Circulaire over de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19-pandemie

Geschreven door , Fisconetplus, eservices.minfin.fgov.be
Foto: Cezary Borysiuk  

Inhoudstafel

I. Wat wijzigt er?
II. Voor wie?
III. Hoe wordt de vrijstelling van doorstorting berekend?

a. Principe
b. Voorbeeld
c. Beperking

IV. Hoe wordt de vrijstelling van doorstorting verrekend?
V. Worden er werkgevers uitgesloten?
VI. Vanaf wanneer?
VII. Wetgeving
VIII. Wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III) (1)

I. WAT WIJZIGT ER?

1. De wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III) (1) (W 15.07.2020) heeft een nieuwe specifieke maatregel ingevoerd, met name de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19-pandemie (1).

(1) Artikel 2, W 15.07.2020.

II. VOOR WIE?

2. Deze steunmaatregel kan toegepast worden door werkgevers die:

-      in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing

-      die bedrijfsvoorheffing volledig inhouden op de belastbare bezoldigingen van hun werknemers

-      gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

Volg op 21 mei 2021 van 12:30 uur tot 13:30 uur het online seminar Up-to-date - Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap (MEI 2021) met Roel VAN HEMELEN

III. HOE WORDT DE VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING BEREKEND?

a. Principe

3. Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de niet door te storten bedrijfsvoorheffing 50 % van het verschil tussen:

-      enerzijds de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing van die maand op de in aanmerking te nemen bezoldigingen en

-      anderzijds het totaal van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de maand mei 2020 (referentieperiode) op de in aanmerking te nemen bezoldigingen.

4. De in aanmerking te nemen bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, WIB 92, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

5. Deze vrijstelling wordt berekend op het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing na toepassing van de vrijstellingen beoogd in de artikelen 2751 tot 27511, WIB 92.

6. Deze vrijstelling kan worden toegepast in combinatie met de toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 2751 tot 27511, WIB 92.

b. Voorbeeld

7. Een werkgever stelt 10 onderzoekers te werk en voldoet aan al de voorwaarden om aanspraak te maken op de nieuwe steunmaatregel 'vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19-pandemie'.

Referentieperiode mei 2020

5 onderzoekers waren tewerkgesteld in het stelsel van tijdelijke werkloosheid; de andere 5 onderzoekers verrichtten onderzoek en ontwikkeling in onderzoeks- en/of ontwikkelingsprojecten en programma’s en dit voor 100 %. De werkgever leefde alle voorwaarden na om in aanmerking te komen voor de steunmaatregel 'vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling'.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Code: 10

Belastbare inkomsten: 20.000 euro

Verschuldigde bedrijfsvoorheffing: 7.500 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Code: 33

Belastbare inkomsten: 20.000 euro

Verschuldigde bedrijfsvoorheffing (80 % x 7.500 euro): - 6.000 euro

Juni 2020

Alle 10 onderzoekers werken opnieuw en verrichten onderzoek en ontwikkeling in onderzoeks- en/of ontwikkelingsprojecten en programma’s en dit voor 100 %. De werkgever leeft alle voorwaarden na om in aanmerking te komen voor de steunmaatregel 'vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling'.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing

Code: 10

Belastbare inkomsten: 40.000 euro

Verschuldigde bedrijfsvoorheffing: 15.000 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing – Onderzoek en ontwikkeling

Code: 33

Belastbare inkomsten: 40.000 euro

Verschuldigde bedrijfsvoorheffing (80 % x 15.000 euro): - 12.000 euro

Bijkomend van doorstorting vrijgestelde bedrijfsvoorheffing – COVID-19-pandemie

Het bedrag van de niet door te storten bedrijfsvoorheffing voor de maand juni 2020 krachtens de nieuwe steunmaatregel bedraagt:

((15.000 euro -12.000 euro) – (7.500 euro – 6.000 euro)) x 50 % = 750 euro

c. Beperking

8. Deze vrijstelling mag over de beoogde drie maanden niet meer bedragen dan 20 miljoen euro.

IV. HOE WORDT DE VRIJSTELLING VAN DOORSTORTING VERREKEND?

9. De van doorstorting vrijgestelde bedrijfsvoorheffing krachtens deze nieuwe steunmaatregel mag verrekend worden met de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in aanmerking komende bezoldigingen van de werknemers.

10. De in aanmerking komende bezoldigingen van de werknemers zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, WIB 92, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

►Lees ook: Fiscus verliest veldslag in strijd tegen buitenlandse bankkaarten

V. WORDEN ER WERKGEVERS UITGESLOTEN?

11. De nieuwe vrijstelling van doorstorting is niet van toepassing op:

-      de vennootschappen die tijdens de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, WIB 92, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, WIB 92, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, WIB 92, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht ;

-      de vennootschappen die, in de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020 ofwel:

* een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, WIB 92 of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92 ; of,

* betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100.000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

VI. VANAF WANNEER?

12. De W 15.07.2020 treedt in werking op 23.07.2020.

VII. WETGEVING

13. Artikelen 2 en 31 van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III) (1) (BS 23.07.2020).

VIII. WET VAN 15.07.2020 HOUDENDE DIVERSE DRINGENDE FISCALE BEPALINGEN TEN GEVOLGE VAN DE COVID-19-PANDEMIE (CORONA III) (1)

14. De betrokken artikelen van de W 05.07.2020 zijn de volgende:

Artikel 2

Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing en die gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

De in het eerste lid vermelde werkgevers zijn er niet toe gehouden een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn uit hoofde van een in artikel 273, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan hun werknemers, door te storten aan de Schatkist op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 % van die bedrijfsvoorheffing inhouden.

De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de niet door te storten bedrijfsvoorheffing 50 % van het verschil tussen enerzijds de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing van die maand op  de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen en anderzijds het totaal van de op de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de referentieperiode, de maand mei 2020 zonder dat deze vrijstelling over de beoogde drie maanden meer mag bedragen dan 20 miljoen euro.

Deze vrijstelling kan worden toegepast in combinatie met de toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 2751 tot 27511 van hetzelfde Wetboek en wordt berekend op het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing na de toepassing van de vrijstellingen beoogd in artikelen 2751 tot 27511 van hetzelfde wetboek.

De hiervoor bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541 van hetzelfde Wetboek, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537 van hetzelfde Wetboek, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht.

Ten slotte, is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020 ofwel:

-      een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92 ; of,

-      betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.

Artikel 31

Deze wet treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.