Hercodificatie - Ondernemingsrecht - Het ondernemingsbegrip

Geschreven door Lexalert
Foto: fdecomite  

In 2017 komt er een Nieuw Burgerlijk Wetboek. Hieronder meer informatie over de wijzigingen met betrekking tot het ondernemingsbegrip.

De krachtlijnen

Het Wetboek van Koophandel dat uit 1808 dateert is volledig ontmanteld. Verzekering, vennootschappen en faillissement zijn maar enkele van de materies die in afzonderlijke wetten werden ondergebracht. Deze ontmanteling heeft o.a. te maken met het artificiële en voorbijgestreefde verschil tussen burgerlijke en handelszaken dat in Nederland al in 1935 werd afgeschaft. Zodoende valt het niet langer te verantwoorden om bijvoorbeeld het handelspand en het burgerlijk pand of de handels- en de burgerlijke vennootschappen door afzonderlijke wetboeken of wetten te laten beheersen.

Daarom  wordt  een  uniform  ondernemingsbegrip uitgewerkt dat  van  toepassing is  in  de volledige economische wetgeving, en dat voortaan ook de vrije beroepen, de landbouw en de non profit sector behelst. Ook zij ondernemen immers, in die zin dat een overschot van inkomsten op uitgaven voor hun duurzaamheid evenzeer is vereist als voor handel en industrie. Hun schuldeisers verdienen dezelfde bescherming bij faling of discontinuïteit.

 Een uniform ondernemingsbegrip zal ook gevolgen hebben op het vlak van de gerechtelijke procedure. Zo zullen alle ondernemingen hun natuurlijke rechter vinden in de rechtbank van koophandel die voortaan ‘de ondernemingsrechtbank’ zou heten.

De voorbereidende teksten bevinden zich in een eindfase. De ontwerpteksten zullen door de Minister van Justitie en de Minister van Economie begin 2017 aan de Regering worden voorgesteld.

De krachtlijnen van de hervorming

1°         Ontmanteling  van  het  Wetboek  van  koophandel  en  afschaffing  van  het onderscheid tussen handelszaken en burgerlijke zaken.

Het  Wetboek  van  koophandel  bevatte  regelgeving  voor  een  maatschappij  waarin  de kleinhandel de voornaamste commerciële bedrijvigheid was. Toen de industrie en het kapitalisme volop tot ontplooiing kwamen in de eerste helft van de 19e  eeuw, moesten het faillissementsrecht (1851) en het vennootschapsrecht (1873) inderhaast worden vervangen. Op het einde van de 20ste eeuw verdwenen die materies, samen met de boekhouding (1975) en het landverzekeringsovereenkomstenrecht (1992), uit het Wetboek van koophandel om bijzondere wetten (bv. de Faillissementswet 1997) of aparte wetboeken (Wetboek van vennootschappen 1999) te worden. Hetzelfde overkwam het financieel recht, dat vanaf de Wet van 4 december 1990 systematisch uit het Wetboek van koophandel werd gelicht.

De huidige hervorming poogt deze evolutie verder te zetten door de laatste onderdelen van het Wetboek van koophandel te integreren in het Wetboek van economisch recht (WER). De evolutie zal evenwel pas afgerond zijn wanneer boek II van het Wetboek van Koophandel inzake zeevaart en binnenvaart zijn definitief onderkomen heeft gevonden in het Scheepvaartwetboek en wanneer het verzekeringsrecht, met inbegrip van de zeevaart, binnenvaart, luchtvaart en vervoersverzekering, in een nieuw Wetboek verzekeringsrecht wordt opgenomen. De resterende onderdelen van het Boek II Wetboek van koophandel zullen worden opgenomen in het WER.

Het historische maar inmiddels voorbijgestreefde onderscheid tussen burgerlijke en handelszaken wordt afgeschaft.

2°         Uniform ondernemingsbegrip

De noties handelaar en koophandel verwijzen naar vorige eeuwen: de verschillende négoces die worden opgesomd in artikel 2 van het Wetboek roepen vandaag geen duidelijk beeld meer op van wat koophandel betekent. De bedoeling om in de daden van koophandel het merendeel van de economische bedrijvigheden te vatten, is twee eeuwen later volledig mislukt en heeft tot een tot een onverantwoorde tweedeling in de ondernemingen geleid, nl. die met een commercieel karakter en die met een burgerlijk karakter.

Sedert  een  vijftigtal  jaren  pleiten  de  beste  auteurs,  zoals  Van  Ryn  in  de  Franstalige rechtsleer, en Van Gerven in de Nederlandstalige rechtsleer, voor het concept onderneming en ondernemingsrecht, in plaats van koophandel en handelsrecht. Dit meer eigentijdse ondernemingsbegrip is veel breder op te vatten dan de handelaar en omvat omzeggens elke activiteit die een zelfstandige natuurlijke persoon of een rechtspersoon verricht. Het is een functioneel begrip dat   de   toepasselijkheid  van  publiciteit,  boekhouding,  soepel  bewijs,  snelle  rechtspraak  en (dis-)continuïteitsrecht vergt, opdat zowel wie onderneemt, als wie met ondernemingen handelt, de aangepaste rechtsbescherming zou krijgen.

Als reactie hierop werd reeds in bepaalde wetgeving gekozen voor een ruimer ondernemingsbegrip, zoals in de Wet economische mededinging, alsook in de Wet marktpraktijken en consumentenbescherming. Het huidige algemene ondernemingsbegrip in artikel I.1,1° van het WER bouwt verder op deze specifieke definities en wordt ook gebruikt voor de bepaling van de algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel in artikel 573, 1° van het Gerechtelijk Wetboek. Intussen zijn meerdere ondernemingsbegrippen gegroeid.

De hervorming zal verder gaan in de uniformisering van het ondernemingsbegrip:

1°         Er is vandaag niet één ondernemingsbegrip, zelfs niet in het Wetboek van economisch recht. De nieuwe definitie heeft de roeping om een unieke bouwsteen te zijn voor de toepassingsgebieden van de bijzondere regels voor ondernemingen in het Wetboek van economisch recht, het Gerechtelijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek.

2°         In het huidige recht bestaat het begrip “handelaar” nog naast het begrip “onderneming”. Het nieuwe begrip onderneming zal het begrip “handelaar”, “koopman”, “handelsvennootschap” en verwante begrippen vervangen. Dit houdt in dat verschillen in behandeling tussen ondernemingen met een burgerlijke en handelsaard in bv. bewijsrecht, hoofdelijkheid en insolventierecht verdwijnen. Ook  voor  regels  inzake  de  Kruispuntbank  Ondernemingen  (KBO)  en  de  regels  inzake  de boekhouding wordt in een uitbreiding van het toepassingsgebied van het algemene ondernemingsbegrip voorzien.

3°         Het ondernemingsbegrip maakt vandaag gebruik van een materieel criterium (“economisch doel nastreven”). Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Bovendien is het pertinent karakter van dit materiële criterium niet altijd evident voor bepaalde regels (het insolventierecht, het gerechtelijk recht, de KBO, het zgn. vermoeden van hoofdelijkheid of het afwijkend bewijsrecht). Er moet daarom een nieuwe definitie worden gebruikt met formele criteria die een ruimer bereik hebben dan economische sectoren.

4°          Een moeilijk te nemen klip is deze van de publiekrechtelijke rechtspersonen, wanneer zij aan het economisch leven deelnemen. Kunnen de klassieke overheden vrij gemakkelijk terzijde worden gelaten, dan kan het lot van publieke rechtspersonen die goederen of diensten aanbieden niet eenduidig worden geregeld.

5°         Zoals vermeld gebruikt de nieuwe definitie zo veel als mogelijk formele criteria in plaats van materiële   criteria.   Europese   richtlijnen   en   verordeningen   zullen   er,   bijvoorbeeld   inzake

marktpraktijkenrecht, niettemin soms toe nopen om voor bepaalde regelgeving materiële criteria te bezigen die verwijzen naar een economische activiteit. Bovendien zal het om dezelfde reden soms noodzakelijk blijken om het nieuwe algemene ondernemingsbegrip uit te breiden met bepaalde actoren.

3°         Omvorming van de rechtbank van koophandel tot de ondernemingsrechtbank

De algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel wordt geënt op het nieuwe algemene ondernemingsbegrip. Zo zal zij voortaan de ondernemingsrechtbank heten. In het kader daarvan worden de bijzondere bevoegdheidsgronden opgefrist.

Ook de rekrutering van de rechters in handelszaken – lekenrechters gekozen uit het ondernemingsleven die daar meestal hun hoofdbezigheid hebben – moet de nieuwe bevoegdheid van de rechtbank weerspiegelen. Ook landbouwers, vrije beroepen en non-profit ondernemingen moeten worden vertegenwoordigd. Zij worden dan ondernemingsrechters in een ondernemingsrechtbank.

Concrete voorbeelden

Voor de rechtszoekende moet het gemakkelijk zijn om de bevoegde rechtbank te kennen. Zo kan elke vereniging zonder winstoogmerk worden gedagvaard voor de ondernemingsrechtbank. Vandaag is de rechtbank van koophandel ook bevoegd, maar enkel indien het geschil betrekking heeft op een economische activiteit van een VZW. Dat creëert rechtsonzekerheid en onnodige en vertragende bevoegdheidsgeschillen.               

Voor zelfstandige natuurlijke personen die allen onderneming zijn, met inbegrip van de vrije beroepen en de landbouwers, wordt -enkel wat de bevoegde rechtbank aangaat- nog wel gewerkt met een aanvullend materieel criterium: zij kunnen enkel in het kader van die zelfstandige activiteit, en bijvoorbeeld niet in het kader van huwelijksproblemen, voor de ondernemingsrechtbank worden gedaagd. Er wordt ter bescherming van derden wel een vermoeden gecreëerd dat elke verbintenis van een onderneming kadert in haar ondernemingsactiviteit, en zulks behoudens tegenwijs. Dit vermoeden komt overeen met de techniek van de zgn. “subjectieve daad van koophandel” uit het Wetboek van koophandel.

De  maatschap,  een  vennootschap  zonder  rechtspersoonlijkheid,  was  tot  1995  louter burgerlijk van aard. Sinds de Wet van 15 april 1995 kan de maatschap ook commercieel zijn. De wetgever heeft echter verzuimd om de maatschap te integreren in het handels- en economisch recht. Dit wordt opgelost door vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid een expliciete plaats te geven