Wijzigingen aan de heffing op het sparen (artikel 19bis WIB92)

Geschreven door Mr. Dirk Coveliers, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: GotCredit  

Onder heffing op het sparen wordt de taxatie begrepen inkomsten die belastbaar zijn als ‘interesten’ en die verwezenlijkt wordt bij uitstap uit kapitalisatie-aandelen van bepaalde instellingen voor collectieve belegging. Het gaat om fondsen die minstens een bepaald percentage van hun vermogen beleggen in kwalificerende schuldvorderingen. Dat percentage bedraagt vandaag 25 % (art. 19bis WIB92). Zij is enkel van toepassing op particulieren, die inwoners van België zijn en onderworpen zijn aan de Belgische personenbelasting.

Er worden drie wijzigingen aangebracht aan het huidig taxatieregime van artikel 19bis WIB92.

1. Verlaging van het drempelpercentage voor beleggingen in schuldvorderingen van 25 % naar 10 %

Tot nu toe was deze drempel afgestemd op de drempel voorzien voor het al dan niet uitwisselen van informatie in het kader van de Spaarrichtlijn. Door de opheffing van de Spaarrichtlijn en de invoering van de automatische gegevensuitwisseling (Com-mon Reporting Standard) is deze link met 25 % niet langer relevant. Om ook de ICB’s die slechts in meer beperkte mate in schuldvorderingen beleggen in aanmer-king te nemen, wordt er voor gekozen de drempel verder te verlagen, maar niet volledig op te heffen.

De drempel blijft op 10 pct., zodat pure aandelenfondsen niet mee in het bad getrokken worden omwille van de liquide middelen die zij tijdelijk aanhouden.

Deze uitbreiding is van toepassing op rechten van deelneming van zo’n fondsen die vanaf 1 januari 2018 verworven worden.

Rechten van deelneming van fondsen die tussen 10 en 25 % van hun vermogen beleggen in schuldvorderingen blijven aldus buiten het toepassingsgebied indien zij verworven zijn voor 1 januari 2018.

Wanneer zo’n fondsen na 1 januari 2018 verkocht en er zowel rechten voor als na 1 januari 2018 in de beleggingsportefeuille zitten, dan zal de wijziging van drempel enkel uitwerking hebben op het deel van de inkomsten dat betrekking heeft op de vanaf 1 januari 2018 verworven rechten van deelneming.

2. Breder toepassingsgebied door de aanpassing van de terminologie van artikel 19bis WIB92

In het artikel 19 bis WIB 92 wordt de term ‘collectieve beleggingsinstelling in effecten’ vervangen door de term ‘instelling voor collectieve belegging’ (ICB), zodat ook alternatieve instellingen voor collectieve belegging (AICB) die niet enkel in effecten beleggen, zoals vereist voor een ICBE, onder het toepassingsgebied van dit artikel terechtkomen.

Door de verwijzing naar ‘in effecten’ weg te laten wordt het toepassingsgebied uitgebreid naar de de ruimere categorie van Instellingen voor Collectieve Belegging.

Ook Private Equity fondsen, zoals de openbare PRIVAKs of de Luxemburgse SICAR, Hedge fondsen en ETF (trackers) kunnen nu onder het toepassingsgebied komen.

Deze uitbreiding is eveneens van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend aan vanaf 1 januari 2018 verworven rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging.

Voor een meer gedetailleerde toelichting bij deze wijziging, zie artikel in Fiscoloog van 13 december 2017 (hyperlink).

3. Opheffing van dubbelzinnigheid of Belgische koepelfondsen al dan niet onder het toepassingsgebied van artikel 19bis WIB 92 vallen door taxatie van de realisatie van hun participaties in dergelijke fondsen

De laatste jaren genieten financiële producten die bestaan uit een Belgisch gemeen-schappelijke beleggingsfonds (GBF) dat alleen maar participaties aanhoudt in kapitalisatie-aandelen van beleggingsvennootschappen die op zich onderworpen zijn aan RV bij uitstap (conform artikel 19 bis WIB 92), een grote bijval. De aanbieders van zo’n producten verdedigen dat er bij uitstap uit het topfonds geen RV, noch (verhoogde) beurstaks verschuldigd is, terwijl er ook geen RV of beurstaks verschuldigd is bij verzilvering van onderliggende kapitalisatie-aandelen door het top- of koepelfonds.

Aan dit voordelig regime wordt nu komaf gemaakt door:

  1. De realisaties van participaties van het topfonds in beleggingsvennootschappen, die onder de toepassing van artikel 19bis WIB92 vallen, te onderwerpen aan RV.
  2. De inkomsten die nadien door datzelfde beleggingsfonds verleend of toegekend worden, vrij te stellen van RV in de mate dat deze inkomsten voortkomen uit dividenden, interesten en inkomsten van artikel 19bis WIB92 en voor zover de beheersvennootschap van het fonds een ventilatie hiervan voorlegt.

Artikel 321 bis WIB voorziet in een ventilatieplicht waarbij per categorie van inkomsten het bedrag opgegeven moet worden van toegekende of uitgekeerde inkomsten.

Die ventilatie moet gebeuren door de door de Koning vastgestelde regels. Dit Koninklijk besluit moet nog uitgevaardigd worden.

Bij gebrek aan ventilatie van de beheersvennootschap worden de inkomsten in hun totaliteit als interesten belastbaar volgens artikel 19 ter WIB.

Lees ook: Taks op effectenrekening - TER

Verder wordt er voor de nieuwe vrijstelling op basis van de ventilatieplicht geen onderscheid gemaakt naargelang het een Belgisch of een buitenlands gemeenschappelijk beleggingsfonds betreft. Voor buitenlandse koepelfondsen kan dit resulteren in een bijkomende aangifteplicht van de inkomsten door de belegger.

Deze wijziging treedt in werking op de dag van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.