Wijzigingen met betrekking tot vrijwilligerswerk 2019

Geschreven door Lexalert

In de Kamer werd een wetsontwerp neergelegd dat een aantal wijzigingen aan het vrijwilligerswerk aanbrengt. Het betreft het statuut van bestuursverwilligers, de informatieplicht tav vrijwilligers en de verschillende vergoedingen die aan vrijwilligers betaalt worden.

Vrijwilligerswerk is tegelijkertijd een school voor burgerschap, de kweekbodem voor het verenigingsleven, een ontmoetingsruimte voor verschillende culturen en generaties en de belichaming van waarden zoals solidariteit en engagement. Het is eerst en vooral de drijfsfeer van talrijke projecten op sociaal, ecologisch, cultureel of andere gebieden.

Vrijwilligerswerk is ruim verspreid in België. In 2014 deden zowat 1 166 000 personen, namelijk 12,5 % van de bevolking vanaf de leeftijd van 15 jaar en ouder, vrijwilligerswerk bij organisaties.

Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers werd deze wet geëvalueerd door de Hoge Raad voor vrijwilligers (HRV) op verzoek van de minister van Sociale Zaken.

Met dit wetsontwerp wordt de wijziging van allerlei bepalingen van de wet betreffende de rechten van vrijwilligers voorgesteld, op basis van de aanbevelingen van de HRV.

Deze wijzigingen hebben onder andere tot doel te bevestigen dat de wet van toepassing is op de bestuursvrijwilligers, de informatie voor vrijwilligers te verbeteren, de verplaatsingsvergoedingen (fiets, auto,….) gelijk te stellen met die van de ambtenaren, de kosteloze aard van vrijwilligerswerk te benadrukken, de opgelegde limiet van 2 000 km voor het regelmatig vervoer van personen in geval van cumulatie van de forfaitaire kostenvergoeding met de kostenvergoeding van de reële vervoerskosten af te schaffen, de kostenvergoedingen niet vatbaar voor overdracht en voor beslag te maken, de occasionele geschenken die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de kostenvergoeding te bepalen en een wettelijke basis voor de Hoge Raad voor vrijwilligers in te voeren, waarbij hij systematisch moet worden geraadpleegd voor elk reglementair ontwerp over vrijwilligerswerk

Bestuursvrijwilligers

De opstellers van de wet van 2005 hebben duidelijk de wil uitgedrukt dat ze van toepassing is op de bestuurders en mandatarissen van instellingen zonder winstoogmerk, die hun mandaat kosteloos uitoefenen.

In de praktijk ondervinden deze bestuursvrijwilligers evenwel soms moeilijkheden met de fiscale administratie of met de RVA die het vrijwillig karakter van hun activiteit aanvechten wegens de grootte van de organisatie, de uitgeoefende functie (bijvoorbeeld: penningmeester) of de verwarring tussen vergoedingen als vrijwilliger en presentiegeld.

Het wetsontwerp heeft tot doel de praktijken van de administraties waarmee de vrijwilligers in contact zijn op elkaar af te stemmen en het bestuursvrijwilligerswerk aan te moedigen, dat onontbeerlijk is voor het verenigingsleven.

Om als vrijwilligers te kunnen worden beschouwd, moeten de bij het wetsontwerp bedoelde mandatarissen of bestuursorganen alle bepalingen van de wet van 2005 naleven, onder andere geen enkele vergoeding ontvangen of enkel de bij zijn artikel 10 bedoelde kostenvergoedingen, en geen presentiegeld dat een bezoldiging is voor de deelname aan vergaderingen.

De bestuurders-vrijwilligers zijn onderworpen aan de regels in verband met de aansprakelijkheid van de bestuurders, waaronder ook de bijzondere aansprakelijkheid op grond van artikel 442quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 92undecies, C, van het Wetboek van de BTW en artikel 40ter van de RSZ-wet.

Volg op 21 januari 2019 van 12 uur tot 14 uur het online seminar Hervorming Burgerlijk Wetboek: het goederenrecht (met focus op vastgoed) met Stefaan VAN DYCK

Informatie

De organisaties die met vrijwilligers samenwerken moeten hen, voordat zij hun activiteit aanvatten, inlichten over allerlei elementen. Een daarvan is de mogelijkheid dat de vrijwilliger kennis zou kunnen hebben van informatie die onder het “beroepsgeheim” valt. (Worden hier bijvoorbeeld bedoeld, de vrijwilligers actief in ziekenhuizen, die kennis zouden kunnen krijgen van medische gegevens van de patiënten). Met dit wetsontwerp wordt voorgesteld dat niet de vrijwilliger maar de organisatie concreet zou bepalen welke soort informatie onder het geheim valt en in voorkomend geval de vrijwilliger daarover zou inlichten.

Opdat de door de organisaties verstrekte informatie volledig zou zijn, bepaalt het wetsontwerp dat de organisaties de vrijwilligers laten weten dat ze mogen afwijken van de geheimplicht en informatie mogen mededelen aan de procureur des Konings, in geval van ernstig en dreigend gevaar voor de fysieke en mentale integriteit van een minderjarige of van een kwetsbare persoon.

Het wetsontwerp bepaalt eveneens dat de organisaties de vrijwilligers inlichten over het feit dat ze, in het kader van hun activiteiten, gehouden zijn tot een discretieplicht. Het komt immers vaker voor dat vrijwilligers deze plicht moeten nakomen dan ze het “beroepsgeheim” moeten naleven. De discretieplicht is een deontologische verplichting die niet zo absoluut is als het naleven van het beroepsgeheim. De schending ervan is geen strafrechtelijke inbreuk.

Vergoedingen

Benaming:

In dit wetsontwerp wordt voorgesteld de bedragen die de vrijwilligers ontvangen te hernoemen om te benadrukken dat het engagement kosteloos is.

De vergoeding is een terugbetaling van kosten, en dit zelfs wanneer ze forfaitair is. Het woord “vergoedingen” dat in de wet wordt gebruikt, is verwarrend. Om de nadruk te leggen op het feit dat het niet om een bezoldiging voor de activiteit noch over een compensatie gaat, wordt in het wetsontwerp het woord “vergoeding” vervangen door het woord “kostenvergoeding”. Het wetsontwerp wijzigt ook in die zin andere wetgevingen waarin de term vergoedingen voor vrijwilligerswerk wordt gebruikt.

Fietsen autovergoeding:

Het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten werd vervangen door het koninklijk besluit van 13 juli 2017 voor de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Er wordt voortaan naar laatstgenoemd koninklijk besluit verwezen, wat toelaat om het onverantwoord onderscheid tussen de vergoeding voor de vrijwilliger en die voor de werknemer in de private of de openbare sector voor het gebruik van de fiets weg te werken. Inderdaad, de bedragen van de vergoedingen, voorzien in dit koninklijk besluit, gelden eveneens als een ernstige norm voor de privésector.

De verwijziging naar dit koninklijk besluit laat aan organisaties, die de bedragen respecteren, toe om niet meer het bedrag van de kilometervergoeding te moeten bewijzen. Zij moeten wel in staat zijn om te bewijzen, dat de vergoedingen overeenkomen met de reële kosten, dit wil zeggen de vergoede kiliometers, die daadwerkelijk door de vrijwilliger zijn afgelegd.

Vervoer van personen:

Vrijwilligers mogen de forfaitaire kostenvergoeding combineren met de kostenvergoeding van hun reële vervoerskosten. De kostenvergoeding van de reële vervoerskosten is dan beperkt tot 2 000 kilometer per jaar per vrijwilliger.

Vrijwilligerswerk moet voor iedereen toegankelijk zijn. De kosten voor de activiteit mogen dit engagement niet belemmeren.

Indien dit in overeenstemming is met het beleid van hun organisatie, is het raadzaam dat de vrijwilligers, met als voornaamste taak het vervoeren van kwetsbare personen of gerechtigden van hun organisatie, al hun trajecten in dat kader volledig terugbetaald krijgen, en daarnaast gebruik kunnen maken van het eenvoudigere forfaitaire systeem voor hun andere kosten.

Daarom voorziet het wetsontwerp in een uitzondering op de limiet van 2 000 kilometer voor de activiteiten voor het regelmatig vervoer van personen.

Onvatbaarheid voor beslag:

Er wordt voorgesteld de vergoedingen die door de vrijwilligers worden ontvangen niet vatbaar voor overdracht en voor beslag te maken (bijvoorbeeld in het kader van een collectieve schuldenregeling). Deze vergoedingen zijn geen inkomen dat de vrijwilliger verrijkt, maar een terugbetaling van kosten, opdat de uitoefening van zijn vrijwilligerswerk hem persoonlijk zo weinig mogelijk zou kosten. Op deze kostenvergoedingen mag dus logischerwijze geen beslag worden gelegd door de schuldeisers van de vrijwilliger.

De onvatbaarheid voor het beslag zorgt ervoor dat personen met schulden niet worden ontmoedigd om vrijwilligerswerk te doen.

Dit wetsvoorstel voorziet dat de vrijwilligers afstand mogen doen van de onvatbaarheid van het beslag van hun kostenvergoedingen.

Occasionele geschenken:

Er wordt voorgesteld dat occasionele geschenken die de vrijwilligers ontvangen naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis (Kerstmis, Sinterklaasfeest…) niet in aanmerking worden genomen voor de maximabedragen voor de forfaitaire kostenvergoedingen of voor de terugbetaling van de reële kosten in het kader van het uitgeoefende vrijwilligerswerk.

Daarvoor wordt verwezen naar artikel 19, § 2, 14°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders), dat ook geldt voor werknemers en dat ook zou moeten gelden voor de vrijwilligers. Dit artikel is enkel van toepassing op de geschenken waarvan de waarde kleiner is dan de in het K.B. van 28 november 1969 vastgelegde grenzen.

Hoge Raad voor Vrijwilligers (HRV)

Met dit wetsontwerp wordt voorgesteld dat de wettelijke grondslag van de HRV zou worden overgeheveld in de wet zelf.

De Raad dateert van voor de wet van 2005 en werd daarom bij koninklijk besluit opgericht4.

Er wordt eveneens voorgesteld dat de Ministers, behalve in dringende gevallen, elk voorontwerp van wet of ontwerp van koninklijk besluit dat een invloed heeft op het vrijwilligerswerk in België, de HRV systematisch wordt voorgelegd. De Raad zou een advies blijven verstrekken over de wetsvoorstellen die hem worden voorgelegd, of op eigen initiatief.

Bekijk de volledige tekst van het wetsontwerp van 14 december 2018 tot wijziging van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers en van andere wettelijke bepalingen inzake vrijwilligerswerk