Decreet betreffende de omgevingsvergunning

Geschreven door Lexalert
Foto: gambier20  

In het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2014 werd het decreet betreffende de omgevingsvergunning gepubliceerd. De invoering van de omgevingsvergunning is een grondige hervorming van het vergunningenlandschap voor de ondernemers. Ondernemers die industriële of ambachtelijke activiteiten willen starten, zullen niet langer alle stappen voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning moeten doorlopen, één procedure tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning volstaat.

Hierdoor kan niet alleen heel wat tijd en kosten bespaard worden maar kunnen ook tegenstrijdige adviezen en beslissingen vermeden worden.

De invoering van de omgevingsvergunning beperkt zich niet alleen tot het samenvoegen van de stedenbouwkundige en milieuvergunningsprocedure, de procedures werden ook grondig geëvalueerd en waar mogelijk vereenvoudigd en vernieuwd.

Deze oefening resulteert in twee vergunningsprocedures, een gewone vergunningsprocedure en een vereenvoudigde vergunningsprocedure en één meldingsprocedure.

De time-to-permit voor vergunningsaanvraag die volgens de gewone vergunningsprocedure wordt behandeld, zal tussen 105 en 120 dagen liggen (te rekenen vanaf de beslissing over de ontvankelijkheid).

Latere beperkte wijzigingen zullen via een eenvoudige procedure vergund kunnen worden met een doorlooptijd van maximaal 60 dagen (te rekenen vanaf de beslissing over de ontvankelijkheid). Deze korte procedure geldt onder meer ook voor tijdelijke activiteiten.

Tijdswinst wordt ook beoogd door de integratie van de MER en VR goedkeuringsprocedure in de omgevingsvergunningsprocedure.

De omgevingsvergunning krijgt net als de stedenbouwkundige vergunning een permanent karakter. Hierdoor verdwijnt het 20-jaarlijks hervergunningssysteem van het Milieuvergunningsdecreet en wordt niet alleen meer rechtszekerheid geboden maar ook een kostenbesparing voor de ondernemer die geen hervergunningsaanvraag meer moet indienen. Voor enkele uitzonderlijke gevallen kan de vergunning voor een beperkte termijn worden verleend. Als tegenpool voor het permanent karakter van de vergunning, wordt de exploitatie aan periodieke en ad hoc evaluaties onderworpen. En kan de vergunning voor zover nodig bijgesteld worden.

Vernieuwend is de mogelijkheid voor de vergunningverlenende overheid om een administratieve lus toe te passen om onregelmatigheden die tijdens de procedure werden begaan, recht te zetten. De aanvrager zal na het openbaar onderzoek ook nog bepaalde wijzigingen aan zijn aanvraag kunnen aanbrengen. Voormelde mogelijkheden die met de nodige omzichtigheid moeten worden aangewend, zullen ook resulteren in tijdswinst en kostenbesparing.

Om tegemoet te komen aan nieuwe noden wordt ook een vergunningsplicht ingevoerd voor mobiele en verplaatsbare inrichtingen of activiteiten.

Ondernemers worden ook aangespoord om vooraleer een vergunningsaanvraag in te dienen een vooroverleg te vragen bij de bevoegde overheid. Een goed voorbereide aanvraag heeft immers een grotere kans op slagen. Dit kan zowel op formele als informele wijze.

De invoering van de omgevingsvergunning zal gepaard gaan met een doorgedreven digitalisering van de procedures. Wat zowel voor de indieners van vergunningsaanvragen als de behandelende overheden opnieuw alleen maar voordelen zal opleveren.

Andere interessante artikels: Besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning

1. Geïntegreerde vergunningverlening.

De vergunningverlening  voor de stedenbouwkundige  handelingen en verkavelingen en voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen in toepassing van respectievelijk de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) en het Milieuvergunningsdecreet wordt geïntegreerd in het Omgevingsvergunningsdecreet.  Het decreet integreert bovendien de behandeling en beoordeling van een milieueffectrapport en een omgevingsveiligheidsrapport in de nieuwe vergunningsprocedure.

Aan deze integratie zijn belangrijke voordelen verbonden.

1.1. Tijdswinst.

Integratie maakt het mogelijk dat een ondernemer op basis van één vergunningsaanvraag, één openbaar onderzoek en één adviesronde één vergunning bekomt die toelating geeft zowel een stedenbouwkundige handeling uit te voeren als een ingedeelde inrichting te exploiteren. Het laten wegvallen van de verschillende procedures kan voor de realisatie van complexe projecten een substantiële tijdswinst opleveren.

De VCRO en het Milieuvergunningsdecreet voorzagen niet altijd in een sanctie bij het overschrijden van de proceduretermijnen. Dat heeft in het verleden al geleid tot aanzienlijke vertraging en financiële consequenties voor de aanvrager van de vergunning.

Om  de  beoogde  tijdswinst  te  verzekeren,  voert  het  decreet  beperkte proceduretermijnen  in. Vervolgens bakent het decreet per procedurefase de termijn af en sanctioneert de overschrijding ervan. De adviesinstantie die niet binnen de vastgestelde adviestermijn advies uitbrengt doet immers blijken geen bezwaren te hebben tegen het aangevraagde project. Voor wat betreft de beslissingstermijnen is de voorziene sanctie afhankelijk van de aanleg waarin het dossier wordt beslist. Als in eerste administratieve aanleg binnen de voorziene termijn geen beslissing is genomen, heeft dat tot gevolg dat de vergunning is geweigerd. Als in tweede administratieve  aanleg  geen  beslissing  is  genomen,  heeft  dat  tot  gevolg  dat  het beroep is afgewezen en herleeft de beslissing uit eerste administratieve aanleg.

Vervaltermijnen scheppen een duidelijk beeld. De ondernemers zijn zeker dat hun aanvraag binnen de korte voorziene termijnen zal zijn afgewikkeld.

Uit een vergelijk van de voorliggende regeling met deze gehanteerd in de lidstaten Nederland, Wales, England en Frankrijk, uitgevoerd in het kader van de opmaak van de reguleringsimpactanalyse  (RIA), blijkt dat Vlaanderen  zijn koploperspositie  voor wat betreft de time-to-permit., i.e. de periode tussen het indienen van de aanvraag en de uiteindelijke beslissingsaanvraag, verstevigt.

De onderstaande tabel wil een overzicht geven van de in het Omgevingsvergunningsdecreet  vooropgestelde beslissingstermijnen.  Voor een goed begrip  de  termijnen  in  eerste  administratieve  aanleg  vangen  steeds  aan  uiterlijk dertig   dagen   te   rekenen   vanaf   de   eerste   dag   na   het   indienen   van   de vergunningsaanvraag, terwijl zij in beroep steeds aanvangen uiterlijk dertig dagen na de datum waarop het laatste beroep is ingediend.

Bevoegde overheid

Gewone vergunningsprocedure

Vereenvoudigde vergunningsprocedure

 Beroepsprocedure

College van Burgemeester en Schepenen

105* (verlengbaar met 60)**

120 (verlengbaar  met

60 )**

 60

 

Deputatie

105*(verlengbaar  met

60)**

120 (verlengbaar  met

60 )**

 60

60*** of 120 (verlengbaar    met

30)**

Vlaamse

Regering

105 (verlengbaar  met

60)**

120 (verlengbaar  met

60 )

 60

60*** of 120 (verlengbaar    met

30)**

* ingeval geen advies van een omgevingsvergunningscommissie;
** verlenging enkel ingeval van nieuw openbaar onderzoek of administratieve lus of beslissing door de gemeenteraad over de aanleg van wegen;
*** ingeval van beroep tegen een beslissing overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure.

1.2. Integrale beoordeling.

Geïntegreerde vergunningverlening  laat een volwaardige geïntegreerde beoordeling toe van zowel de milieutechnische  als de stedenbouwkundige  aspecten verbonden aan de realisatie van een project. Zaken die inhoudelijk samenhangen in hun geheel bekijken   is   efficiënter   en   leidt   tot   betere   beslissingen   en   kwalitatief   betere vergunningen dan aparte besluitvormingsprocessen.

1.3. Reductie administratieve lasten.

Een geïntegreerde vergunningsprocedure houdt voor de vergunningsaanvrager een substantiële reductie van de administratieve lasten in. Zo zal deze slechts één geïntegreerd  aanvraagdossier  moeten  laten  opmaken  in  plaats  van  twee onderscheiden aanvraagdossiers.

1.4. Voorkomen van tegenstrijdige beslissingen.

Door een geïntegreerde vergunningverlening wordt het risico op tegenstrijdige beslissingen vermeden. De overheid zal zich in de toekomst met één stem uitspreken over de toelaatbaarheid  van zowel de milieu- als de stedenbouwkundige  aspecten van een project. Dit komt de rechtszekerheid alleen maar ten goede.

1.5. Juridische problemen ingevolge koppeling milieu- en bouwvergunning komen te vervallen.

Overeenkomstig artikel 4.5.1 van de VCRO en artikel 5, §1, van het Milieuvergunningsdecreet zijn de stedenbouwkundige en de milieuvergunning aan elkaar gekoppeld wat betreft hun uitvoerbaarheid. De koppeling tussen beide vergunningen  betekent dat de stedenbouwkundige  vergunning  wordt geschorst en

dus niet uitvoerbaar is zolang de milieuvergunning niet is verleend. Omgekeerd mag de milieuvergunning  niet worden  benut zolang de stedenbouwkundige  vergunning niet is toegekend. Indien de milieuvergunning wordt geweigerd, vervalt de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege op de dag van de weigering van de milieuvergunning in laatste administratieve aanleg, en vice versa.

In de praktijk was deze koppeling oorzaak van tal van juridische procedures met als inzet het al dan niet verval van de vergunningen.

Een geïntegreerde procedure moet een einde maken aan deze juridische problemen.

2. Omgevingsvergunning van onbepaalde duur.

Het decreet laat toe dat de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten voor onbepaalde duur geldig is. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsvergunning van bepaalde duur worden verleend. Deze gevallen worden op limitatieve wijze opgesomd in het decreet.

De omgevingsvergunning van onbepaalde duur levert een aantal voordelen op.

2.1. Economisch voordeel.

De kostprijs voor het opstellen en indienen van een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een modale ingedeelde inrichting bedraagt al gauw 4.000 euro. Bij een permanente vergunning komen deze kosten te vervallen.

2.2. Grotere rechtszekerheid.

De onzekerheid  die de exploitant  ervaart met een vergunning  van bepaalde  duur komt vooral tot uiting bij de verandering van een bedrijf. De bestaande regelgeving laat in principe niet toe om voor veranderingen aan een inrichting een vergunning te verlenen  voor  een  langere  termijn  dan  deze  die  samenvalt  met  de  einddatum vermeld in de basisvergunning. Hierdoor hebben exploitanten geen zekerheid dat zij de voor de verandering gemaakte investeringskosten na het verstrijken van de vergunningstermijn nog kunnen recupereren.

Bij een omgevingsvergunning van onbepaalde duur moet de vergunninghouder of exploitant voor het uitvoeren van bedrijfsinvesteringen niet systematisch rekening houden met de eindigheid van zijn vergunning.

2.3. Waarborgen voor de bescherming van de mens en het leefmilieu.

De introductie van de permanente omgevingsvergunning  mag er niet toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de mens en het leefmilieu. Verder moet de inspraak van de bevolking over de exploitatie gewaarborgd kunnen blijven. Om dit te garanderen is voorzien dat de invoering van de permanente vergunning gepaard zal gaan met een aantal flankerende maatregelen.

Ten eerste wordt de exploitatie aan evaluaties onderworpen, met name:

  • de specifieke evaluatie, te organiseren naar aanleiding van nieuwe BBT’s, BBT- conclusies en actie- en uitvoeringsplannen van de Vlaamse Regering voor wat betreft de noodzaak tot het bijstellen van de opgelegde milieuvoorwaarden;
  • de  integrale  periodieke  evaluatie  voorbehouden   voor  bedrijven  met  GPBV- installaties die onder de toepassing van de IED-richtlijn vallen, voor wat betreft de noodzaak tot het bijstellen van de milieuvoorwaarden.

Ten tweede wordt op het einde van elke exploitatieperiode van 20 jaar het betrokken publiek, de leidend ambtenaar van de adviesinstanties en de bevoegde vergunningverlenende overheid de kans gegeven hun gemotiveerde opmerkingen te formuleren over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Deze opmerkingen hebben tot gevolg dat er een procedure voor de vergunningverlenende overheid wordt opgestart over het bijstellen van de omgevingsvergunning. Deze procedure kan leiden tot een wijziging van de milieuvoorwaarden, het beperken van het voorwerp of het beperken van de duur van de exploitatie. Het beperken van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning zal nochtans niet in alle omstandigheden kunnen gebeuren. Pas als blijkt dat het risico of de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt door het bijstellen van de milieuvoorwaarden  kan  aan  het  voorwerp  van  de  omgevingsvergunning  worden geraakt. Zo ook zal de duur van de vergunning alleen kunnen worden beperkt als de exploitatie niet verder verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming. In dat geval zal de resterende  duur niet minder dan zeven jaar mogen zijn . Dit laat toe dat een inrichting kan wordt geherlokaliseerd of een sanering wordt doorgevoerd.

3.    Overleg en administratieve lus.

Het decreet maakt facultatief vooroverleg over het project tussen de initiatiefnemer van het project en de overheid mogelijk. Met dit vooroverleg wil de overheid vóór aanvang van de formele vergunningsprocedure aan de initiatiefnemer duidelijkheid verschaffen over de haalbaarheid van het project. Dit laat toe dat de initiatiefnemer vóór aanvang van de vergunningsprocedure het project nog fundamenteel bijstuurt in functie van de vigerende regelgeving. Hierdoor zullen de slaagkansen van het project tijdens de vergunningsprocedures toenemen.

Het decreet maakt het ook mogelijk dat de bevoegde overheid al dan niet op vraag van de initiatiefnemer derde belanghebbenden uitnodigt op de projectvergadering.

Er  wordt   een   administratieve   lus  ingesteld.   Het   is  de   vergunningsaanvrager toegestaan om na het openbaar onderzoek of tijdens de administratieve beroepsprocedure nog wijzigingen aan de vergunningsaanvraag aan te brengen. Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag die tegemoet komen aan de opmerkingen van de adviesinstanties of van de omwonenden, die niet leiden tot een verminderde bescherming  van  het  leefmilieu  en  de  mens  en  de  rechten  van  derden  niet onevenredig benadelen, moeten niet opnieuw aan het openbaar onderzoek worden onderworpen. Andere wijzigingen uiteraard wel. In zoverre een nieuw openbaar onderzoek plaatsvindt, wordt de beslissingstermijn automatisch verlengd.

Als de in eerste of laatste administratieve aanleg bevoegde vergunningverlenende overheid vaststelt dat er procedurefouten zijn gemaakt, kan zij deze verhelpen, tenzij derde belanghebbenden daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.

4. Kwalitatieve vergunningverlening.

Het   inschakelen   van   milieuvergunningscommissies   in   de milieuvergunningsprocedure heeft bijgedragen tot een kwaliteitsvollere vergunningverlening.  Het decreet wil deze manier van werken bestendigen door de advisering van complexe en omvangrijke projecten via provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies  te laten verlopen. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd te bepalen welke projecten aan het advies van de omgevingsvergunningscommissies   worden  onderworpen.  Daarbij  zal  rekening worden gehouden met de bestuurlijke capaciteit van de gemeenten.

5. Administratieve vereenvoudiging.

5.1 Beperking van het aantal vergunningsprocedures.

Overeenkomstig het VCRO, het Milieuvergunningsdecreet en het Vlarem verloopt de vergunningverlening op basis van meerdere onderscheiden procedures. Het Omgevingsvergunningsdecreet   reduceert   het   aantal   vergunningsprocedures   tot twee, met name een ‘gewone vergunningsprocedure’ en een ‘vereenvoudigde vergunningsprocedure’.

De  gewone  vergunningsprocedure  omvat  een  openbaar  onderzoek,  de vereenvoudigde  vergunningsprocedure  niet.  Maatwerk  vereist  dat  minder omvangrijke projecten met weinig impact op de naaste omgeving, projecten van zeer tijdelijke aard en ook beperkte uitbreidingen van reeds vergunde projecten met een eenvoudiger dossiersamenstelling en na een minder omvangrijke toetsing van de toelaatbaarheid  (o.a. zonder openbaar onderzoek) kunnen worden vergund binnen een korter tijdsbestek. Dergelijke projecten zullen in de toekomst worden vergund via de ‘vereenvoudigde vergunningsprocedure’.

Het beperkt aantal procedures verhoogt de transparantie van de regelgeving. Volledigheidshalve  het  decreet  bevat  ook  een  meldingsprocedure  voor  de  louter meldingsplichtige   projecten.   Het  decreet  zal  ook  geen  afbreuk  doen  aan  de vrijstelling van vergunningsplicht voor bepaalde projecten.

5.2. Gecoördineerde vergunning.

Het decreet voert de gecoördineerde  omgevingsvergunning  in voor wat betreft het luik   exploitatie   van   ingedeelde   inrichtingen   of   activiteiten.   Hierdoor   heeft   de begunstigde van de vergunning steeds één vergunning waaruit de actuele vergunningssituatie voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit blijkt. Een  gecoördineerde  vergunning  biedt  transparantie  over  de  vergunningstoestand voor zowel de vergunningsaanvrager als de vergunningverlenende overheid en de toezichthouders.

Inwerkingtreding

Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum. Deze datum valt minstens een jaar na de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering waarmee de datum van inwerkingtreding wordt vastgelegd.

Lees de volledige tekst: Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning