Het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen

Geschreven door Lexalert

De wet van 13 maart 2016 (B.S. 23 maart 2016) betreffende het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zet de prudentiële bepalingen de zogeheten “Solvabiliteit II-richtlijn” om in Belgisch recht. Ze treedt op 23 maart 2016 in werking.

Deze Richtlijn diende, gedeeltelijk, tegen 31 maart 2015 te zijn omgezet in Belgisch recht, waarbij de nationale omzettingsbepalingen dienen van kracht te zijn op 1 januari 2016, vandaar de vraag om dit ontwerp bij voorrang te behandelen.

De Richtlijn omvat een herziening en herschikking van bestaande Europese richtlijnen en nieuwe regels over solvabiliteit en toezicht op de verzekeringsen herverzekeringsondernemingen.

De omzetting heeft aldus geleid tot een fundamentele herziening van de Belgische  verzekeringsen herverzekeringswetgeving.

De wet  zal dan ook de huidige basiswetten betreffende het “publiek verzekeringsrecht”, zijnde de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, vervangen.

Hieronder vindt u de voornaamste oriëntaties van de wet. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen.

De wet zorgt dus voor de omzetting van de Richtlijn. Deze wet zal in de plaats komen van de huidige toezichtswetten voor de verzekeringsondernemingen (wet van 9 juli 1975) en de herverzekeringsondernemingen (wet van 16 februari 2009), waarvan de uitvoeringsbesluiten eveneens zullen moeten worden herschreven.

In de onderstaande toelichtingen wordt de volgorde van de wet gevolgd, waarbij vermeld wordt welke opties de Richtlijn biedt en welke bepalingen nieuw zijn ten opzichte van de Richtlijn en de huidige wetten.

Onderstaande topics komen aan bod in dit artikel:

a) Algemene bepalingen (Boek I)
b) Toegang tot het bedrijf (Boek II — Titel I)
c) Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (Boek II — Titel II)
d) Specifieke bepalingen voor bepaalde ondernemingen (Boek II — Titel III)
e) Toezicht op de ondernemingen (Boek II — Titel IV)
f) Groepstoezicht (Boek II — Titel V)
g) In moeilijkheden verkerende ondernemingen (Boek II — Titel VI)
h) Einde van de vergunning (Boek II — Titel VII)
i) Ondernemingen naar buitenlands recht (Boek III)
j) Dwangsommen en dwangmaatregelen (Boek IV) en sancties (Boek V)
k) Regels van het internationaal privaatrecht inzake sanering en liquidatie (Boek VI) en materieelrechtelijke aspecten van liquidatieprocedures (Boek VII)
l) Overgangsbepalingen en diverse bepalingen (Boeken VIII en IX)
m) Bijlagen

a) Algemene bepalingen (Boek I)

Boek I van de wet bepaalt het doel en het toepassingsgebied van de wet, definieert een reeks termen en uitdrukkingen die worden gebruikt in de artikelen, en beoogt het gebruik van de termen “verzekeringsonderneming” en “herverzekeringsonderneming” of soortgelijke namen te beschermen.

Het zij genoegzaam opgemerkt dat de Richtlijn voorziet in bepaalde uitsluitingen, die in de meeste gevallen ter zake gebruikelijk zijn (stelsels van sociale zekerheid, pensioenfondsen, exportverzekering gewaarborgd door de Staat, pechverhelping voor voertuigen …). Sommige uitsluitingen zijn nieuw, zoals die welke betrekking hebben op onderlinge verzekeringsondernemingen die voor 100 % herverzekerd worden door een andere onderlinge verzekeringsonderneming die aan de bepalingen van de wet is onderworpen.

Tevens moet worden opgemerkt dat de uitsluiting waarin artikel 4 van de Richtlijn voorziet ten voordele van de kleine ondernemingen, niet als dusdanig werd overgenomen. Die ondernemingen, die overigens reeds onderworpen zijn aan de bepalingen van de wet van 9 juli 1975, zullen onder de bepalingen van de wet vallen, maar met aanpassingen om rekening te kunnen houden met hun omvang en het lage risico van hun verrichtingen.

Lees ook: Modernisering van het prudentieel toezichtskader van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen

b) Toegang tot het bedrijf (Boek II — Titel I)

De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking op de vergunning en de vergunningsvoorwaarden.

De vergunning

Zoals momenteel het geval is, moet elke onderneming die een verzekerings- of herverzekeringsactiviteit wenst aan te vangen, vooraf een vergunning aanvragen bij haar toezichthouder. Deze vergunning wordt verleend per verzekeringstak of per herverzekeringsactiviteit (leven of niet-leven). Ze is onder bepaalde voorwaarden geldig op het hele grondgebied van de Europese Economische Ruimte (Europees paspoort).

De mogelijkheid om een vergunning te verkrijgen per groep van takken, die niet voorkomt in de wet van 9 juli 1975, werd niet overgenomen omdat ze geen echte toegevoegde waarde biedt.

Eenzelfde onderneming kan zowel verzekeringsals herverzekeringsactiviteiten uitoefenen. In dat geval moet ze evenwel een vergunning aanvragen voor elk van die activiteiten. Er wordt echter voorzien in een overgangsbepaling voor de verzekeringsondernemingen die momenteel een herverzekeringsactiviteit mogen uitoefenen zonder een vergunning te hebben verkregen als herverzekeringsonderneming.

Er is vastgelegd dat de inhoud van het vergunningsdossier wordt gepreciseerd door de Nationale Bank van België (hierna “de Bank”), en niet langer door de wet of via een koninklijk besluit. Dit biedt het voordeel van flexibiliteit en schaadt de rechtszekerheid niet, aangezien het om zuiver technische en secundaire bepalingen gaat.

Vergunningsvoorwaarden: organisatie van de onderneming

Wat betreft de organisatie van de ondernemingen, maakt de wet een synthese tussen de bepalingen van de Richtlijn en die van de huidige wetten, zoals laatstelijk gewijzigd in 2014. Het ziet ook toe op een gelijke behandeling tussen de verschillende categorieën van ondernemingen die actief zijn in de financiële sector.

Zo werd de principiële verplichting om een directiecomité op te richten, behouden, met dien verstande dat de toezichthouder bepaalde ondernemingen kan vrijstellen van de verplichting om een dergelijk comité op te richten, of kan toelaten dat bepaalde leden van dat comité geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, of bepaalde combinaties van functies tussen de leden van het directiecomité kan toelaten. Deze afwijkingen worden verleend naargelang de omvang en het risicoprofiel van de onderneming.

De oprichting van een auditcomité, een remuneratiecomité en een risicocomité is verplicht. Voor wat betreft het auditcomité en het remuneratiecomité geldt deze verplichting echter niet voor ondernemingen die een bepaalde drempel inzake omzetvolume niet overschrijden of waarvan de concrete situatie de aanwezigheid van die comités niet rechtvaardigt, met dien verstande dat deze ondernemingen ervoor moeten zorgen dat de taken van deze comités elders worden vervuld.

De onafhankelijke controlefuncties of de klassieke sleutelfuncties in de verzekeringssector (compliance, risicobeheer, interne audit en actuariële functie) blijven behouden. De risicobeheerfunctie moet, behoudens toestemming van de toezichthouder, worden uitgeoefend door een lid van het directiecomité voor wie dit de enige functie is.

Vergunningsvoorwaarden: andere

De overige vergunningsvoorwaarden zijn bepalingen die voor het merendeel zijn overgenomen uit de Richtlijn of de huidige wetten, zonder echte nieuwigheden. Slechts enkele nieuwe bepalingen moeten worden aangestipt.

Het concept “gemeenschappelijke kas” heeft geen betrekking op een specifieke rechtsvorm, maar is een naam die kan worden gedragen door de onderlinge verzekeringsverenigingen die actief zijn in arbeidsongevallen of in bepaalde vormen van aanvullend pensioen. Enerzijds is er vanuit het oogpunt van de Belgische prudentiële regels immers geen enkel verschil tussen de gemeenschappelijke kassen en de onderlinge verzekeringsverenigingen en anderzijds erkent de Richtlijn de gemeenschappelijke kas niet als een specifieke rechtsvorm.

De verplichting voor levensverzekeringsondernemingen om zich aan te sluiten bij een regeling voor de bescherming van levensverzekeringen, die reeds op hen van toepassing is via andere regelgevingen, werd in de wet uitdrukkelijk overgenomen als een vergunningsvoorwaarde die dus integraal deel uitmaakt van het wettelijk statuut van verzekeringsonderneming.

c) Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden (Boek II — Titel II)

De hier toegelichte bepalingen hebben betrekking op de verplichtingen die de verzekeringsen herver-zekeringsondernemingen moeten naleven in het kader van de uitoefening van hun activiteiten. Ze vormen het leeuwendeel van deze wet. De belangrijkste bepalingen worden hierna toegelicht.

Kapitaalstructuur (Boek II — Titel II — Hoofdstuk II)

Deze bepalingen hebben betrekking op het vooraf-gaande toezicht op belangrijke deelnemingen (drempels van 10 %, 20 % en 30 %, …). Een nieuwigheid hierbij is dat de toezichthouder de redenen om een kandidaatverwerver te weigeren, op verzoek van die laatste kan publiceren.

Werkingsvoorwaarden (Boek II — Titel II — Hoofdstuk III)

In dit deel worden de regels bepaald die betrekking hebben op het minimum eigen vermogen, de bewaring van documenten, de rol van de leiding en de regels met betrekking tot de leiders, het risicobeheer, de ORSA (own risk and solvency assessment), de uitbesteding, de verrichtingen die verboden zijn of waarvoor een beperking geldt, en de mededeling van informatie aan het publiek.

Deze verplichtingen zijn overgenomen uit hetzij de Richtlijn, hetzij de huidige wetten zonder echte inhoudelijke wijziging. Voor ORSA raadplege men de commentaar bij de ontwerpartikelen .

Bepaalde verrichtingen ten gunste van de leiders, van de personen die sleutelfuncties bekleden of van hun naasten, mogen niet gebeuren tegen buitensporige voorwaarden ten aanzien van de marktvoorwaarden. Tot deze verrichtingen behoren voortaan ook de verzekeringsovereenkomsten.

De verplichtingen inzake publicatie ten behoeve van het publiek zijn overgenomen uit de Richtlijn (met name de artikelen 51, 53, 54 en 55). Er werd gebruik gemaakt van de door de Richtlijn geboden mogelijkheid om de effecten van een aanvullend kapitaalvereiste of bedrijfsspecifieke parameters niet afzonderlijk te publiceren vóór 1 januari 2021.

Portefeuilleoverdracht (Boek II — Titel II — Hoofdstuk IV)

Zoals momenteel het geval is, zullen de portefeuilleoverdrachten en fusies van ondernemingen onderworpen zijn aan de voorafgaande toestemming van de toezichthouder. De regel werd verduidelijkt voor wat betreft de fusies. De strategische beslissingen worden er aan toegevoegd.

Activiteiten in het buitenland (Boek II — Titel II — Hoofdstuk V)

Zoals de regel is geworden, mag een verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaat van herkomst) haar activiteiten uitoefenen in een andere lidstaat (lidstaat van ontvangst) door er een bijkantoor op te richten of zonder er een permanente vestiging te hebben (dat wil zeggen in het kader van de vrije dienstverrichting) zonder een vergunning te moeten aanvragen in die lidstaat van ontvangst. Alleen een kennisgevingsprocedure en, in voorkomend geval, een informatieprocedure over de bepalingen van algemeen belang die van toepassing zijn in de lidstaat van ontvangst, zijn vereist.

Het hier besproken hoofdstuk heeft enkel betrekking op de ondernemingen naar Belgisch recht die een activiteit wensen uit te oefenen buiten België (bijkantoren of LPS “out”).

Behalve voor activiteiten die in een andere lidstaat worden uitgeoefend via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting, is ook in specifieke bepalingen voorzien voor grensoverschrijdende activiteiten buiten de Europese Economische Ruimte. Zo werd voor de opening of de verwerving van een dochteronderneming in het buitenland in een bijzondere regeling voorzien.

Reglementaire normen en verplichtingen (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VI)

Dit hoofdstuk bevat de meest technische bepalingen die van toepassing zijn op de verzekeringsen herverzekeringsondernemingen, zoals de waarderingsregels, de verplichtingen inzake technische voorzieningen, de bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen en de kapitaalvereisten, die met betrekking tot de beleggingen, de doorlopende inventaris en de regels inzake de lokalisatie van de activa.

Wat betreft de waarderingsregels in het algemeen, neemt de wet het principe van de waarde bij overdracht over, zoals uiteengezet in de algemene toelichting met betrekking tot de Richtlijn.

de wet bevat tevens de verplichting om technische voorzieningen te berekenen en te boeken, alsook de waardering ervan tegen de waarde bij overdracht (cf. supra). In dit deel van de wet worden de regels vastgelegd met betrekking tot de berekening van de beste schatting (best estimate) en de risicomarge (risk margin), alsook drie van de vier maatregelen met betrekking tot de langetermijnverbintenissen, namelijk de extrapolatie van de relevante risicovrije rentetermijnstructuur, de matchingopslag (matching adjustment) en de volatiliteitsaanpassing (volatility adjustment).

Wat de volatiliteitsaanpassing betreft, liet de Richtlijn de keuze aan de lidstaten om al dan niet te bepalen dat het gebruik ervan ondergeschikt is aan een voorafgaande goedkeuring door de toezichthouders. Aangezien de mogelijkheden om het gebruik van deze volatiliteitsaanpassing a priori te weigeren, fors beperkt zijn, werd gekozen voor een eenvoudige kennisgeving. Dit betekent geenszins dat de toezichthouder niet kan nagaan of het gebruik dat de ondernemingen maken van de volatiliteitsaanpassing, in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften.

Het is ook dit technische gedeelte dat de belangrijkste bepalingen bevat met betrekking tot het eigen vermogen, te weten de definitie van het eigen vermogen in de zin van Solvabiliteit II (alle activa min alle passiva), het onderscheid tussen kernvermogen en aanvullend eigen vermogen, de regels voor de indeling van het eigen vermogen in drie niveaus (tiers), alsook de vereisten met betrekking tot het solvabiliteitskapitaalvereiste (SCR of solvency capital requirement) en het minimumkapitaalvereiste (MCR of minimum capital requirement).

Wat de MCR betreft, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid waarin de Richtlijn voorziet om te bepalen dat de berekening ervan tot 31 december 2017 uitsluitend gebeurt aan de hand van de standaardformule, zelfs als de onderneming een geheel of gedeeltelijk intern model hanteert. Aldus kan een minimumniveau aan eigen vermogen worden gehandhaafd dat niet gekoppeld is aan de werking van het interne model.

Bij de mogelijke opties voor de berekening van het eigenvermogen vereiste, kan men tevens de mogelijkheid vermelden om gebruik te maken van een submodule “aandelenrisico op basis van looptijd” voor bepaalde producten die vallen onder de tweede pensioenpijler.

Inzake beleggingen formuleert de wet, net als de Richtlijn, het “prudent person”-beginsel. Dit beginsel zal moeten worden uitgewerkt in de Europese verordeningen ter aanvulling van de Richtlijn, alsook in de richtsnoeren van EIOPA en in de circulaires van de Bank.

Het hoofdstuk met betrekking tot de reglementaire normen en verplichtingen eindigt met twee reeksen bepalingen die werden gewijzigd ten opzichte van zowel de Richtlijn als de huidige wetgevingen. De eerste van deze reeksen betreft de doorlopende inventaris, die zal worden behandeld met de bepalingen betreffende het voorrecht ten gunste van de schuldeisers uit hoofde van verzekering.

De tweede reeks heeft betrekking op de regels inzake de lokalisatie van de activa. Zoals hierboven gezegd, bevat de Richtlijn het beginsel van de totale vrijheid van belegging, zowel inzake de percentages en andere beleggingsbeperkingen, als inzake de lokalisatie van de beleggingen. Vanuit dit laatste oogpunt kunnen alleen de overeenkomsten met betrekking tot risico’s die buiten de Europese Economische Ruimte gelegen zijn, aan beperkingen worden onderworpen. De lokalisatie van activa buiten de Europese Economische Ruimte stelt het probleem van de doeltreffendheid van de maatregelen ter beperking van de vrije beschikking over de activa, vooral wanneer de onderneming zich in moeilijkheden bevindt, en verplicht de toezichthouder om actie te ondernemen om de schuldeisers uit hoofde van verzekering te beschermen, aangezien de Belgische toezichthouder zelden kan terugvallen op een samenwerkingsakkoord met de toezichthouder van het land van lokalisatie om de maatregel effect te doen sorteren.

Om die reden en om het risico van de ondernemingen ten aanzien van hun depositarissen te beperken, werden aan de lokalisatie van activa buiten de Europese Economische Ruimte twee cumulatieve voorwaarden verbonden met betrekking tot de financiële instrumenten die bij buitenlandse depositarissen buiten de Unie worden aangehouden. De eerste is dat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming moet beschikken over een zakelijk recht op de betrokken activa. De tweede is de vereiste van een verbintenis vanwege de depositaris om de betrokken activa te blokkeren op verzoek van de Belgische toezichthouder.

Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VII)

De bepalingen van dit hoofdstuk bestaan vooral uit rechtsgrondslagen op grond waarvan er via koninklijk besluit bepalingen kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de jaarrekening van de verzekeringsen herverzekeringsondernemingen. In dit verband is het noodzakelijk gebleken om de opstelling van de jaarrekening volgens de Belgische boekhoudnormen (BGAAP) te handhaven. Hoewel het referentiesysteem van Solvabiliteit II een balans bevat, heeft hij immers geen resultatenrekening, die nochtans onontbeerlijk is voor de berekening van de winstdelingen en de vennootschapsbelasting.

Herstelplan (Boek II — Titel II — Hoofdstuk VIII)

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn nieuw ten opzichte van zowel de Richtlijn als de huidige wetgevingen. Ze bieden de toezichthouder de mogelijkheid om de ondernemingen voor dewelke hij dit nodig acht (afhankelijk van hun omvang of risicosituatie) te verplichten een herstelplan op te stellen, dat ten uitvoer moet worden gelegd als de risico’s waarin het plan voorziet, zich effectief voordoen. In afwachting van een Europese harmonisatie ter zake voorziet de wet echter niet in een algemene verplichting om een dergelijk plan op te stellen voor alle verzekeringsen herverzekeringsondernemingen, noch in de opstelling van afwikkelingsplannen door de Bank.

Specifieke bepalingen voor bepaalde activiteiten (Boek II — Titel II — Hoofdstuk IX)

In dit hoofdstuk zijn de bepalingen bijeengebracht die van toepassing zijn op bepaalde verzekerings- of herverzekeringsactiviteiten. Het zij opgemerkt dat sommige bepalingen van de Richtlijn, met name met betrekking tot de niet-levensverzekeringen, niet in deze wet zijn omgezet omdat ze vooral betrekking hebben op de informatieverstrekking aan en de bescherming van de consumenten, en niet thuishoren in een wet die van prudentiële aard is.

Wat de levensverzekering betreft, bestaan de bepalingen van de wet vooral uit voldoende rechtsgronden om de verschillende technische aspecten te regelen (winstdelingen, samenstelling van de fondsen van de takken 21 en 23…) door middel van besluiten of reglementen van de Bank. Het is tevens in dit deel van de wet dat men het mechanisme aantreft voor de aanpassing van de maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsovereenkomsten van lange duur.

De uitoefening, door eenzelfde verzekeringsonderneming, van activiteiten leven en niet-leven, werd gehandhaafd. De voornaamste nieuwigheid, die voortvloeit uit de Richtlijn, is dat voortaan nog maar één SCR moet worden berekend voor de gemengde ondernemingen, terwijl diezelfde ondernemingen momenteel een solvabiliteitsmarge leven en een solvabiliteitsmarge niet-leven berekenen. Diezelfde ondernemingen zullen echter moeten voldoen aan een dubbel MCR-vereiste, alsof het om aparte ondernemingen leven en niet-leven ging.

d) Specifieke bepalingen voor bepaalde ondernemingen (Boek II — Titel III)

Deze titel heeft betrekking op verschillende types ondernemingen die onderworpen zijn aan specifieke regels ingevolge hun vennootschapsvorm of hun bijzondere karakter.

In een eerste hoofdstuk zijn de huidige bepalingen van de wet van 9 juli 1975 opgenomen die betrekking hebben op de onderlinge verzekeringsverenigingen. Inhoudelijk is er niets gewijzigd, behalve het feit dat de gemeenschappelijke kassen voortaan worden beschouwd als een specifieke categorie van onderlinge verzekeringsvereniging. Dit wordt reeds vermeld in het kader van de vergunning.

Een tweede hoofdstuk heeft betrekking op de ondernemingen die buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn vallen (artikel 4 van de Richtlijn). Aangezien deze ondernemingen reeds zijn onderworpen aan de regels van Solvabiliteit I, werd ervoor geopteerd om deze te onderwerpen aan de nieuwe solvabiliteitsnormen, maar met aanpassingen om rekening te kunnen houden met hun omvang en het lage risiconiveau van hun activiteiten. Hiermee wordt voor deze ondernemingen concrete invulling gegeven aan het evenredigheidsbeginsel.

Mits zij een overeenkomst hebben gesloten die voorziet in de herverzekering of de volledige overdracht van hun verplichtingen, kunnen deze ondernemingen nagenoeg volledig worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van de wet.

Voor de lokale verzekeringsondernemingen, die hun activiteit beperken tot het dekken van eenvoudige risico’s gelegen in de gemeente van hun zetel of in de omringende gemeenten, wordt voorgesteld om, in grote lijnen, terug te keren naar het stelsel dat van kracht was tot 31 december 2009, dat wil zeggen een nagenoeg volledige vrijstelling van het toezicht op voorwaarde dat hun activiteiten beperkt blijven en dat deze ondernemingen een herverzekering aangaan voor het grootste gedeelte van hun risico’s.

e) Toezicht op de ondernemingen (Boek II — Titel IV)

Wat betreft het toezicht op de ondernemingen naar Belgisch recht, maakt de wet, zoals gebruikelijk is, een onderscheid tussen het toezicht uitgeoefend door de Bank (of de Controledienst voor de Ziekenfondsen, voor de maatschappijen van onderlinge bijstand) en de ondersteuning van dit toezicht via het toezicht dat door de erkende commissarissen wordt uitgeoefend.

Wat het eerste aspect betreft, zijn veel regels overgenomen uit de bestaande wetgevingen, hetzij in de verzekerings- of herverzekeringssector, hetzij in andere financiële sectoren. Het is de bedoeling om aan de toezichthouder de nodige en toereikende bevoegdheden te geven om zijn taken te vervullen. Deze bevoegdheden hebben onder meer te maken met de mogelijkheid om elk relevant document op te vragen, inspecties te verrichten in de zetel van de ondernemingen of hun onderaannemers, de gewenste personen te ondervragen, of nog om deskundigen te sturen of samen te werken met andere Belgische of buitenlandse autoriteiten. Nieuw is dat voor de inspectieverslagen en andere documenten die uitgaan van de toezichthouder, een geheimhoudingsplicht geldt.

De bepalingen met betrekking tot de erkende commissarissen werden overgenomen uit de wet van 9 juli 1975 zonder grote inhoudelijke wijzigingen. Er zij aan herinnerd dat de opdracht van de erkende commissarissen niet beperkt is tot de statutaire rekening van de ondernemingen.

f) Groepstoezicht (Boek II — Titel V)

Bj wijze van inleiding bevat deze titel verschillende definities die nodig zijn voor de toepassing ervan (deelnemende onderneming, verbonden onderneming, groep, verzekeringsholding, gemengde verzekeringsholding, gemengde financiële holding…). Er wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen voor deze definities.

In deze titel worden vervolgens vier niveaus gedefinieerd waarop het groepstoezicht van toepassing is, wat erop neerkomt dat bepaald wordt welke ondernemingen onder een groep vallen die onderworpen is aan de bepalingen van deze titel. In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of andere ondernemingen (met name andere categorieën van ondernemingen uit de financiële sector of holdings) en naargelang het gaat om ondernemingen gelegen in de Europese Economische Ruimte of in derde landen. Het is ook mogelijk om subgroepen te vormen op nationaal niveau, zodat beter rekening wordt gehouden met de eigen kenmerken van de samenstellende ondernemingen.

De uitbreiding van de groep tot ondernemingen in derde landen, is onderworpen aan een zogenaamde gelijkwaardigheidstoets, die erin bestaat te beoordelen of de toezichtregeling van die derde landen gelijkwaardig is aan de regeling die voortvloeit uit de Richtlijn. Als dit het geval is, worden de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen van derde landen gelijkgesteld met de ondernemingen van de Europese Economische Ruimte.

Wat meer bepaald het groepstoezicht betreft, moet allereerst worden bepaald welke toezichthouder zal worden aangewezen als groepstoezichthouder die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het toezicht binnen het college van toezichthouders.

De toezichtsdomeinen zijn vergelijkbaar met die van het toezicht dat individueel op de ondernemingen wordt uitgeoefend. Het heeft betrekking op de groepssolvabiliteit, de risicoconcentraties en de intragroeptransacties, de governance op groepsniveau en de informatieverstrekking aan het publiek.

g) In moeilijkheden verkerende ondernemingen (Boek II — Titel VI)

In deze titel zijn alle maatregelen bijeengebracht die de toezichthouder kan nemen ten aanzien van een in moeilijkheden of in een onregelmatige situatie verkerende verzekerings- of herverzekeringsonderneming. De meeste bepalingen zijn overgenomen uit hetzij de Richtlijn hetzij de huidige wetten. Bepaalde nieuwigheden werden geïntroduceerd om de doeltreffendheid van de herstelmaatregelen te vergroten.

Aspecten die in deze titel aan bod komen zijn het in evenwicht brengen van de tarieven, herstelmaatregelen zoals het opleggen van specifieke regels inzake waardering, liquiditeitsnormen, risicoconcentraties, het verbod om winstdelingen, dividenden of het variabele gedeelte van de beloning van de leiders uit te keren, of nog de tenuitvoerlegging van het herstelplan …

De bepalingen met betrekking tot het herstelplan en het plan inzake financiering op korte termijn, die betrekking hebben op de ontoereikendheid van respectievelijk het SCR en het MCR, zijn overgenomen uit de Richtlijn (hoewel soortgelijke bepalingen bestaan in de huidige wetten). De Richtlijn voert striktere termijnen in voor de uitvoering van deze plannen: zes of negen maanden (uitzonderlijk meer en tot zeven jaar) voor het herstelplan, en slechts drie maanden voor het plan inzake financiering op korte termijn. In dit laatste geval leidt de mislukking van het plan automatisch tot een herroeping van de vergunning.

Andere maatregelen zijn overgenomen uit de huidige teksten (beperking van of verbod op de vrije beschikking over de activa, aanstelling van een speciaal commissaris, vervanging van leden van het wettelijk bestuursorgaan, schorsing van de activiteit, aanmaning tot portefeuilleoverdracht, …).

h) Einde van de vergunning (Boek II — Titel VII)

Deze titel heeft betrekking op de verschillende manieren waarop de vergunning ten einde kan lopen: afstand (vrijwillige daad van de onderneming), doorhaling voor niet-gebruik of als gevolg van de liquidatie, herroeping als gevolg van een ernstige tekortkoming. Het einde van de vergunning leidt tot een verbod om nieuwe overeenkomsten te sluiten, maar stelt behalve in geval van faillissement geen einde aan het toezicht zolang de onderneming verzekerings- of herverzekeringsverplichtingen heeft.

i) Ondernemingen naar buitenlands recht (Boek III)

Dit hoofdstuk bevat bepalingen met betrekking tot de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen naar buitenlands recht die in België een activiteit willen uitoefenen via een bijkantoor of in het kader van de vrije dienstverrichting. Voor de ondernemingen van de Europese Economische Ruimte (bijkantoren en LPS “in”), gaat het om bepalingen die overeenstemmen met de bestaande bepalingen voor de Belgische ondernemingen die activiteiten willen uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat.

Er is in bepalingen voorzien voor de bijkantoren van ondernemingen naar het recht van een derde land. In principe zijn deze ondernemingen onderworpen aan een regeling die te vergelijken is met die welke van toepassing is voor de ondernemingen naar Belgisch recht. Er is voorzien in een aantal specifieke bepalingen om rekening te houden met het feit dat de bijkantoren geen rechtspersoonlijkheid hebben (het opleggen van specifieke solvabiliteitsnormen) noch een wettelijk bestuursorgaan (de verplichting om een algemeen lasthebber aan te duiden). De uitoefening door een verzekeringsonderneming naar het recht van een derde land van een activiteit in België is in het kader van de vrije dienstverrichting niet toegelaten.

Wanneer er internationale akkoorden bestaan (zie met name het akkoord tussen de Europese Unie en Zwitserland, de GATS…), kunnen de betrokken ondernemingen onderworpen zijn aan gunstiger stelsels die vergelijkbaar kunnen zijn met dat van de ondernemingen van andere lidstaten.

Voor herverzekeringsondernemingen uit derde landen volgen de bepalingen het regime van de Richtlijn, dat een onderscheid maakt naargelang het toezichtsregime dat op hen van toepassing is in hun land van herkomst al dan niet gelijkwaardig wordt geacht aan dat van de Richtlijn.

j) Dwangsommen en dwangmaatregelen (Boek IV) en sancties (Boek V)

Deze bepalingen behoeven geen verdere toelichting.

k) Regels van het internationaal privaatrecht inzake sanering en liquidatie (Boek VI) en materieelrechtelijke aspecten van liquidatieprocedures (Boek VII)

De bepalingen van deze twee boeken nemen regels over die in 2004 werden ingevoegd in de wet van 9 juli 1975, en die de regels inzake internationale bevoegdheid en de collisieregels met betrekking tot saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures vastleggen en aldus voorzien in de wederzijdse erkenning van dergelijke maatregelen en procedures tussen de lidstaten. De herverzekeringsondernemingen vallen niet onder deze bepalingen.

Wat het materiële recht betreft, vormt het voorrecht ten gunste van de schuldeisers uit hoofde van verzekering een belangrijk aspect. Zoals momenteel het geval is, zullen de schuldeisers uit hoofde van verzekering onder Solvabiliteit II een voorrecht genieten op de dekkingswaarden van de technische voorzieningen, aangevuld met een voorrecht op alle activa van de verzekeringsonderneming.

Er zij op gewezen dat de uitoefening van het voorrecht noodzakelijkerwijs uitgaat van een onderneming in liquidatie zonder continuïteit wat de uitoefening van de activiteit betreft. Men bevindt zich in een situatie waarin de enige mogelijkheid erin bestaat de schuldvorderingen uit hoofde van verzekering aan de houders ervan uit te betalen.

Bijgevolg kan er bij het bepalen van de rechten van de schuldeisers geen rekening worden gehouden met toekomstige perspectieven zoals de discontering van de voorzieningen voor schadegevallen niet-leven of een waarschijnlijke afkoop van de levensverzekeringsovereenkomsten. Om die reden kan het bedrag van de rechten berekend met het oog op een liquidatie, verschillend zijn van het bedrag van de technische voorzieningen berekend aan de hand van de best estimate en de risk margin. In de huidige economische situatie zouden de rechten met het oog op de liquidatie hoger kunnen uitvallen dan de technische voorzieningen onder Solvabiliteit II voor de niet-levensverzekeringen, en lager voor de levensverzekeringen. Voor die laatste zal het bedrag van de rechten worden berekend rekening houdend met de contractueel gewaarborgde technische grondslagen.

Zoals de Richtlijn bepaalt (art. 276), gaat de toekenning van het voorrecht op de dekkingswaarden gepaard met de verplichting, voor de verzekeringsondernemingen, om een doorlopende inventaris van die waarden aan te houden. Rekening houdend met wat voorafgaat, kan het bedrag van de in die inventaris opgenomen activa, in bepaalde gevallen, hoger uitvallen dan het bedrag van de dekkingswaarden onder Solvabiliteit II. Dit verschil werd noodzakelijk geacht om te garanderen dat de schuldeisers uit hoofde van verzekering hun rechten kunnen uitoefenen in geval van faillissement of een andere liquidatieprocedure.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige regeling is de vermindering van het aantal types van afzonderlijk beheer. Deze types, die nog slechts een rol spelen in verband met het voorrecht op de dekkingswaarden, worden tot drie types herleid een afzonderlijk beheer voor alle activiteiten niet-leven, een voor alle activiteiten leven met uitzondering van de verrichtingen van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor het risico door de verzekeringnemer wordt gedragen), die een afzonderlijk beheer vergen voor elk van de fondsen van deze takken.

De eerste twee types zijn een gevolg van de verplichting die door de Richtlijn wordt opgelegd om de activiteiten leven en de activiteiten niet-leven duidelijk te onderscheiden. Het afzonderlijk beheer met betrekking tot de fondsen van de takken 23, 26 en 27 (waarvoor het risico door de verzekeringnemer wordt gedragen) wordt gerechtvaardigd door het feit dat de rechten van de schuldeisers ten aanzien van die producten te allen tijde gelijk zijn aan het bedrag van de overeenstemmende dekkingswaarden.

Bovendien werd ervan uitgegaan dat de andere types van afzonderlijk beheer waarin momenteel is voorzien door de Belgische regelgeving (met name met betrekking tot de afgezonderde fondsen van tak 21) slechts een illusie van zekerheid bieden, bij ontstentenis van regels die er hermetisch afgesloten compartimenten van maken voor wat betreft de samenstelling van de dekkingswaarden. Voorzien in dergelijke regels is theoretisch mogelijk, maar zou het beheer van en het toezicht op de verzekeringsondernemingen vrij complex en duur maken ten opzichte van de voordelen van de maatregel.

De vermindering van het aantal types van afzonderlijk beheer doet geenszins afbreuk aan de verplichtingen van de verzekeringsondernemingen met betrekking tot de samenstelling van de verschillende fondsen van de takken 21 en 23 en, in het algemeen, aan de verplichtingen met betrekking tot het verzamelen van gegevens betreffende een aantal producten of verrichtingen met het oog op, bijvoorbeeld, het toezicht op de winstdelingen.

Het tweede voorrecht heeft, zoals momenteel het geval is, betrekking op alle activa van de verzekeringsonderneming. Het wordt slechts ten uitvoer gelegd na de liquidatie van de types van afzonderlijk beheer. Het nadeel van dit voorrecht in het huidige wettelijke kader is dat het een zeer lage rangorde heeft, wat het nagenoeg nutteloos maakt. Om dit nadeel te verhelpen maakt de wet er een voorrecht van hoge rangorde van, waarop slechts de voorrechten primeren van de werknemers van de verzekeringsonderneming, de fiscus, de socialezekerheidsinstellingen en de houders van zakelijke rechten.

l) Overgangsbepalingen en diverse bepalingen (Boeken VIII en IX)

In de laatste twee Boeken strekt een eerste reeks bepalingen ertoe de verworven rechten van de verzekeringsen herverzekeringsondernemingen die reeds over een vergunning beschikken, te handhaven. De vergunningen en inschrijvingen van deze ondernemingen worden gehandhaafd, alsook de individuele toestemmingen die ze genieten, voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van de nieuwe wet. Er is ook bepaald dat de besluiten en reglementen die werden genomen ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975 of de wet van 16 februari 2009, van toepassing blijven voor zover ze niet in strijd zijn met de bepalingen van de nieuwe wet, waarmee de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie uitdrukkelijk wordt bevestigd.

De Richtlijn voorziet in verscheidene overgangsbepalingen, die werden omgezet in deze wet. Deze bepalingen hebben betrekking op:

— de rapportering en de informatieverstrekking aan het publiek, waarvoor de ondernemingen over verlengde termijnen beschikken gedurende de eerste vier jaar van toepassing van de nieuwe toezichtsregeling;

• de mogelijkheid om het onder de vroegere regeling gevormde eigen vermogen onder de nieuwe regeling te beschouwen als Tier 1of Tier 2-eigenvermogensbestanddelen van niveau 1 of niveau 2 gedurende een periode van tien jaar;

• bepaalde versoepelingen van de standaardformule voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste voor wat betreft het spreadrisico voor het soevereine risico (vier jaar) en het aandelenrisico (zeven jaar);

• de toekenning van een termijn van twee jaar om te voldoen aan de solvabiliteitskapitaalvereisten voor de ondernemingen die niet aan deze vereisten voldoen maar wel beschikten over de solvabiliteitsmarge onder de vroegere regeling;

• de geleidelijke en lineaire overschakeling over een periode van zestien jaar van het niveau van de technische voorzieningen onder Solvabiliteit I naar het niveau van de technische voorzieningen onder Solvabiliteit II (best estimate en risk margin), hetzij via een maatregel op de disconteringsvoeten, hetzij aan de hand van de berekening van de bedragen van de voorzieningen.

Tot slot worden de wet van 9 juli 1975 en de wet van 16 februari 2009 uitdrukkelijk opgeheven, worden verschillende wetgevingen gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe wet (men denke hier met name aan de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen) en wordt de inwerkingtreding van de nieuwe wet vastgelegd.

m) Bijlagen

De Bijlagen bij de wet bevatten de relevante bijlagen van de Richtlijn en vervangen die van het koninklijk besluit van 12 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. De enige belangrijke wijziging betreft een herstructurering van de Bijlage met betrekking tot de indeling van de levensverzekeringstakken. Er is voor gezorgd dat deze indeling die van de Richtlijn volgt (art. 2).

Lees de volledige tekst van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen