FOD Financiën - Coronacrisis en vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen

Geschreven door Lexalert
Foto: Andreas Poike  

Op 23 maart 2020 publiceerde de FOD Financiën een circulaire over de gevolgen van de crisis door het virus Covid-19 voor de toepassing van de vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen.

 I. Inleiding

 1. De uitzonderlijke situatie die werd veroorzaakt door het virus Covid-19 en de maatregelen die in dat verband werden opgelegd door de federale regering, zullen onvermijdelijk nadelige gevolgen hebben voor de liquide middelen en de solvabiliteit van sommige ondernemingen. Daarom lijkt het opportuun om in dat verband de vrijstellingsvoorwaarden van de waardeverminderingen op handelsvorderingen te verduidelijken.

 II. Wettelijke en reglementaire bepalingen

 2. Art. 48, eerste lid, WIB 92.

Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt (1), worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.

(1)                 Art. 22 tot 27, KB/WIB 92

 3. Art. 22, KB/WIB 92.

§ 1. Uit de winst van het krachtens artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, onder de voorwaarden die hierna volgen:

1° de verliezen, ter bestrijding waarvan die waardeverminderingen bestemd zijn, moeten uiteraard als beroepsverliezen aftrekbaar zijn en uitsluitend betrekking hebben op niet in obligaties of andere gelijkaardige effecten op naam of aan toonder of gedematerialiseerde effecten verdeelde vorderingen;

2° die verliezen moeten scherp omschreven zijn en de waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere tijdens het belastbare tijdperk voorgekomen en op het einde daarvan nog bestaande omstandigheden, en niet uit een louter algemeen risico;

3° de waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in één of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen;

4° het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, moet per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld; die staat moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte worden gevoegd.

Volg op 19 maart 2021 van 12:30 uur tot 13:30 uur het online seminar Up-to-date - Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap (MRT 2021) met Roel VAN HEMELEN

III. Algemene principes

 4. Er wordt verwezen naar de richtlijnen in de administratieve commentaar (Com.IB 92) van art. 48, WIB 92, die nog altijd van toepassing zijn na de wijzigingen die werden aangebracht aan de art. 22 en volgende van het KB/WIB 92 en die relevant blijven in het kader van de crisis die werd veroorzaakt door de verspreiding van het virus Covid-19.

 5. Er wordt ook aan herinnerd dat het stelsel van de waardeverminderingen op handelsvorderingen zowel van toepassing is op vennootschappen als op natuurlijke personen die belastbaar zijn op hun winsten zoals bedoeld in art. 23, § 1, WIB 92.   

 6. De waardeverminderingen op handelsvorderingen worden maar fiscaal aanvaard binnen de strikte voorwaarden van de hiervoor aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen en wijken af van het boekhoudrecht.

 7. Er is in het bijzonder vereist dat de handelsvorderingen niet worden vertegenwoordigd door obligaties of andere gelijkaardige effecten (kasbons, certificaten, enz …) op naam of aan toonder of die gedematerialiseerd zijn. De handelseffecten (bv. wissels) zijn toegestaan.

 8. De verliezen moeten scherp omschreven zijn wat hun voorwerp betreft, d.w.z. betrekking hebben op één of meer behoorlijk geïdentificeerde vorderingen.

 De waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het belastbare tijdperk en op het einde daarvan nog bestaan, en niet uit een louter algemeen risico.

 9. De waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in één of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen. De circulaire 2019/C/78 over de vrijgestelde voorzieningen voor risico’s en kosten in geval van een vereenvoudigde boekhouding verduidelijkt die voorwaarde voor de ondernemingen die een vereenvoudigde boekhouding voeren.

 10. De waardeverminderingen moeten opgenomen zijn in een opgave 204.3 waarvan de bijlagen, voor elke vordering afzonderlijk beschouwd, naast de identiteit en het adres van de schuldenaar, de bedragen van de vordering en van de geboekte waardevermindering, evenals de verantwoording (korte maar precieze vermelding van de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan tijdens het boekjaar waardoor het door de waardevermindering gedekte verlies voor waarschijnlijk mag worden gehouden) moeten aangeven. Die opgave moet in principe worden gevoegd bij de aangifte in de inkomstenbelastingen.

►Lees ook: Garantieregeling voor particulieren en bedrijven getroffen door coronacrisis

 IV. Verduidelijkingen in het kader van de situatie die is ontstaan door de verspreiding van het virus Covid-19 en van de maatregelen die door de federale regering zijn genomen om die verspreiding af te remmen

 11. Van de hiervoor aangehaalde principes en voorwaarden, behoudt de voorwaarde dat de waarschijnlijkheid van het verlies op de vordering wel degelijk moet blijken uit bijzondere omstandigheden die zich tijdens het belastbare tijdperk hebben voorgedaan en niet uit een louter algemeen risico, volledig zijn belang (zie nr. 8, tweede lid).

 12. Bijgevolg kan worden bevestigd dat de crisis door het virus Covid-19 een bijzondere omstandigheid is, die de vrijstelling rechtvaardigt van waardeverminderingen op handelsvorderingen op ondernemingen die een achterstand hebben bij de betaling van die vorderingen als rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de maatregelen die door de federale regering werden genomen.

 13. Het spreekt voor zich dat de vennootschappen iedere schuldenaar met solvabiliteitsproblemen zullen moeten identificeren en toelichten in de opgave 204.3 (zie nr. 10). De beoordeling van het verlies op een vordering zal per schuldenaar moeten gebeuren. Er mag evenwel enige soepelheid worden toegepast bij de beoordeling van de inningsmoeilijkheden bij de vennootschap-schuldenares waarvan de omzet aanzienlijk is afgenomen door de beperkende maatregelen die werden opgelegd door de federale regering.