Aandeelhouder beschikt ook na afsluiting faillissement niet over zelfstandige vordering voor afgeleide schade

Geschreven door Dr Roel Verheyden, KU Leuven, https://corporatefinancelab.org

Dat het leerstuk van de afgeleide schade van een aandeelhouder voor sommigen nog niet aan zijn laatste episode was toegekomen, bewijst een uitspraak van het Hof van Cassatie op 10 mei 2019.

Wat we reeds wisten: indien een derde schade berokkent aan een vennootschap, beschikt een individuele aandeelhouder van die vennootschap voor zijn afgeleide schade niet over een vorderingsrecht ten aanzien van de foutieve derde, ook al stelt de vennootschap of de curator, na faillissement van de vennootschap, zelf geen vordering in.

Volg het on demand seminarie De nieuwe ontbindings- en vereffeningsprocedure onder het WVV met Dominique DE MAREZ

Tot zover de situatie zoals ze geldt tot de afsluiting van het faillissement. Een aandeelhouder, eiser in cassatie, voerde aan dat hij na de afsluiting van het faillissement wél over een individuele rechtsvordering beschikte voor de door hem geleden afgeleide schade, daar de curator was blijven stilzitten en zijn schade bijgevolg een zeker karakter had gekregen. Hij argumenteerde dat het arrest a quo art. 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM (hierna: art. 1 EP EVRM) had geschonden door hem die vorderingsmogelijkheid alsnog te ontzeggen.

Het Hof van Cassatie weerlegt dat argument aan de hand van een syllogisme. Opvallend is dat het Hof daarbij verwijst naar zijn eigen precedent:

Premisse 1: “Een vorderingsrecht kan een eigendom zijn in de zin van art.1 EP EVRM op voorwaarde dat het gaat om een aanspraak die voldoende vaststaat om opeisbaar te zijn zodat degene die deze aanspraak formuleert kan bogen op een legitieme verwachting dat zijn aanspraak zal worden gehonoreerd.”

Premisse 2: “Bij arrest van 23 februari 2012 heeft het Hof, in overeenstemming met een overwegende strekking in rechtspraak en rechtsleer, geoordeeld dat aan de aandeelhouder geen zelfstandig vorderingsrecht toekomt om van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast schadevergoeding te vorderen.”

Conclusie: “De eiser kon niet bogen op een legitieme verwachting dat zijn vordering zou worden gehonoreerd en er is geen sprake van een ontneming van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM.”

De cirkel is daarmee helemaal rond. Een aandeelhouder beschikt niet over een zelfstandige rechtsvordering voor schade aan het (failliete) vennootschapsvermogen. De individuele vordering kan niet “herleven” na de sluiting van het faillissement, nu zij ook vóór het faillissement niet bestond.

►Lees ook ‘Wrongful Trading’, een aansprakelijkheidsgrond in een nieuw jasje

Van een onteigening zou pas sprake zijn indien een aandeelhouder ook geen rechtsvordering kon instellen voor persoonlijke schade, quod non. Het onderscheid tussen afgeleide en persoonlijke schade verhindert dat de regels inzake de rangorde bij samenloop eenvoudig zouden worden omzeild.

Een zelfstandige rechtsvordering had de aandeelhouder hoe dan ook weinig soelaas kunnen bieden. Zelfs indien de curator met succes zou hebben geprocedeerd, is de kans buitengewoon klein dat er nog wat overblijft voor de gedupeerde aandeelhouder nadat alle schuldeisers zijn bedeeld. In casu had de curator het faillissement zelfs afgesloten bij gebrek aan actief (om te procederen). Welnu, indien een derde schade veroorzaakt aan een failliete vennootschap met een netto-passief, worden zijn aandelen waardeloos en zou de aandeelhouder hoogstens aanspraak kunnen maken op een vergoeding ten belope van het verlies van een (eerder denkbeeldige) kans op herstel.