zal genieten, neemt de vorm aan van een vennootschap onder firma of van een commanditaire vennootschap.

Zij is een vennootschap onder firma wanneer alle vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap. 

Zij is een commanditaire vennootschap wanneer zij wordt aangegaan door één of meer vennoten die onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap, de gecommanditeerde vennoten genoemd, en nog één of meer vennoten die zich beperken tot inbreng in geld of in natura en die niet deelnemen aan het beheer, de commanditaire vennoten genoemd.

In de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap zijn de zaakvoerder(s) het bestuursorgaan (zie artikel 4:22 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen).

De maatschap waarvan de vennoten overeenkomen dat zij rechtspersoonlijkheid zal genieten, wordt steeds aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden.

De maatschap dewelke niet als een ‘stille maatschap’ in de zin van hetgeen voorafgaat wordt aangemerkt en dewelke geen rechtspersoonlijkheid geniet, wordt thans als btw-belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek aangemerkt voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden. Zij zal zich bijgevolg voor btw-doeleinden dienen te laten identificeren.

►Lees ook: BTW kalender 2020 - Aangifte en betaling

III. De feitelijke vereniging

De feitelijke vereniging is thans een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid beheerst door de overeenkomst tussen partijen (artikel 1:6 van het van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen).

Daarenboven stelt voornoemd Wetboek van vennootschappen en verenigingen dat een ‘vereniging’ wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig (artikel 1:2 van het van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen).

De feitelijke vereniging in de zin van voornoemd artikel 1:6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen kan dan ook enkel een belangeloos doel nastreven. Zij kan aldus economische activiteiten stellen in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek maar mag daarbij enkel een belangloos doel nastreven.

Het nastreven van een vermogensvoordeel om het uit te keren of te bezorgen aan de leden is aldus niet toegelaten overeenkomstig de bepalingen van artikel 1:2 van voornoemd Wetboek van   vennootschappen en verenigingen. Het nastreven van een vermogensvoordeel is aldus enkel toegelaten wanneer dat vermogensvoordeel kadert in het belangeloos doel

Hoewel de feitelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid bezit, wordt zij steeds aangemerkt als een belastingplichtige in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek voor zover zij voldoet aan de andere in dat artikel opgenomen voorwaarden en dient zij zich bijgevolg voor btw-doeleinden te laten identificeren. 

Lees de volledige tekst van de circulaire 2020/C/17 met betrekking tot de impact op het stuk van de btw van de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen