Hof van Cassatie verduidelijkt samenspel tussen fiscale regularisatie, fiscale valsheid in geschriften en witwassen

Geschreven door Mr. Patrick Waeterinckx - Ruben Van Herpe, Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten, www.wvlaw.be

Op 19 november 2019 velde het Hof van Cassatie een vermeldenswaardig arrest i.v.m. fiscale valsheid in geschriften en witwassen (Cass. 19 november 2019, P.19.0861.N).

De aanleiding in deze strafzaak was een regularisatieaangifte d.d. 27 juni 2013 overeenkomstig de toenmalige regularisatieregeling ingevoerd door de Programmawet van 27 december 2005; de zgn. ‘EBA-bis-regeling’. De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent vervolgde de beklaagde onder meer omdat hij niet alle buitenlandse inkomsten had opgenomen in zijn regularisatieaangifte type EBA-bis.

Het hof van beroep van Gent zag dit anders. De appelrechters beslisten dat op basis van de toen geldende wettelijke bepalingen en de bestaande modellen, de aangever vrij kon kiezen welke waarden en inkomsten over welke periode hij wenste te regulariseren. Door die keuzevrijheid kan de regularisatieaangifte volgens de rechters niet worden gezien als een door de wet beschermd geschrift dat zich aan het openbaar vertrouwen opdringt. Dit is immers maar het geval als de overheid en particulieren die ermee worden geconfronteerd, overtuigd kunnen zijn van de waarachtigheid van het geschrift. Dit was niet het geval voor de regularisatieaangifte type EBA-bis zodat er geen sprake kon zijn van fiscale valsheid in geschriften.

 

De procureur-generaal bij het hof van beroep (eiser in cassatie) kon zich in dat oordeel niet vinden en formuleerde tegen dat punt van de beslissing een middel. De eiser ving echter bot bij het Hof van Cassatie. Dit volgde de appelrechters door te oordelen dat “een regularisatieaangifte geen strafrechtelijk beschermd geschrift is voor wat betreft de erin aangegeven buitenlandse inkomsten of rekeningen omdat het de aangever destijds vrij stond te bepalen welke waarden en inkomsten hij wenste te regulariseren en er hem in het aangifteformulier niet uitdrukkelijk werd gevraagd of hij buiten de aangegeven sommen over geen andere buitenlandse inkomsten of rekeningen beschikte.”

Het arrest bevat verder ook een interessante beoordeling van een onderdeel van een middel rond het 3de witwasmisdrijf (het zgn. verbergen van illegale vermogensvoordelen). De eiser beargumenteerde dat het saldo op de rekening het voorwerp was van de witwas omdat de rekening voor de fiscus was verzwegen en daardoor verder fiscaal onderzoek onmogelijk was geworden. In die redenering schuilt natuurlijk een denkfout. Immers, de loutere verzwijging door de belastingplichtige van het bestaan van een buitenlandse rekening maakt het saldo op rekening niet meteen illegaal. Een eventueel geheel of gedeeltelijk illegaal karakter van het saldo moet zijn oorsprong vinden in een voorafgaand misdrijf. Mocht dit laatste het geval zijn, dan kan de verzwijging als dusdanig wel een witwashandeling uitmaken.