De bijzondere begroting van de bijzondere bestuursaansprakelijkheid voor RSZ-schulden

Geschreven door Roel Verheyden, Corporate Finance Lab, www.corporatefinancelab.org
Foto: andrechinn  

Aansprakelijkheid kan worden gereduceerd tot 1 EUR (Cass. 18 juni 2020, C.19.0258.N)

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de RSZ-schulden in hoofde van een bestuurder van een failliete onderneming die in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring (feitelijk) bestuurder is geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen met openstaande RSZ-schulden (huidig art. XX.226 WER) zorgt al enige tijd voor controverse. Uit het recente aanbod van het Hof van Cassatie omtrent de invulling van die – in vergelijking met naburige rechtsstelsels – ongewone aansprakelijkheidsgrond konden we alvast thema’s selecteren, met een recent arrest van vorige maand als  blikvangen:

Volg op 24 augustus 2020 van 12 uur tot 14 uur het online seminar Eén jaar WVV: stand van zaken, praktische knelpunten en blijvende vragen met Christophe DE BACKERE

“WANNEER VANDAAG PLOTS EERDER BLIJKT PLAATS TE VINDEN”

De uitspraak die het meeste controverse opwekte, is degene waarin het Hof van Cassatie te kennen gaf dat een bestuurder ook hoofdelijk aansprakelijk is indien het tweede en het derde faillissement van de onderneming op dezelfde dag worden uitgesproken.[1] Eerder wezen we er al op dat die interpretatie verregaande gevolgen kan hebben voor personen die verschillende bestuursmandaten bekleden (bv. in een vennootschapsgroep). Gelet op de huidige formulering in art. XX.226 WER, zouden de bestuurders die niet betrokken waren bij de vorige faillissementen of vereffeningen niet hoofdelijk veroordeeld kunnen worden met de bestuurders die dat wel waren.[2]

NUMQUAM DUO, SEMPER (NUMERUS) TRES

De clou van dit arrest van 1 februari 2019 is dat een bestuurder slechts hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de onbetaalde RSZ-bijdragen van de onderneming in het faillissement dat het laatst wordt uitgesproken, ook al was hij in de vijf jaar voorafgaand aan de faillietverklaring “betrokken bij” (vgl. art. XX.226: “bestuurder bij”) de vorige faillissementen of vereffeningen.[3]

DE GOEDE TROUW: DOES IT MATTER?”

De goede trouw is niet relevant om te bepalen of de geviseerde bestuurders al dan niet persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de RSZ-bijdragen. De rechter kan daarmee wel rekening houden bij het bepalen van de omvang van de bedragen waartoe zij gehouden zijn.[4]

In een arrest van 18 juni 2020 (C.19.0258.N) maakt het Hof van Cassatie duidelijk dat de feitenrechter, naast de goede trouw, nog heel wat marge heeft bij de appreciatie van de schade waarvoor hij de bestuurder aansprakelijk acht wanneer de toepassingsvoorwaarden van art. XX.226 WER vervuld zijn. De appelrechters achtten de bestuurders slechts aansprakelijk voor 1 EUR en overwogen daarbij onder meer dat:

– “de eerste rechter heeft geoordeeld dat de vier failliet gegane vennootschappen werden opgericht omdat zij verschillende activiteiten tot doel hebben en niet om doelbewust de verplichtingen inzake de sociale zekerheid te miskennen en dit motief niet wordt weerlegd;

– de RSZ-schulden volgens de eerste rechter betrekking hebben op een periode kort vóór de faillissementen van de verschillende vennootschappen;

– de omvang van de RSZ-schulden wijst op een relatief aanzienlijke tewerkstelling van personeel;

– het foutief handelen van de bestuurders, die verantwoordelijk waren voor onder meer deze tewerkstelling, niet zonder meer kan worden afgeleid uit het enkele feit dat de RSZ-bijdragen tijdelijk niet betaald werden;

– aan de bestuurders de kans en tijd moet worden geboden om oplossingen te vinden voor de moeilijkheden in de hoop dat de activiteit van de vennootschap kan worden verdergezet;

 – niet is aangetoond dat de faillissementen te wijten zijn aan factoren die kunnen worden verweten aan de bestuurders

Het Hof van Cassatie meent dat de appelrechters aldus hun beslissing naar recht hebben verantwoord. Door de bekrachtiging van hun beslissing om de bestuurders slechts aansprakelijk te houden voor één symbolische euro wordt de bijzondere aansprakelijkheidsgrond de facto uitgehold. De uitspraak van het Hof van Cassatie is koren op de molen van de auteurs die (al van bij de invoering door de Programmawet van 20 juli 2006) kritiek uitoefenen op die aansprakelijkheidsgrond. Ongetwijfeld zal dat het debat omtrent het objectieve aanknopingspunt van die aansprakelijkheid weer (lichtjes) doen oplaaien. Art. 2:56 WVV legt de lat voor bestuursaansprakelijkheid op beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders handelen (de bonus pater familias-norm). In zekere zin kan men stellen dat het Hof van Cassatie er geen graten in ziet dat de rechter (impliciet) een gelijkaardige toetsing doorvoert bij art. XX.226 WER.

Daarmee zijn echter nog niet alle issues de revue gepasseerd. Zo bevat art. XX.226 WER voldoende elementen voor een scenario rond het eveneens betwistbare ius agendi van de curator om de bestuurders aan te spreken tot betaling van de RSZ-schulden (naast de vorderingsbevoegdheid van de RSZ). Dat plot zouden we alvast niet durven voorspellen.

[1] Cass. 7 april 2017, TBH 2017, 750, noot A. VAN HOE & K. DE SMET, Limb. Rechtsl. 2019, 118.

[2] Zie A. JANSEN & W. DAVID, “Le nouveau droit des SRL et de la faillite : quelles (inter)actions?”, TRV-RPS 2020, (449) 492, voetnoot 284.

[3] Cass. 1 februari 2019, TBH 2019, 1268, noot W. DAVID.

[4] Cass. 24 maart 2016, TBH 2016, 874, TRV-RPS 2017, 67, RABG 2017, 195, noot M-C. VANDERMEULEN.