Een vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen wanneer de echtgenoot beroepsactief is binnen een vennootschap: is dit op uw situatie van toepassing?

Geschreven door Mrs. Larissa De Wulf - Carolyn Vanthienen, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: Wyatt Fisher  

Huwelijksvermogensrecht – Wetswijziging van 2018 – De echtgenoot die zijn beroep binnen een vennootschap uitoefent – Vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen – Piercing the corporate veil – Stand van zaken 2020

Echtgenoten die gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel1 zijn onderworpen aan de regel dat de beroepsinkomsten die zij genereren automatisch tot het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten behoren, zelfs als slechts één van de echtgenoten een beroepsinkomen zou hebben. Dit is een essentiële regel van dit regime.

Maar wat als een echtgenoot zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn?

Een voorbeeld: Kan een tandarts, die zijn beroep binnen een vennootschap uitoefent, vrij beslissen om zichzelf geen loon uit te keren (of te weinig uit te keren) om, in plaats daarvan, de inkomsten uit zijn activiteit in zijn eigen vennootschap op te potten? Doet de tandarts dit, dan ontneemt hij beroepsinkomsten van het gemeenschappelijk vermogen.

Aangezien de wetgever hierover (tot voor kort) zweeg, hebben sommige echtgenoten niet nagelaten om hiervan gebruik te maken, bijvoorbeeld in het geval van een naderende echtscheiding. 

Ter gelegenheid van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht in 2018, heeft de wetgever een correctiemechanisme ingevoerd door middel van een nieuwe vergoedingsgrond ten gunste van het gemeenschappelijk vermogen.

Het doel is enerzijds om geen onderscheid meer te maken tussen de uitoefening van het beroep als natuurlijke persoon of in een onderneming, en anderzijds om te zorgen voor een correcte verdeling van de beroepsinkomsten.

Het nieuw artikel 1432 § 2 van het Burgerlijk wetboek voorziet voortaan dat:

De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de nettoberoepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen een vennootschap was uitgeoefend.

Dit vergoedingsmechanisme kan door een echtgenoot worden ingeroepen bij de ontbinding van het huwelijk, ongeacht of het gaat om een ontbinding door overlijden, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, scheiding van gerechtelijke goederen of door invoering van een nieuw huwelijksvermogensstelsel.

Volg het on demand seminarie De meest spraakmakende rulings van 2019 - Welke lessen te trekken voor de toekomst? met Steven VANDEN BERGHE

Aan welke voorwaarden moet worden voldaan?

De echtgenoten zijn gehuwd onder een gemeenschapsstelsel

  1. Eén van de echtgenoten is beroepsmatig actief in een vennootschap

  2. De aandelen van deze vennootschap behoren tot diens eigen vermogen
    Dit houdt in dat hij de aandelen heeft verworden, hetzij voor het huwelijk, hetzij om niet tijdens het huwelijk (door schenking of uit een nalatenschap), hetzij tijdens het huwelijk door wederbelegging van eigen gelden (meer dan de helft van het belegde vermogen moet uit zijn eigen vermogen komen).

Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, moet de echtgeno(o)t(e), die een vergoeding op grond van deze nieuwe vergoedingsgrond eist, aantonen dat het gemeenschappelijk vermogen als gevolg van de uitoefening van het beroep in een vennootschap niet de inkomsten heeft ontvangen die het redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien de echtgeno(o)t(e) zijn beroep niet in een vennootschap had uitgeoefend.

Ons inziens valt de invoering van deze nieuwe vergoedingsgrondslag zeker toe te juichen, maar dit neemt niet weg dat de ingevoerde bepaling in de praktijk aanleiding zal geven tot moeilijkheden. In de doctrine bestaan er immers reeds uiteenlopende opvattingen over de interpretatie en toepassing ervan. Aangezien het een bepaling betreft die zeer recent is ingevoerd, zal het bovendien nog even wachten zijn om te weten welke interpretatie de rechtbanken en hoven zullen hanteren.

Enkele concrete vragen:

Hoe de vergoeding te waarderen? Waarop heeft het gemeenschappelijk vermogen recht?

Op dit ogenblik is er binnen de doctrine geen eenduidig antwoord op deze vraag.

  • Sommige auteurs zijn van mening dat de gemeenschap recht heeft op de netto beroepsinkomsten die binnen de vennootschap werden gegenereerd en die niet naar het gemeenschappelijk vermogen werden overgeheveld, of, op een vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het inkomen dat het gemeenschappelijk vermogen daadwerkelijk heeft ontvangen en het netto-inkomen dat de echtgeno(o)t(e) zou hebben ontvangen als hij hetzelfde beroep als fysieke persoon had uitgeoefend.
  • Anderen zijn van mening dat de gemeenschap recht heeft op de niet-uitgekeerde winsten die in de onderneming zijn opgepot, na aftrek van fiscale en sociale lasten die verschuldigd zouden zijn in geval van uitkering.
    De werkende echtgeno(o)t(e) zou zich dan kunnen onttrekken aan de betaling van een vergoeding als hij of zij bewijst dat het gebrek aan uitkering van (een deel van) de winst verantwoord was op basis van economische motieven, bijvoorbeeld omdat de wettelijke reserve nog niet bereikt was, of omdat de duurzaamheid van de onderneming investeringen rechtvaardigde. Het komt dan aan de rechter toe om te beoordelen of de echtgenoot een correct beheer van zijn vennootschap heeft gevoerd en of bijvoorbeeld het oppoten van de winsten voor investeringen nuttig of noodzakelijk was.
Moet de echtgenoot de intentie hebben gehad om inkomsten aan de gemeenschap te ontnemen? 

De wet schrijft niet voor dat de echtgenoot de intentie moet gehad hebben om inkomsten aan de gemeenschap te onttrekken. 

Hieruit kunnen we afleiden dat een dergelijke wil om inkomsten te ontnemen niet vereist is en dat het recht op vergoeding ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen ontstaat van zodra wordt vastgesteld dat de daadwerkelijk door dat gemeenschappelijk vermogen ontvangen beroepsinkomsten lager zijn dan redelijkerwijs het geval zou zijn geweest indien de echtgeno(o)t(e) hetzelfde beroep als natuurlijke persoon zou hebben uitgeoefend (eerste hypothese) of indien er winst is gereserveerd of kosten zijn gemaakt zonder redelijke rechtvaardiging (tweede hypothese). 

Moet de echtgeno(o)t(e) beslissingsbevoegdheid hebben binnen de vennootschap waarin hij/zij actief is, en moet hij/zij de enige aandeelhouder van de onderneming zijn?

De wet geeft geen duidelijk antwoord op deze vragen.

Sommige auteurs zijn van mening dat de echtgeno(o)t(e) de enige aandeelhouder van de vennootschap moet zijn opdat er sprake kan zijn van een vergoeding op grond van artikel 1432 §2 B.W., anderen zijn van mening dat hij of zij ten minste beslissingsbevoegdheid moet hebben in het bestuur van de onderneming en de toewijzing van de winst. Weer anderen zijn van mening dat het niet uitmaakt of hij/zij een aandeelhouder is die de beslissingen neemt; volgens deze auteurs is het voldoende dat de echtgeno(o)t(e) werknemer of zelfs minderheidsaandeelhouder is.

Gelet op de twee krachtlijnen die de basis leggen voor deze vergoeding, lijkt het ons verdedigbaar om te stellen dat de echtgeno(o)t(e) minstens beslissingsbevoegdheid moet hebben binnen de vennootschap.

Kunnen de echtgenoten de toepassing van dit recht op vergoeding uitsluiten in hun huwelijkscontract? 

Ook hierover zijn de meningen verdeeld. 

Het automatisch toekomen van de beroepsinkomsten in het gemeenschappelijk vermogen en het mechanisme van de vergoedingsrekeningen ten voordele (of ten koste van) het gemeenschappelijk vermogen zijn twee essentiële regels van het gemeenschapsstelsel. Op basis van deze vaststelling is een deel van de doctrine van oordeel dat de echtgenoten het door artikel 1432, § 2 B.W. ingestelde vergoedingsmechanisme niet kunnen uitsluiten.

Een ander deel van de doctrine is van mening dat de echtgenoten de toepassing ervan kunnen aanpassen of zelfs uitsluiten, op voorwaarde dat deze uitsluiting niet algemeen is en betrekking heeft op alle beroepsinkomsten van alle beroepsvennootschappen, en op voorwaarde dat deze uitsluiting niet tot gevolg heeft dat aan het gemeenschappelijk vermogen alle beroepsinkomsten worden ontnomen. 

Kan deze vergoeding worden gevorderd voor andere inkomsten, vruchten of interesten die worden gegenereerd binnen een vennootschap waarvan de aandelen in het bezit zijn van één echtgeno(o)t(e)?

Laten we het voorbeeld nemen van een echtgeno(o)t(e) die eigen aandelen van een maatschap bezit en besluit om de vruchten ervan niet langer te ontvangen. Kan de andere echtgenoot aanspraak maken op een vergoeding ten voordele van het gemeenschappelijk vermogen gelijk aan het bedrag van de niet-ontvangen vruchten (die dus aan het gemeenschappelijk vermogen werden onttrokken)?

De tekst van de wet viseert beroepsinkomsten. Het was de bedoeling van de wetgever om ervoor te zorgen dat de beroepsinkomsten, ongeacht de wijze van uitoefening van het beroep (als natuurlijke persoon of in een vennootschap), zouden terugvloeien naar het gemeenschappelijk vermogen.

Gelet op deze elementen lijkt een analoge toepassing van deze wettelijke bepaling op andere inkomsten dan beroepsinkomsten juridisch niet te rechtvaardigen.

Bovendien vallen inkomsten uit eigen goederen sowieso in het gemeenschappelijk vermogen, zodat een vergoedingsmechanisme niet nodig is.

Kan deze vergoeding worden geëist voor inkomsten die zijn gegenereerd vóór de inwerkingtreding van deze wet, zijnde op 1 september 2018? 

De nieuwe vergoedingsregeling is van toepassing op de aandelen van vennootschappen die aangehouden worden op 1 september 2018.

In de doctrine bestaat echter geen eensgezindheid omtrent de inkomsten waarop de vergoedingsregeling van toepassing is.

  • Sommige auteurs zijn van mening dat, bij gebreke aan specifieke overgangsbepalingen, alle echtgenoten die op 1 september 2018 nog gehuwd zijn, zich op deze nieuwe vergoedingsregeling kunnen beroepen, ook al viseert de vergoeding beroepsinkomsten die vóór deze datum via de vennootschap werden verworven.

    Volgens deze visie kan de beroepsactieve echtgeno(o)t(e) dus gehouden worden tot vergoeding van alle beroepsinkomsten die hij/zij sinds aanvang van het huwelijk (of sinds de oprichting van de beroepsvennootschap, indien deze tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden) van zijn vennootschap heeft ontvangen en in zijn vennootschap heeft opgepot, of in die vennootschap opnieuw heeft geïnvesteerd.
  • Andere rechtsgeleerden - een meerderheid - zijn van oordeel dat wanneer de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de vergoeding zich vóór 1 september 2018 voordoet, er op grond van het nieuwe artikel 1432 § 2 B.W. geen vergoeding verschuldigd kan zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de beslissing om inkomsten op te potten teruggaat tot vóór 1 september 2018.

Gelet op de onenigheid en de verschillende interpretaties die binnen de rechtsleer bestaan aangaande de voorwaarden voor de toepassing van deze nieuwe vergoedingsregeling, besluiten wij dat het nuttig is om in het huwelijkscontract een specifieke regeling op te nemen aangaande deze vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen, dit uiteraard steeds binnen de grenzen van de bindende wettelijke bepalingen.