Definities in het WVV: enkele afgegrensde beschouwingen

Geschreven door Joeri Vananroye, Corporate Finance Lab, corporatefinancelab.org
Foto: Bill Ohl
 

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét:

Art. 1:1. Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Art. 1:2. Een vereniging wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.

Deze definities worden in de rechtspraktijk niet gebruikt om een organisatie te kwalificeren, toch niet bij organisaties met rechtspersoonlijkheid. Rechtspersoonlijkheid wordt immers enkel verkregen mits er door bepaalde formele hoepels wordt gesprongen: een formele oprichtingsakte, een neerlegging ter griffie, een publicatie in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad. Een rechtspersoon dient zich daarom altijd met een bepaalde kwalificatie op het voorhoofd, zodat een kwalificatie aan de hand van materiële criteria zich niet aandient.

De materiële criteria in de geciteerde definities uit het WVV worden gebruikt om een organisatie geldigheidsvoorwaarden op te leggen (er moet een inbreng zijn, er moeten meerdere leden zijn), om de wettelijke specialiteit te beperken (er moet een belangeloos doel zijn) of om andere beperkingen aan de organen op te leggen. De laatste zin van de definitie van vereniging expliciteert zelfs zeer expliciet een sanctie (“Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.”)

Niemand stelt ooit de vraag of een bepaalde organisatie al dan niet gekwalificeerd kan worden als een NV. Wel kan de vraag rijzen of een organisatie die is opgericht als NV geldig werd opgericht en of de rechtshandelingen van die NV strijdig zijn met de regels die op deze vorm van toepassing zijn.

Deze legistieke techniek, waarbij de definitie op zich normatieve elementen (geboden, verboden, voorwaarden, …) bevat, gaat overigens in tegen één van de best practices die keer op keer gegeven worden (zie bv. hier) voor het opstellen van contracten: zet nooit verplichtingen, voorwaarden of waarborgen in een definitie.

 

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét:

Art. 1:1. Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Art. 1:2. Een vereniging wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.

Deze definities worden in de rechtspraktijk niet gebruikt om een organisatie te kwalificeren, toch niet bij organisaties met rechtspersoonlijkheid. Rechtspersoonlijkheid wordt immers enkel verkregen mits er door bepaalde formele hoepels wordt gesprongen: een formele oprichtingsakte, een neerlegging ter griffie, een publicatie in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad. Een rechtspersoon dient zich daarom altijd met een bepaalde kwalificatie op het voorhoofd, zodat een kwalificatie aan de hand van materiële criteria zich niet aandient.

De materiële criteria in de geciteerde definities uit het WVV worden gebruikt om een organisatie geldigheidsvoorwaarden op te leggen (er moet een inbreng zijn, er moeten meerdere leden zijn), om de wettelijke specialiteit te beperken (er moet een belangeloos doel zijn) of om andere beperkingen aan de organen op te leggen. De laatste zin van de definitie van vereniging expliciteert zelfs zeer expliciet een sanctie (“Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.”)

Niemand stelt ooit de vraag of een bepaalde organisatie al dan niet gekwalificeerd kan worden als een NV. Wel kan de vraag rijzen of een organisatie die is opgericht als NV geldig werd opgericht en of de rechtshandelingen van die NV strijdig zijn met de regels die op deze vorm van toepassing zijn.

Deze legistieke techniek, waarbij de definitie op zich normatieve elementen (geboden, verboden, voorwaarden, …) bevat, gaat overigens in tegen één van de best practices die keer op keer gegeven worden (zie bv. hier) voor het opstellen van contracten: zet nooit verplichtingen, voorwaarden of waarborgen in een definitie.

3.

Van de definitie van de vennootschap kan overigens worden afgevraagd wat de normatieve waarde is van de meeste van de elementen die worden opgesomd. Zo is de afwezigheid van een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel als doel geen nietigheidheidsgrond in BV (art. 5:13), CV (art. 6:14) of NV (art. 7:15). Het zou misschien een dwingende regel kunnen zijn die strijdige bepalingen in de statuten aan de kant schuift? Misschien een norm om concrete verrichtingen van de vennootschap te toetsen?

Deze onduidelijk geeft aan dat het ook in wetgeving geen goed idee is om normatieve of pseudo-normatieve bepalingen in een definitie te stoppen.

Volg het on demand seminarie Overdracht van accountants- en boekhoudkantoren anno 2019-2020 met Jo DECOUTERE
 

1.

Een definitie in het recht heeft meestal als functie het toepassingsgebied van een regel af te grenzen. Indien een bepaalde feitenconstellatie onder de definitie valt, wordt er een kwalificatie opgeplakt met bepaalde rechtsgevolgen als consequentie. Roekeloos rijgedrag, wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige daad met als gevolg een schadevergoedingsplicht voor schade veroorzaakt door dat gedrag. Wie als natuurlijke persoon zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, wordt gekwalificeerd als onderneming met een inschrijvingsplicht in het KBO of een boekhoudplicht als gevolg. 

2.

De definities van een vennootschap of vereniging in het WVV hebben deze gebruikelijke functie niét:

Art. 1:1. Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Art. 1:2. Een vereniging wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, leden genaamd. Zij streeft een belangeloos doel na in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.

Deze definities worden in de rechtspraktijk niet gebruikt om een organisatie te kwalificeren, toch niet bij organisaties met rechtspersoonlijkheid. Rechtspersoonlijkheid wordt immers enkel verkregen mits er door bepaalde formele hoepels wordt gesprongen: een formele oprichtingsakte, een neerlegging ter griffie, een publicatie in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad. Een rechtspersoon dient zich daarom altijd met een bepaalde kwalificatie op het voorhoofd, zodat een kwalificatie aan de hand van materiële criteria zich niet aandient.

De materiële criteria in de geciteerde definities uit het WVV worden gebruikt om een organisatie geldigheidsvoorwaarden op te leggen (er moet een inbreng zijn, er moeten meerdere leden zijn), om de wettelijke specialiteit te beperken (er moet een belangeloos doel zijn) of om andere beperkingen aan de organen op te leggen. De laatste zin van de definitie van vereniging expliciteert zelfs zeer expliciet een sanctie (“Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.”)

Niemand stelt ooit de vraag of een bepaalde organisatie al dan niet gekwalificeerd kan worden als een NV. Wel kan de vraag rijzen of een organisatie die is opgericht als NV geldig werd opgericht en of de rechtshandelingen van die NV strijdig zijn met de regels die op deze vorm van toepassing zijn.

Deze legistieke techniek, waarbij de definitie op zich normatieve elementen (geboden, verboden, voorwaarden, …) bevat, gaat overigens in tegen één van de best practices die keer op keer gegeven worden (zie bv. hier) voor het opstellen van contracten: zet nooit verplichtingen, voorwaarden of waarborgen in een definitie.

3.

Van de definitie van de vennootschap kan overigens worden afgevraagd wat de normatieve waarde is van de meeste van de elementen die worden opgesomd. Zo is de afwezigheid van een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel als doel geen nietigheidheidsgrond in BV (art. 5:13), CV (art. 6:14) of NV (art. 7:15). Het zou misschien een dwingende regel kunnen zijn die strijdige bepalingen in de statuten aan de kant schuift? Misschien een norm om concrete verrichtingen van de vennootschap te toetsen?

Deze onduidelijk geeft aan dat het ook in wetgeving geen goed idee is om normatieve of pseudo-normatieve bepalingen in een definitie te stoppen.

4.

Duidelijk geen normatieve waarde hebben de definities van BV en NV:

Art. 5:1. De besloten vennootschap is een vennootschap zonder kapitaal waarin de aandeelhouders slechts hun inbreng verbinden.

Art. 7.1. De naamloze vennootschap is een vennootschap met een kapitaal en waarin de aandeelhouders slechts hun inbreng verbinden.

Het “zonder kapitaal” of “met een kapitaal” is niet meer dan een pedagogische verwijzing naar andere regels, waarbij “kapitaal” zelf overigens nergens wordt gedefinieerd.

Strikt genomen valt een CV ook onder de definitie van een BV.  Misschien is dit een gevolg van de oorspronkelijke optie van het ontwerp-WVV om de CV eerder als een mutant van de BV te reguleren?

De eigen definitie van de CV daarentegen heeft duidelijk wel normatieve ambities, als is het verwarrend dat de “ought” ook hier als een “is” wordt geschreven :

Art. 6:1. § 1. De coöperatieve vennootschap heeft tot voornaamste doel aan de behoeften van haar aandeelhouders dan wel derde belanghebbende partijen te voldoen en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen, onder meer door met hen overeenkomsten te sluiten over de levering van goederen, de verrichting van diensten of de uitvoering van werken in het kader van de activiteit die de coöperatieve vennootschap uitoefent of laat uitoefenen. De coöperatieve vennootschap kan tevens tot doel hebben aan de behoeften van haar aandeelhouders of haar moedervennootschappen en hun aandeelhouders dan wel hun derde belanghebbende partijen te voldoen, al dan niet via de tussenkomst van dochtervennootschappen. Zij kan tevens tot doel hebben hun economische en/of sociale activiteiten te bevorderen middels een deelneming in één of meer andere vennootschappen.
  De hoedanigheid van aandeelhouder kan zonder statutenwijziging worden verkregen en de aandeelhouders kunnen, binnen de door de statuten bepaalde grenzen, ten laste van het vennootschapsvermogen uittreden of uit de vennootschap worden uitgesloten.

Wat die normatieve waarde precies is, is dan weer een andere vraag. Ook na herhaalde lectuur gaat niet plots het licht aan bij de lezer. Zie eerder de discussie over deze vraag hier.

4.

Er is één vennootschapsvorm waar de kwalificatievraag zich in de praktijk wél stelt: de maatschap zonder rechtspersoonlijkheid. Een maatschap kan immers vormvrij worden opgericht. Het informele karakter van een maatschap betekent ook dat een rechter het maatschapslabel kan kleven op een samenwerkingsverband dat de partijen onbenoemd hebben gelaten of dat zelfs louter feitelijk is gegroeid (société de fait). De maatschap is de vennootschap van gemeen recht: d.i. het label dat op een vennootschap wordt gekleefd indien andere vennootschapsvormen niet van toepassing zijn. De vraag rijst dan welke materiële criteria een rechter kan gebruiken om te besluiten dat een samenwerkingsvorm een maatschap is.

Elders hebben we betoogd dat het daarbij niet zozeer relevant of er een maatschap is, wel wat het voorwerp van die maatschap is (J. Vananroye en R. Foriers, “Een juridische zombie: de maatschap als kwalificatie voor een onbenoemde of feitelijke samenwerking”, TRV 2015, 762 e.v.). De kwalificatievraag wordt door (zelfverklaarde) vennoten meestal opgeworpen om een stuk van de going concern-waarde van een onderneming te claimen. Uit de rechtspraak blijkt immers dat een scheidende vennoot enkel recht heeft op een stuk van de going concern-waarde indien er een gemeenschappelijk onderneming is, d.w.z. (i) er is een onderneming en (ii) die onderneming is gemeenschappelijk tussen de maten. In de gevallen waarin een scheidende maat recht heeft op de going concern-waarde duidt dit erop dat de waarde van de onderneming als feitelijke algemeenheid “mede-eigendom” is tussen de maten. Met “onderneming” (of handelszaak) bedoelen we hier het geheel van goederen dat wordt bestemd voor een concrete economische activiteit. Het hoeft niet te verbazen dat in de praktijk geschillen hierover enkel bij het einde naar boven komen. Elk intensief samenwerkingsverband heeft immers een groot “love it or leave it”-gehalte: fundamentele geschilpunten komen als juridische twistpunten enkel bij de afwikkeling ervan naar boven, al was het maar omdat ze deze afwikkeling veroorzaken (in veel systemen is dit zelfs een juridische regel, zie S. Levmore, “Love it or leave it: property rules, liability rules and exclusivity of remedies in partnership and marriage”, Law and contemporary problems, 1995, 221 e.v.). In dat opzicht is de maatschap als kwalificatie voor een feitelijk samenwerkingsverband een zombie: de kwalificatie wordt maar tot leven geroepen om haar juridische taak te vervullen indien de samenwerking dood en begraven is.

De definitie van de maatschap in het WVV biedt weinig houvast voor deze kwalificatieoefening:

 

Art. 4:1 al 1. De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordeel dat daaruit kan ontstaan, met elkaar te delen. Zij wordt in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.

Zie overigens opnieuw de ambiguïteit van de laatste zin: is dit een voorwaarde om als maatschap te worden gekwalificeerd of een rechtsgevolg van de kwalificatie als maatschap. Zet nooit verplichtingen, voorwaarden of waarborgen in een definitie.

Twee elementen worden gedeeld tussen de maten bij een onderneming die “eigendom” is van de maatschap: het economisch risico (winst en verlies, waardevermeerdering en waardevermindering) en de zeggingschap. Indien het economisch risico en de zeggingschap exclusief bij één persoon ligt is er geen “mede-eigendom” van de onderneming (al kan er wel een maatschap zijn met een ander voorwerp, zoals een kostenassociatie). Indien het economisch risico en de zeggingschap tussen meerdere personen wordt gedeeld, is de onderneming zelf het voorwerp van een maatschap tussen die personen. Zie ook de definitie in het VK van een partnership in Section 1(1) van de Partnership Act 1890: “the relation which subsists between persons carrying on a business in common with a view of profit”.

Het economisch risico stond duidelijker voorop bij het winstoogmerk zoals gedefinieerd in oud art. 1832 Code civil:

La société est un contrat par lequel deux ou plusieurs personnes conviennent de mettre quelque chose en commun dans la vue de partager le bénefice qui pourra en résulter.

De inbreng duidt op het delen van het risico van een downside, het delen in de winst op een kans op het delen in de upside van de onderneming. Beide elementen zitten ook in de actuele definitie, maar dit “winstoogmerk” is minder geformuleerd als een kwalificatiecriterium maar als normatieve regel. Dat komt omdat art. 1832 BW (in de loop van de 19de van een louter maatschapsregel ook een regel van gemeen recht werd. Zowel art. 1:1 als 4:1 zijn de erfgenamen van art. 1832 BW én van de latere traditie om hier “constitutieve elementen” in te lezen.

Een te overwegen legistieke techniek is misschien die van Section 2 van de Partnership Act 1890, waarbij een uitgebreide lijst van criteria wordt gegeven voor de kwalificatie van een maatschap.

►Lees ook: Bestuurders, verkijk u niet op de beperking van aansprakelijkheid!

5.

Eigenaardig is ook de verhouding tussen de algemene definitie van “vennootschap” en de definitie van “maatschap” (die overigens ook van toepassing is op de VOF en CommV op grond van verwijzingsbepaling 4:23). We zetten de definities opnieuw even naast mekaar:

Art. 1:1. Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.

Art. 4:1 al 1. De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het rechtstreekse of onrechtstreekse vermogensvoordeel dat daaruit kan ontstaan, met elkaar te delen. Zij wordt in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.

Waar de definities van andere vennootschappen duidelijk voortbouwen op de algemene definitie en daarbinnen deelverzamelingen uithouwen, gaat de maatschapsdefinitie in concurrentie met de algemene definitie.  Indien u overtuigd zou zijn daar daar heel diep over is nagedacht, zou u er intrigerende a contrario-redeneringen uit kunnen halen:

  • Is een “inbreng doen” iets anders dan “zich verbinden een inbreng in gemeenschap te brengen”?;
  • Is het doel van de vennootschap iets anders dan het oogmerk van de maatschap?;
  • In de maatschap is uitkeren “één van de doelen”, terwijl het in een maatschap hét oogmerk is;
  • Is een vermogensvoordeel “verdelen of bezorgen” iets anders dan dit vermogensvoordeel “met elkaar te delen”;
  • Betekent de plaatsing van “[De vennootschap] wordt in het gemeenschappelijke belang van de partijen aangegaan” in Boek 4, dat deze regel niet geldt voor de andere vennootschapsvormen?

Wellicht wil niemand aan deze verschillen al te grote waarde hechten. Wat de vraag doet rijzen wat de toegevoegde waarde is van de maatschapsdefinitie.

De wetgever had veel eenvoudigere definities kunnen bedenken voor Boek 4:

  • Een vennootschap die niet wordt opgericht als een rechtspersoon overeenkomstig dit wetboek of een andere wet, is een maatschap. De maatschap heeft minstens twee vennoten.” (Van deze definitie zouden dan wel de VOF en CommV moeten worden uitgesloten). of 
  • De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meerdere personen een vennootschap aangaan.” (Deze definitie zou ook van toepassing kunnen zijn op VOF en CommV).

Beter nog ware dat de wetgever zou afkicken van de aangeleerde behoefte aan definities van vennootschapsvormen. Men kan volstaan met regels inzake geldigheid en specialiteit, én bruikbare kwalificatiecriteria voor de maatschap.

De les voor het draften van contracten, statuten of reglementen voor gebruik in eigen huis-, tuin- en keuken is intussen: zet nooit verplichtingen, voorwaarden of waarborgen in een definitie.