Wijzigingen naamsverandering in 2018

Geschreven door Lexalert
Foto: Farther Along  

Het wetsontwerp van 5 februari 2018 somt de wijzigingen met betrekking tot voornaam en familienaam op. 

De wet van 15 mei 1987 betreffende namen en voornamen heeft de bevoegdheid om een naamsverandering toe te staan toegekend aan de Koning om reden van zijn specifiek belang (Verslag Comm. Just., Kamer, Gedr. St., 1983-1984, 966/5, blz. 19). Daartegenover werd de bevoegdheid om de voornaamsverandering toe te staan toegekend aan de minister van Justitie.

Met uitzondering van de invoeging van een specifieke regeling voor de verandering van voornamen van transgenders door de wet van 10 mei 2007 betreffende de transseksualiteit en de wet van 25 juni 2017 tot hervorming van regelingen inzake transgenders wat de vermelding van een aanpassing van de registratie van het geslacht in de akten van de burgerlijke stand en de gevolgen hiervan betreft, is de procedure tot verandering van naam en voornamen niet gewijzigd sinds de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 15 mei 1987 op 20 juli 1987. Behoudens de overdracht van de bevoegdheid inzake verandering van voornamen van de Koning aan de minister van Justitie en de vaststelling van voorwaarden voor de veranderingen van naam en voornamen, waarover de Koning vroeger volledig vrij kon beslissen, heeft die wet zelf de aard en het verloop van de procedure die voordien werd geregeld door de wet van 11 germinal jaar XI (1 april 1803) betreffende de voornamen en de veranderingen van naam, aangevuld door de wet van 2 juli 1974, niet fundamenteel gewijzigd.

Ter informatie, het aantal verzoeken tot verandering van naam dat per kalenderjaar wordt ingediend, is tussen 1997 en 2017 gestegen van 438 tot 1 198 (2017). Tijdens dezelfde periode is het aantal verzoeken tot verandering van voornamen gestegen van 360 tot 1 112 en het aantal verzoeken tot verandering van naam en van voornamen van 67 tot 283. In totaal is het aantal op grond van artikel 2, eerste lid, van wet van 15 mei 1987 aan de minister van Justitie gerichte verzoeken in 21 jaar dus gestegen van 865 tot 2 593. Het aantal verzoeken stijgt constant.

De verscheidenheid en de complexiteit van de persoonlijke situaties die aan die verzoeken ten grondslag liggen, zijn veel groter dan de wetgever kon vermoeden bij de laatste herziening van de procedure, meer dan dertig jaar geleden.

De ontvangst, het onderzoek en de behandeling van de verzoeken tot verandering van naam en voornamen door de administratieve overheid gebeuren thans in een procedureel kader dat niet langer de mogelijkheid biedt een optimale dienstverlening aan de burger te verzekeren. Hetzelfde geldt op het stuk van de toegang tot de administratieve overheid en de complexiteit en de duur van de procedure. Al te vaak ziet de verzoeker het waarom en de relevantie van de opeenvolgende formaliteiten niet in, terwijl de wetgever ervoor heeft gekozen het vervullen van de doorslaggevende formaliteiten zoals de registratie en de overschrijving van de vergunning om van naam en voornamen te veranderen (art. 1) aan hem over te laten.

Er moeten dus, zonder te raken aan de basisvoorwaarden die voor de verandering van naam en voornamen zijn vastgesteld, wijzigingen worden aangebracht aan de procedure, om ze te vereenvoudigen, om ervoor te zorgen dat de burger ze beter begrijpt en om de afhandelingstijd van de verzoeken op significante wijze te verkorten en tegelijk de rechtszekerheid te versterken.

I. Procedure tot verandering van voornamen.

De minister van Justitie is thans bevoegd voor het ontvangen van de verzoeken tot verandering van voornamen (art. 2, eerste lid). Hij kan er gunstig gevolg aan geven onder de enige wettelijke voorwaarde dat de gevraagde voornamen geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden (art. 3, eerste lid). Het gaat om een voorwaarde die op volstrekt identieke wijze geformuleerd is als de voorwaarde die de ambtenaar van de burgerlijke stand de mogelijkheid biedt voornamen te weigeren wanneer hij de geboorteaangifte van een kind ontvangt.

De persoonlijke uitoefening van deze bevoegdheid door de minister van Justitie lijkt thans niet meer aangepast aan de goede werking van Justitie.

Parallel aan de reeds aangehaalde sterke en constante stijging van het aantal verzoeken, wordt er vastgesteld dat op ongeveer 99 % van de verzoeken een gunstige beslissing volgt.

De evolutie van de maatschappij en de liberalisatie van de gebruiken in verband met de voornamen heeft ertoe geleid dat thans enkel nog de verzoeken worden geweigerd die manifest onaanvaardbaar zijn, rekening houdende met de wettelijke voorwaarden. De praktijk is dan ook geëvolueerd naar een vorm van bekrachtiging van de keuze van de verzoeker met inachtneming van de bij wet vastgestelde minimumvoorwaarden, zonder reële uitoefening van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid die wettelijk is voorbehouden aan de minister.

In de praktijk wordt een verandering van voornamen enkel nog geweigerd wanneer de gevraagde voornamen onbetwistbaar verwarrend, belachelijk of hatelijk zijn of indien de verzoeker een zwaar gerechtelijk verleden heeft, waardoor de verandering van voornamen van die aard is dat ze de openbare orde zou schaden.

In het licht van die vaststelling komt de huidige procedure voor als onaangepast, zwaar en overdreven lang. Het optreden van de bevoegde overheid via een ministerieel besluit dat moet worden geregistreerd en vervolgens worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand om uiteindelijk gevolg te hebben, blijkt buitensporig ten opzichte van de inzet.

Om precies te zijn, wordt het ministerieel besluit waarbij de verandering van voornamen wordt toegestaan thans overgemaakt aan de FOD Financiën, die een afschrift ervan bezorgt aan het registratiekantoor dat territoriaal bevoegd is op grond van de woonplaats van de begunstigde, aan wie dat kantoor de vergunning aflevert tegen betaling van het verschuldigde registratierecht.

Zodra hij in het bezit is van het afschrift van het besluit, moet de begunstigde het zelf ter overschrijving toezenden of ter hand stellen aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand, die hij zelf moet nog moet bepalen op grond van de wettelijke bepalingen waaraan wordt herinnerd in een bericht dat samen met de vergunning wordt bezorgd. Indien de vergunning niet binnen de voorgeschreven termijn aan de ambtenaar van de burgerlijke stand werd toegezonden of ter hand gesteld, wordt zij als niet bestaande beschouwd (art. 7, derde lid).

Die formaliteiten maken de procedure aanzienlijk langer en zijn een bron van praktische moeilijkheden voor de begunstigde. Zij leiden soms tot de onbepaalde opschorting van de inwerkingtreding van de verandering van voornamen bij gebreke van registratie of, in het slechtste geval, tot de nietigheid van de verkregen vergunning.

Het lijkt dus noodzakelijk om de procedure tot verandering van voornamen te vereenvoudigen en om de bevoegdheid ter zake over te dragen aan de ambtenaren van de burgerlijke stand die reeds bevoegd zijn om de bij de aangifte van de geboorte door de ouder(s) uitgedrukte keuze van de voornamen te aanvaarden of te weigeren.

In Frankrijk werd recentelijk de bevoegdheid inzake verandering van voornamen om gelijksoortige redenen overgedragen van de rechter in familiezaken aan de ambtenaar van de burgerlijke stand (wet van 18 november “de modernisation de la justice au XXIème siècle”).

De toekenning van de territoriale bevoegdheid aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van de verzoeker biedt als voordeel de nabijheid bij de burger en de verdeling van de werklast onder de 589 ambtenaren van de burgerlijke stand in België.

De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand zal, zoals hij dit reeds doet bij de geboorteaangifte op basis van absoluut identieke voorwaarden, op discretionaire wijze beoordelen of de gevraagde voornamen al dan niet aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden al dan niet kunnen schaden. De omzendbrieven van 24 maart 1988 en 7 april 1989 met betrekking tot de wet van 15 mei 1987 betrefffende de namen en voornamen geven meerdere voorbeelden van voornamen die zouden moeten geweigerd worden bij de aangifte van de geboorte, meerbepaald wanneer ze absurd, choquerend, belachelijk, te groot aantal, een moeilijke schrijfwijze, onverenigbaarheid met het geslacht van het kind, enz…De ambtenaren van de burgerlijke stand kunnen indien nodig verwijzen naar deze omzendbrieven die pertinent blijven in afwachting van een omzendbrief over dit aspect in de huidige wet. In alle omstandigheden blijft de belangrijkste overweging het belang van het kind (art. 22bis, 4e  lid van de Grondwet, art. 3.1.IVRK) en de hoven en rechtbanken die bevoegd zijn om de geschillen hieromtrent te beoordelen.

Het lijkt evenwel nuttig op uitdrukkelijke wijze te voorzien in de controle van de gerechtelijke antecedenten van de meerderjarige betrokkene met het oog op het waarborgen van de openbare orde. Bij het opstellen van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen was het de bedoeling van de wetgever dat erop zou worden toegezien dat personen die veroordelingen hadden opgelopen, inzonderheid voor oplichting, hun identificatie niet zouden kunnen bemoeilijken en zo derden zouden kunnen schaden of dat misdadigers hun ontvluchting niet zouden kunnen organiseren (Verslag Comm. Just., Kamer, Gedr. St., 1983-1984, 966/5, blz. 8). Het lijkt nuttig om die voorzorgsmaatregel op uitdrukkelijke wijze in de wet in te schrijven. Enkel zware antecedenten of specifieke antecedenten (aanmatiging van naam, oplichting, wanbedrijven tegen de openbare zedelijkheid in het algemeen) staan thans de verandering van voornamen in de weg.

Eveneens met het oog op de bescherming van de openbare orde wordt (zoals in Frankrijk) voorgesteld dat in geval van ernstige twijfel met betrekking tot de naleving van de bij wet vastgestelde voorwaarden de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings bevoegd voor de gemeente, kan inwinnen. Het advies van de procureur des Konings is niet bindend voor de ambtenaar van de burgerlijke stand die zijn discretionaire appreciatie bevoegheid van de aanvraag volgens de wettelijke voorwaarden behoudt. Die twijfel kan inzonderheid betrekking hebben op de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene of de aanvaardbaarheid van de gevraagde voornamen. Bij gebreke van advies binnen de termijn van 3 maand binnen de welke de ambtenaar van de burgerlijke stand gevolg dient te geven aan het verzoek (cfr. hierna), wordt geacht dat de procureur des Konings geen bezwaar te hebben tegen de gevraagde voornaamsverandering.

De specifieke voorwaarden voor de verandering van voornamen voor transgenders werden vastgelegd in de wet van 25 juni 2017 tot hervorming van regelingen inzake transgenders wat de vermelding van een aanpassing van de registratie van het geslacht in de akten van de burgerlijke stand en de gevolgen hiervan betreft. Deze voorwaarden dienen niet aangepast, verlicht of verzwaard te worden. Als bijgevolg voldaan is aan de enige vereiste van overeenstemming van de voornaam met de geslachtsovertuiging van de verzoeker,staat de ambtenaar van de burgerlijke stand de gevraagde voornaamsverandering toe, zonder een andere controle uit te voeren of een ander advies te vragen. De controle van het respect van de conformiteit van de gekozen voornaam aan de identiteit van het geleefde gender is een voldoende voorwaarde.

Als er geen bezwaren zijn tegen de gevraagde verandering van voornamen, binnen de drie maand nadat het verzoek werd ingediend, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte houdende vergunning van de gevraagde verandering van voornamen op, die hij overmaakt aan de ambtenaren van de burgerlijke stand die akten van de burgerlijke stand betreffende de betrokkene onder zich houden, voor melding op de kant ervan.

De verandering van voornamen heeft gevolg op de datum van de akte waarbij zij wordt verleend. De duur van de procedure en het optreden van de verzoeker worden dus beperkt tot het strikt noodzakelijke, aangezien de verzoeker zich tot één persoon moet wenden.

In de gevallen dat, die zeer uitzonderlijk zullen zijn (cfr. supra), de voornaamsverandering wordt geweigerd, beschikt betrokkene over een beroep voor de familierechtbank die in het algemeen bevoegd is met betrekking tot de staat van de personen (art. 572bis, 1° Gerw.).

Tot slot is het behoud van de inning van een registratierecht a posteriori door de FOD Financiën ondenkbaar. In het kader van de decentralisatie van de bevoegdheid naar de plaatselijke overheid, wordt voorgesteld om die overheid de keuze te laten al dan niet een taks te innen op de verandering van voornamen.

Artikel 170, § 4, tweede lid, van de Grondwet behoudt, wat de gemeentelijke belastingen betreft, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt, voor aan de federale wetgever. Twee dringende situaties rechtvaardigen een uitzondering op de fiscale autonomie van de gemeenten.

Het gaat om transgenders die een voornaam dragen die niet overeenstemt met het geslacht dat zij hebben aangenomen. Dit maakt de vaststelling van een maximale gemeentelijke retributie noodzakelijk zodat in hun situatie deze taks niet hoger dan 10 procent mag bedragen van het normale tarief bepaald door de gemeente, wat overeenstemt met de verhouding die bestaat tussen de huidig in de wet vastgestelde tarieven, nl. 49 euro i.p.v. 490 euro (art. 249, § 1, lid 2).

Het gaat evenzeer om het meer uitzonderlijke geval van personen met een vreemde nationaliteit die een verzoek om verkrijging van de Belgische nationaliteit indienen en geen voorna(a)m(en) hebben. In dat geval kunnen zij, krachtens de artikelen 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en de artikelen

36, tweede lid, en 38, tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht een verzoek tot toevoeging van voorna(a)m(en) indienen, ook al zijn zij (nog) geen Belg. De verzoeken om verkrijging van de Belgische nationaliteit zijn in alle gevallen, op straffe van onontvankelijkheid, onderworpen aan de betaling van een registratierecht van 150 EUR vóór het onderzoek ervan (artikel 238 W.Reg.). De betaling van dat voorafgaand specifiek recht en het erg problematisch ontbreken van voorna(a)m(en) verantwoorden dan ook dat aan deze personen geen aanvullende retributie zou worden geëist.

II. Procedure tot verandering van naam.

Uit de parlementaire werkzaamheden van de wet van 15 mei 1987 betreffende namen en voornamen blijkt dat de wetgever de bedoeling had te voorzien in een bijzondere bescherming van de familienaam, toen nog “patronyme” in het Frans, en van mening was dat er meer reden was om iemand ervan af te brengen om van naam dan van voornaam te veranderen, wat het onderscheid tussen beide procedures verantwoordde. Hij wees er ook op dat de verandering van naam gevolgen heeft die belangrijker zijn voor het maatschappelijk leven dan de verandering van voornamen aangezien de naam de afstamming aangeeft en het mogelijk maakt om families van elkaar te onderscheiden terwijl de voornaam enkel betrekking heeft op het individu. De naam vormt de basis van de gezinsorde in het maatschappelijk leven en kan dan ook maar worden veranderd om een ernstige reden (Verslag Comm. Just., Kamer, Gedr. St., 1983-1984, 966/5, blz. 6 tot 9).

Op grond van die overwegingen was de wetgever van mening dat de verandering van naam zo belangrijk is dat de toestemming ervoor moet worden gegeven krachtens een koninklijk besluit. Een koninklijk besluit biedt de mogelijkheid te waarborgen dat de toepassing van de criteria niet verandert naargelang van de wisselende titularissen van de ministeriële departementen en hun politieke opvattingen en bevestigt op plechtige wijze het uitzonderlijke karakter van de verandering van naam (Ibidem, blz. 9 tot 10).

De wetgever was ook van mening dat de onveranderlijkheid de regel moet blijven en de verandering van naam de uitzondering. De verzoeken die niet op een ernstige of geloofwaardige reden steunen, moeten worden afgewezen, zelfs indien de gevraagde naam niemand schade berokkent (Verslag Comm. Just., Senaat, Gedr. St., 1986-1987, nr. 401/1, blz. 9; Memorie van toelichting, Kamer, Gedr. St., 1983-1984, 966/1, p.5). De voorwaarde dat de gevraagde naam niemand schade mag berokkenen is gelijksoortig aan de voorwaarde die wordt gesteld inzake verandering van voornamen. De drie voorwaarden zijn cumulatief (RvS, nr. 236 014, 6 oktober 2016, Vandekerkhove).

In de rechtsleer wordt benadrukt dat in het Belgische recht de naam een gevolg is van de afstamming of de adoptie (Y.-H. Leleu, Droit des personnes et des familles, 3de uitgave, Brussel, Larcier, 2016, nr. 688; P. Senaeve, Compendium van het personenen familierecht, 15de uitgave, Leuven, Acco, 2015, nr. 153). De wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde en de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de artikelen 335 en 335ter van het Burgerlijk Wetboek betreffende de wijze van naamsoverdracht aan het kind verlenen de ouders en de adoptanten een zekere wilsautonomie bij de keuze van de naam van het kind of van de geadopteerde. Dat wil echter niet zeggen dat de naam, zodra hij is gekozen binnen de grenzen van wat de wet toestaat, gemakkelijker zou kunnen worden veranderd. De Raad van State heeft recentelijk erop gewezen dat de voornoemde wet van 8 mei 2014 geen afbreuk doet aan het beginsel van de onveranderlijkheid van de naam, eens die is doorgegeven of toegekend, en dat, hoe de maatschappij ook geëvolueerd mag zijn op het stuk van de keuze van de bij de geboorte aan het kind door te geven naam, in geval van erkenning of bij de adoptie de onveranderlijkheid de regel is en de verandering de uitzondering (RvS, nr. 233 249, 15 december 2015).

Dit wetsontwerp heeft niet tot doel de strikte voorwaarden voor de verandering van naam te wijzigen. Teneinde trouw te blijven aan de wil van de wetgever in 1987, wordt et voorgesteld om de franse vertaling van de nederlandse omschrijving “ernstige redenen” te verfijnen naar “motifs graves” wat de juiste vertaling is en die ondubbelzinnig is. Immers, de uitdrukking “sérieux” heeft in de loop van de tijd in de franse taal een verschuiving van betekenis ondergaan. De rechtsonderhorigen zien hun motieven noodzakelijk op die manier alhoewel ze niet noodzakelijk ondoordacht of bespottelijk zijn.

De motieven die de naamsverandering justifiëren dienen “bijzonder precies en ernstig te zijn” (Verslag namens de Commissie voor de Justitie van de Senaat, sessie 1986-1987, 401/2, p. 8; RvS, nr. 219 577 en nr. 219 578, 31 mei 2012, Vandereycken; RvS, 25 februari 2011, nr. 211 552, Hardy; RvS, 8 februari 2011, nr. 211 128, Perek). Hun ernstig karakter veronderstelt in eerste instantie dat de waarachtigheid en nauwkeurigheid van de motieven door de verzoeker worden aangetoond (RvS, nr. 236 506, 22 november 2016 Nitelet; RvS, nr. 235 256, 28 juni 2016, Ben Abbes). Ze dienen dus “ernstig” te zijn, niet enkel uit het standpunt van de verzoeker maar op een manier dat ze objectief kunnen beoordeeld worden. De Raad van State heeft geoordeeld dat “wanneer wordt gesteld dat de wet van 15 mei 1987 “ernstige” motieven vereist, begrepen als “bijzonder precies en gebiedend”, de beslissing die de naamsverandering weigert niets toevoegt aan de wet maar enkel het uitzonderlijk karakter van de naamsverandering onderlijnt” (RvS, nr. 213 953, 17 juni 2011, Joseph).

De ambiguïteit in het frans van het woord “sérieux” komt voor in 2 recente arresten van een franstalige kamer van de Raad van State. Hij heeft immers geoordeeld dat de omstandigheid dat de motieven van “sentimentele aard” zijn niet impliceert dat ze op zich niet”sérieux” kunnen zijn, specifiek in het geval wanneer het verzoek “niet ontdaan is van enig identitair aspect” (RvS, nr. 238 104, 4 mei 2017, Poriau; RvS, nr. 237 954, nr. 237 954, 20 april 2017, Lallemand). Deze “subjectieve” interpretatie van de term “sérieux” in de franstalige versie van de wet doet vrezen dat de vastheid van naam in het gevaar komt, de wil van de wetgever miskent en dat de naamsverandering zou kunnen worden toegestaan op basis van volkomen persoonlijke consideraties, daar waar hij werd ontwikkeld als een “ultimum remedium iuris” (D. Van Grunderbeeck, in X., Personen en Familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer Naamwet, Kluwer, art. 2-6, p. 94). Het is dan ook belangrijk dat de wettelijke franse terminologie precies de wil van de wetgever omschrijft en dat de meer objectieve term “grave”, wat de precieze vertaling van de nederlandse term “ernstig” is, wordt weerhouden.

Deze aanpassing laat eveneens toe om er op toe te zien dat de naamsverandering niet onterecht de divergentie van naam in de hand werkt tussen homonyme personen, voortkomend uit een zelfde familie en die zich in gelijkaardige omstandigheden bevinden, op basis van puur subjectieve elementen die door één van hen worden voorgelegd. De wetgever heeft immers de eenheid van naam tussen kinderen van dezelfde ouders tot hoofdprincipe gemaakt bij de hervorming van de toekenning van naam (art. 335bis BW.). Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen wettelijk beperkingen om de mogelijkheid om naam te veranderen gerechtvaardigd worden in het kader van het publiek belang, meer bepaald om tot een familie te behoren die dezelfde naam draagt (25 november 1994, Sterjna t.Finland; Golemanova t.Bulgarije, 17 februari 2011; Henry Kismoun t.Frankrijk, 5 december 2013; RvS., nr. 233 249, 15 december 2015).

Tot slot, is het evenmin de bedoeling van dit ontwerp om de Koning zijn bevoegdheid inzake verandering van naam te ontnemen die, zoals reeds aangehaald, de bestendigheid en het waarborgen van de “eenheid van de administratieve rechtspraak” als voordelen heeft. De grote meerderheid van de staten die een rechtstraditie hebben die aanleunt bij de onze hebben deze bevoegdheid eveneens toevertrouwd aan een hogere administratieve overheid (decreet van de Garde des Sceaux in Frankrijk, behoudens uitzondering; groothertogelijk besluit in het Groothertogdom Luxemburg; koninklijk besluit in Nederland; decreet van de prefect van de provincie in Italië; beslissing van de administratieve overheid van het Land in Duitsland en van het kanton in Zwitserland).

De bevoegde administratieve autoriteit kan altijd, indien nodig, de gerechtelijke autoriteiten om advies verzoeken om advies of hen verzoeken onderzoek uit te voeren dat hen toelaat hun beslissing meer voorgelicht te nemen. De omzendbrief COL 02/2017 van het College van Procureurs-generaal geeft aan dat de verzoeken rechtstreeks naar de parketten van eerste aanleg moeten worden verzonden. De parketten generaal kunnen enkel tussenkomen bij stilzitten van de parketten van eerste aanleg of wanneer het een principe-kwestie betreft.

De voorgenomen wijzigingen van de procedure strekken ertoe haar te vereenvoudigen en minder zwaar te maken voor de burger en tegelijk de rechtszekerheid te versterken.

1. Betaling van een voorafgaand registratierecht         

A. Beginsel en voordelen

Thans moet de vergunning om van naam te veranderen binnen zes maanden worden geregistreerd tegen betaling van een bij de wet vastgesteld recht, zonder andere sanctie dan een geldboete die gelijk is aan het bedrag van het verschuldigde recht. Net als inzake verandering van voornamen, wordt een eensluidend afschrift van de vergunning overgemaakt aan de FOD Financiën, die het doorstuurt naar het territoriaal bevoegde registratiekantoor, dat uiteindelijk zorgt voor de afgifte van de vergunning aan de verzoeker tegen betaling van het verschuldigde recht.

De verzoeker moet dan zelf binnen een termijn van zestig dagen het geregistreerde besluit toezenden of ter hand stellen aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand en het is pas op de datum van de overschrijving ervan dat de verandering van naam gevolg heeft (art. 8, tweede lid). Indien de verzoeker zich niet binnen de voorgeschreven termijn tot de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand richt, wordt de vergunning als niet bestaande beschouwd (art. 7, derde lid).

Net als inzake verandering van voornamen maken die formaliteiten de procedure aanzienlijk langer en zijn zij een bron van praktische moeilijkheden voor de begunstigde. Zij leiden soms tot de onbepaalde opschorting van de inwerkingtreding van de verandering van naam bij gebreke van registratie of, in het slechtste geval, tot de nietigheid van de verkregen vergunning.

De betaling van het registratierecht eisen vóór de indiening van het verzoek tot verandering van naam, biedt de mogelijkheid die struikelblokken te voorkomen. De voorafgaande betaling van een bedrag dat in overeenstemming is met de gewichtigheid van de verandering van naam biedt ook het voordeel dat absurde, lichtzinnige of herhaalde verzoeken waarvan wordt afgezien in de loop van de procedure of bij de invordering van het verschuldigde registratierecht, worden ontmoedigd. Zij weerspiegelt de administratieve werklast en voorkomt vergeefs werk.

Zoals reeds aangehaald, bestaat dergelijk mechanisme op het gebied van de verkrijging van de Belgische nationaliteit (cf. art. 15, § 2, en 21, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit). In artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheeken griffierechten – dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk als de bepalingen betreffende de registratie van de vergunningen om van naam te veranderen – wordt de betaling van een recht van 150 EUR dat in geen geval kan worden teruggegeven (omzendbrief van 8 maart 2013, IV, 3.1.) opgelegd als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de verzoeken. De transpositie van dat mechanisme vereenvoudigt de procedure en verkort de duur ervan, responsabiliseert de verzoeker en versterkt de rechtszekerheid, terwijl tegelijk de administratieve last wordt gecompenseerd.

Het mechanisme maakt het mogelijk om de duur van de procedure met verschillende maanden te verkorten. Eens de vergunning om van naam te veranderen definitief is, kan de FOD Justitie haar immers rechtstreeks voor overschrijving overzenden aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder langs te gaan via de verschillende fiscale diensten. De rechtszekerheid wordt aanzienlijk versterkt aangezien alle vergunningen om van naam te veranderen op die wijze effectief worden. De begunstigde moet ze niet langer a posteriori binnen een vervaltermijn en op straffe van nietigheid in geval van fout ratione loci registreren of overleggen aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

B. Bedrag

Het bedrag van de registratierechten in geval van verandering van naam varieert. In beginsel bedraagt het registratierecht 49 EUR (art. 249, § 2, W.Reg.) maar wordt aanzienlijk verhoogd tot 740 EUR in geval van toevoeging van een naam of partikel aan een andere naam of van vervanging van een hoofdletter door een kleine letter (art. 249, § 3, eerste lid, W.Reg.). Die hypothesen beoogden, in de geest van de wetgever, de gevallen waarin de verandering van naam een adellijke schijn verleende aan de naam, hetgeen verklaart dat dit bedrag hetzelfde is als het bedrag dat wordt gevorderd voor de registratie van open brieven van adeldom en dat de koning dezelfde mogelijkheid heeft om een vermindering te verlenen voor aan het Land bewezen buitengewone diensten (art. 248 W.Reg.).

De toevoeging van een naam aan een andere naam geeft echter aanleiding tot een recht van 49 EUR wanneer de gevraagde naam overeenstemt met de regels betreffende de vaststelling van de naam van toepassing in de Staat waarvan de begunstigde eveneens de nationaliteit bezit (art. 249, § 3, tweede lid – geval van meervoudige nationaliteit en divergentie van naam tussen Staten – HvJEU, 2 oktober 2003, C-148/02, Garcia Avello).

Er is een recht verschuldigd per begunstigde, met dien verstande dat de door de kinderen of afstammelingen verschuldigde rechten met twee vijfden worden verminderd wanneer aan hetzelfde recht onderworpen vergunningen bij éénzelfde besluit verleend worden aan een persoon en aan zijn kinderen of afstammelingen waarvan het aantal drie overschrijdt (art. 250 W.Reg.).

Tot slot kan, om de reeds aangehaalde redenen in geval van het ontbreken van voorna(a)m(en), een persoon met vreemde nationaliteit die een verzoek om verkrijging van de Belgische nationaliteit indient en geen voorna(a) m(en) heeft, krachtens de artikelen 15 en 21 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en de artikelen 36, tweede lid, en 38, tweede lid, van het Wetboek van internationaal privaatrecht kosteloos een verzoek tot toevoeging van naam indienen, ook al is hij (nog) geen Belg. Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, zijn de verzoeken om verkrijging van de Belgische nationaliteit, op straffe van onontvankelijkheid, onderworpen aan de betaling van een registratierecht van 150 EUR vóór het onderzoek ervan (artikel 238 W.Reg.). De betaling van dat voorafgaand specifiek recht en het problematisch ontbreken van naam verantwoorden dat ook in dergelijk geval geen aanvullende taks zou worden geëist.

Inzake verandering van naam zijn de vastgestelde registratierechten nooit geïndexeerd of herzien geweest sinds 1974 en inzake toevoeging van naam zijn zij nooit geïndexeerd of herzien geweest sinds 1987.

De geringheid van het bedrag van 49 EUR en de betaling ervan aan het einde van de procedure ontraden onbezonnen verzoeken niet. Het op buitenmaatse wijze tot 740 EUR verhoogde recht geldt in de praktijk niet alleen in de gevallen van adellijke schijn of wens tot onderscheid die de wetgever oorspronkelijk beoogde, maar bestraft legitieme verzoeken (gevallen van vreemdelingschap, transliteratie of familiale noodzaak, inzonderheid teweeggebracht door de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde).

De vermindering voor aan het Land bewezen buitengewone diensten (art. 248 en 249, § 3, vierde lid, W.Reg.) wordt in de praktijk nooit toegestaan, hoewel de verzoekers zichzelf dergelijke diensten gewillig toeschrijven of ze gewillig toeschrijven aan soms zeer verre voorouders.

Om redenen van billijkheid en duidelijkheid wordt derhalve voorgesteld om voor het registratierecht dat moet worden betaald vóór de indiening van een verzoek tot verandering of toevoeging van naam één bedrag vast te stellen en de bestaande vermindering in geval van collectief verzoek, waarin artikel 250 W.Reg. voorziet, te behouden.

Ook met het oog op de praktische uitvoerbaarheid van de voorafgaande inning door de ontvanger van de registratie dringt de vaststelling van één recht zich op.

Het enig registratierecht dat op redelijke wijze is vastgesteld op 140EUR kan, net als inzake nationaliteit, in geen geval worden teruggegeven.

2. Afschaffing van de mogelijkheid tot verzet

Thans kan iedere belanghebbende verzet aantekenen tegen een koninklijk besluit houdende vergunning tot verandering van naam, zulks gedurende een termijn van zestig dagen volgend op de bekendmaking bij uittreksel ervan in het Belgisch Staatsblad. Een vergunning om van naam te veranderen kan pas als definitief worden beschouwd na afloop van die termijn van verzet of op de datum van de verwerping van een eventueel verzet door de Koning (artt. 5 en 6).

Toen de wetgever de termijn van verzet, die vroeger een jaar bedroeg, wilde verminderen tot zestig dagen, wees hij reeds op het gegeven dat slechts zeer zelden verzet wordt aangetekend en op de problemen die het verzet veroorzaakt in het vaak voorkomende geval van verzoeken tot verandering van naam die dringend zijn voor de verzoekers (Memorie van toelichting, Gedr. St., 1983-1984, 966/1, b:z. 5 en 6).

In theorie kon dit rechtsmiddel belang hebben in geval van scheiding van de ouders van een kind onder de vroegere regeling van het ouderlijk gezag, waarbij het ouderlijk gezag werd voorbehouden aan de ouder die de materiële bewaring over het kind had (oud art. 374 BW). Het kon, in het beste geval, de ouder die het kind niet onder zijn bewaring had de mogelijkheid bieden zijn rechten te vrijwaren, in de veronderstelling dat hij, geheel uitzonderlijk, niet zou geraadpleegd zijn geweest in het kader van het onderzoek van het verzoek. Het recht inzake ouderlijk gezag, zoals gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, vestigt echter het gezamenlijk ouderlijk gezag als beginsel, ook wanneer de ouders gescheiden zijn. Zoals de Raad van State oordeelde, stelt artikel 2, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen de ontvankelijkheid van een verzoek ingediend onder de regeling van het gezamenlijk ouderlijk gezag afhankelijk van het akkoord van beide ouders (RvS, nr. 221 403, 19 november 2012, Michetti).

Dit rechtsmiddel, dat de raadpleging van het Belgisch Staatsblad onderstelt, moet thans als verouderd en ondoeltreffend worden beschouwd. Uit de praktijk blijkt dat in minder dan één op drieduizend gevallen van verandering van naam (0,033 %) verzet wordt aangetekend en dat alle geboekstaafde gevallen van verzet werden verworpen omdat zij alle als ongegrond werden beschouwd in het geval van toekenning van adellijk klinkende familienamen.

In de praktijk raadpleegt de administratie op systematische wijze alle mogelijke belanghebbenden, hetgeen verklaart dat dit rechtsmiddel nauwelijks wordt gebruikt.

De Koning moet zelf uitspraak doen over het verzet aangetekend tegen de door hem toegekende vergunning om van naam te veranderen. Tegen zijn beslissing kan dan weer beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State, in geval van verwerping of in geval van aanvaarding van het verzet.

Dit ondoeltreffende rechtsmiddel heeft ook nog het nadeel dat het, enkel omdat het bestaat, de procedure tot verandering van naam minstens zestig dagen langer maakt.

De afschaffing van dit weinig gebruikte en ondoeltreffende rechtsmiddel zou rechtstreeks leiden tot een aanzienlijke vermindering van de duur van de procedure en tot de verlichting van de administratieve formaliteiten, aangezien het ook nog het opstellen behelst van een attest dat geen verzet werd aangetekend, bestemd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand belast met de overschrijving van het koninklijk besluit houdende vergunning tot verandering van naam.

Zodra het koninklijk besluit dat de naamsverandering toekent in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt en zo ter kennis gebracht wordt van derden, kan het als definitief worden beschouwd. Als het registratierecht vooraf werd betaald, zoals wordt voorgesteld, moet geen enkele andere formaliteit worden vervuld en kan de minister van Justitie of zijn gemachtigde rechtstreeks een afschrift van dat besluit aan de ambtenaar van de burgerlijke stand bezorgen met het oog op de overschrijving ervan, hetgeen de reeds uiteengezette voordelen en struikelblokken respectievelijk biedt en voorkomt.

Tegen de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte verandering van naam die de rechten van een derde zou schaden, kan steeds beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), net als in het geval waarin een verandering van naam wordt geweigerd.

3. Kleinere wijzigingen van de procedure

A. In aanmerking nemen van de gerechtelijke antecedenten

Dit ontwerp strekt in geen geval tot het wijzigen van de voorwaarden die de wet van 15 mei 1987 oplegt voor de verandering van naam.

Het is evenwel wenselijk om op uitdrukkelijke wijze in de wet in te schrijven dat rekening wordt gehouden met de gerechtelijke antecedenten van de verzoeker, aangezien dezelfde verduidelijking in dezelfde bewoordingen ook wordt voorgesteld inzake verandering van voornamen.

De verandering van naam is een gunst en geen recht en de wettelijke vereiste dat de gevraagde naam niemand schade mag berokkenen leidt uiteraard tot de overweging dat zware gerechtelijke antecedenten of lopende vervolgingen moeten resulteren in verwerping. Dat komt volledig tegemoet aan de wil van de wetgeverl: “Het spreekt vanzelf dat het ontwerp niet tot gevolg mag hebben dat een misdadiger zijn ontvluchting kan organiseren” of “[...] zich [kan] [...] onttrekken aan de gevolgen van [zijn] [...] daden, bijvoorbeeld bij strafrechtelijke veroordelingen [...]” en dat “[rekening moet worden gehouden] met het strafregister van de verzoeker [...]” (Verslag Comm. Just., Kamer, Gedr. St., 1983-1984, 966/5, blz. 8, 19-20; Gedr. St., Senaat, 1986-1987, nr. 401/2, blz. 8).

De Raad van State heeft met verwijzing naar deze zelfde wil van de wetgever geoordeeld dat het volstrekt legaal is een verandering van naam te weigeren op grond van de wil, gelet op de zware gerechtelijke antecedenten van de verzoeker, tot het “vrijwaren en beschermen van de belangen van derden, inzonderheid de overheden belast met de identificatie en de opsporing van personen die schuldig zijn aan misdrijven” (vert.) (RvS, 23 februari 2016, nr. 233 892, El Fare). In een andere zaak oordeelde de Raad van State op dezelfde wijze dat op geldige wijze kan worden “beslist om enige mogelijkheid tot verwarring te voorkomen en de belangen van derden, inzonderheid de overheden belast met het onderzoek en de vervolging van misdrijven, te vrijwaren en te bevoorrechten ten opzichte van de belangen van de verzoeker” (vert.) (RvS, 15 december 2015, nr. 233 250 Sinanovski).

De bewustmaking van de verzoekers op het stuk van het in aanmerking nemen van hun eventuele gerechtelijke antecedenten verantwoordt deze tekstuele verduidelijking, die eveneens een einde zal maken aan vergeefse betwistingen op grond van de vaagheid van de huidige tekst.

B. Mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de vermelding van de vergunning in het Belgisch Staatsblad

De wet legt momenteel de verplichting op van de vermelding van alle vergunningen tot naamsverandering in het Belgisch Staatsbald (artikel 5, eerste lid).

In de praktijk gebeurt de vermelding bij uittreksel waarbij de naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, woonplaats en de naam die betrokken persoon gemachtigd wordt te dragen wordt vermeld. Zij informeert bovendien derden van de mogelijkheid om verzet aan te tekenen binnen een termijn van 60 dagen; er wordt voorgesteld om dit af te schaffen (cfr. punt 2 hieronder).

Deze vermelding wordt gejustifieerd als publicitietsmaatregel van de naamsverandering ten aanzien van derden en de overheid.

De speciale maatregelen ter bescherming van bedreigde getuigen voorzien in het hoofdtuk VIIter van het Wetboek van strafvordering laat de minister van Justitie toe een naamverandering toe te staan onder voorwaarden die in zeer ruime mate afwijken van de wet van 15 mei 1987. De vermelding in het Belgisch Staatsblad vervangen door de inschrijving in een speciaal gemeentelijk register en de aflevering van afschriften en uittreksels van de burgerlijke stand op basis van artikel 45 van het Burgerlijk wetboek is onderworpen aan het akkoord van de Getuigenbeschermingscommissie (art. 103 Sv.).

De toekenning van de bescherming en meer bepaald de “geheime” naamsverandering zijn onderworpen aan bijzonder strikte voorwaarden. De bescherming kan enkel slaan op personen die bedreigd worden om reden van hun statuut van getuige in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Ze kan eventueel uitgebreid worden tot de naaste gezinsleden en de ouders (art. 102 Sv.).

In de praktijk wordt er niettemin vastgesteld dat de personen die niet kunnen genieten van dit statuut van getuige in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek hun familienaam wensen te wijzigen om legitieme redenen zwaar kunnen lijden onder de publicatie opgelegd in de wet van 15 mei 1987 zonder enige mogelijke uitzondering. Het gaat meer bepaald over personen die bedreigd worden door hun familie of door hun notoriteit (problemen van de eer moorden, kinderen van bekende criminelen die door de pers en het publiek worden achtervolgd) voor wie de publicatie in het Belgisch Staatsblad van hun naamsverandering het objectief zelf tegenspreekt, hen zelfs in gevaar brengt en toelaat hen gemakkelijk terug te vinden (vermelding van hun woonplaats en opzoeking via zoekmotoren op het internet).

Het is bijgevolg noodzakelijk om een vrijstelling te voorzien van deze verplichting tot vermelding, maar ook ze te beperken tot zeer uitzonderlijke omstandigheden, die naar behoren zijn vastgesteld en onder garantie en toezicht van het openbaar ministerie. De vergunning tot verandering van naam vermeldt deze vrijstelling van vermelding en is, bij afwezigheid van vermelding definitief op datum van haar koninklijke ondertekening.

C. Kennisgeving van de verandering van naam aan de begunstigde

De verandering van naam heeft pas gevolg op de dag van de overschrijving van het koninklijk besluit tot vergunning ervan in de registers van de burgerlijke stand door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 8, tweede lid). Met het oog op een snellere afhandeling en op de rechtszekerheid wordt ook voorgesteld dat de minister van Justitie of zijn gemachtigde binnen vijftien dagen na de bekendmaking van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand rechtstreeks zou verzoeken om de overschrijving. Die procedure ligt overigens in de lijn van de informatisering van de burgerlijke stand en de oprichting van de DABS.

Aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, die door de wet reeds ermee is belast om aan de minister van Justitie en aan de ambtenaren van de burgerlijke stand die van de verandering van naam melding moeten maken op de kant van hun akten kennis te geven van de overschrijving (artikel 9), wordt ook gevraagd om de begunstigde ervan op de hoogte te brengen dat de verandering van naam gevolg heeft. Het is nutteloos en contraproductief om de begunstigden daarvan op voorhand kennis te geven, aangezien zij zich van de gevraagde naam ter vervanging niet mogen bedienen vóór de overschrijving van het koninklijk besluit dat die naam toekent en waarmee de procedure wordt afgesloten.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 5 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing