Vrijstelling van interesten van bepaalde leningen afgesloten via een crowdfundingplatform

Geschreven door Lexalert

De circulaire 2017/C/17 bespreekt de bepalingen van art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, die een vrijstelling van de interesten met betrekking tot de eerste schijf van 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor het aj. 2017) voorziet van bepaalde leningen die zijn afgesloten met kleine startende vennootschappen en met tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform. Ze werd op 5 april 2017 gepubliceerd door de FOD Financiën op www.fisconet.be. 

I. Inleiding

II. Wetteksten

III. Bedoelde kredietgevers

IV. Bedoelde kredietnemers

1. Kleine vennootschap 
2. Aanvang van de activiteit

V. Kenmerken van de leningen

1. Minimale looptijd: 4 jaar 
2. Wijze van vergoeding 
3. Uitsluiting van de herfinancieringsleningen 
4. Tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform 
5. Beperking van de vrijstelling

VI. Toepassing van de roerende voorheffing (RV)

VII. Aangifte in de personenbelasting (PB)

1. Controlemaatregelen 
2. Aangifte van de inkomsten

VIII. Voorbeeld

IX. Bewijs dat voldaan is aan de voorwaarden voor de vrijstelling

X. Inwerkingtreding

 

Volg het on demand seminarie Aangifte personenbelasting aanslagjaar 2017 met Maurice DE MEY

I. Inleiding

1. Deze circulaire bespreekt de bepalingen van art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92 (1), dat een belastingvrijstelling invoert op de interesten van bepaalde leningen die zijn afgesloten met kleine startende vennootschappen en met tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform.

(1) Zoals ingevoegd door art. 60, PW 10.08.2015 (BS 18.08.2015, Ed. 2, blz. 53834 e.v.), en achtereenvolgens gewijzigd:
(1) wat betreft de definitie van 'kleine vennootschap' zoals bedoeld in art. 21, eerste lid, 13°, a), WIB 92, door art. 45, W 18.12.2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (BS 30.12.2015, blz. 80368 e.v.)

(2) wat betreft de hoedanigheid van de kredietnemer, de tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform, de aard van de lening en de bewijsmiddelen, door art. 37, W 18.12.2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën.

II. Wetteksten

2. Art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, bepaalt (2):

'De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet :

13° onverminderd de toepassing van artikel 18, eerste lid, 4°, en tweede lid, interesten met betrekking tot de eerste schijf van 9.965 euro per jaar en per belastingplichtige van nieuwe buiten de beroepswerkzaamheid van de kredietgever afgesloten leningen die gedurende vier jaar werd uitgeleend door een natuurlijk persoon aan een onderneming met tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform teneinde die onderneming in staat te stellen nieuwe economische initiatieven te financieren, mits de volgende voorwaarden worden nageleefd:

a) de kredietnemer wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen;

b) de kredietnemer is sinds ten hoogste 48 maanden ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen of in een gelijkaardig register in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

c) de leningen zijn afgesloten op basis van een jaarlijks te betalen interestvoet voor een minimale looptijd van 4 jaar;

d) de herfinancieringsleningen worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze maatregel;

e) het Belgische crowdfundingplatform of het crowdfundingplatform naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte moet als alternatieve-financieringsplatform zijn vergund door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten of moet worden uitgebaat door een Belgische gereglementeerde onderneming of een gereglementeerde onderneming naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die, op grond van haar statuut, een dergelijke activiteit mag verrichten, conform de wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën;

f) de leningen worden aan de startende ondernemingen verstrekt hetzij door de belastingplichtigen die op beleggingsinstrumenten inschrijven, die deze leningen materialiseren en die door deze ondernemingen worden uitgegeven in het kader van een aanbieding tot verkoop of tot inschrijving conform de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, hetzij door een financieringsvehikel als bedoeld in de wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën, conform voornoemde wet van 16 juni 2006, beleggingsinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de belastingplichtigen'.

(2) In art. 21, eerste lid, 13°, a), WIB 92, zijn de woorden 'of is een natuurlijke persoon die op overeenkomstige wijze beantwoordt aan de criteria van het voormelde artikel 15' door art. 37, 1°, W 18.12.2016 opgeheven.

Art. 21, eerste lid, 13°, e), WIB 92, werd vervangen door art. 37, 2°, W 18.12.2016. De wettekst bepaalde aanvankelijk 'e) het crowdfundingplatform moet erkend zijn door de FSMA of een gelijkaardige Autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte'.

Art. 21, eerste lid, 13°, f), WIB 92, werd ingevoegd door art. 37, 3°, W 18.12.2016.

Art. 21, tweede lid, WIB 92, werd ingevoegd door art. 37, 4°, W 18.12.2016.

Art. 21, tweede lid, WIB 92, bepaalt (3):

'De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs moet worden geleverd dat aan de in het eerste lid, 13°, vermelde voorwaarden wordt voldaan.'

(3) Art. 21, tweede lid, WIB 92, werd ingevoegd door art. 37, 4°, W 18.12.2016.

III. Bedoelde kredietgevers

3. De bedoelde vrijstelling is uitsluitend bedoeld voor verkrijgers natuurlijke personen, inwoners of niet-inwoners, die handelen buiten de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid (4).

(4) Zie art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92.

Net als de eerste schijven van 1.250 euro (niet-geïndexeerd bedrag) van de inkomsten uit spaardeposito’s en 125 euro (niet-geïndexeerd bedrag) van dividenden van erkende coöperatieve vennootschappen, geldt de belastingvrijstelling niet voor de aan de VenB of aan de RPB onderworpen rechtspersonen (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 67).

4. De ondernemers en de bedrijfsleiders van de vennootschap die handelen als privé persoon kunnen eveneens de vrijstelling van de interesten genieten (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66).

5. De interesten van leningen zoals bedoeld in titel V kunnen overeenkomstig art. 18, eerste lid, 4° en tweede lid, WIB 92, worden geherkwalificeerd in dividenden. Indien een deel van de interesten wordt geherkwalificeerd in dividenden, komt het gedeelte van de lening dat betrekking heeft op die interesten niet in aanmerking voor de berekening van de grens van 9.965 euro (te indexeren). Er wordt op gewezen dat de herkwalificatie bij voorrang zal worden aangerekend op de interesten die niet de vrijstelling van art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, kunnen genieten.

IV. Bedoelde kredietnemers

6. De maatregel heeft tot doel een zekere vorm van financiering voor startende KMO’s aan te moedigen (zie Parl. St., zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 65). De kredietnemer moet daarom de volgende kenmerken vertonen.

1. Kleine vennootschap

7. De leningen moeten afgesloten zijn met een kleine vennootschap in de zin van art. 15, §§ 1 tot 6, W.Venn (5).

(5) Zie art. 21, eerste lid, 13°, a), WIB 92, zoals gewijzigd door art. 37, 1°, W 18.12.2016. De maatregel beoogde initieel eveneens de kredietnemers natuurlijke personen die  beantwoordden aan de criteria van art. 15, W.Venn. Zij werden evenwel van de maatregel uitgesloten door art. 37, 1°, W 18.12.2016, als gevolg van de opmerking van de Raad van State dat de natuurlijke personen niet gemachtigd zijn om schuldinstrumenten uit te geven overeenkomstig art. 68bis, W 16.06.2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. De fiscale wetgeving en de financiële wetgeving dienden op dit punt in overeenstemming te worden gebracht (zie Parl. St., Kamer, zitting 2015-2016, DOC 54 2072/001, blz. 39).

Voor meer informatie met betrekking tot de vaststelling en de toepassing van die criteria wordt verwezen naar art. 15, §§ 2 tot 6, W.Venn.

8. Voor vennootschappen die met hun bedrijf starten, worden voor de toepassing van die criteria, deze cijfers bij het begin van het boekjaar te goeder trouw geschat. Indien uit die schatting blijkt dat meer dan één van de criteria zullen overschreden worden gedurende het eerste boekjaar, moet daar voor dat eerste boekjaar meteen rekening mee worden gehouden (zie art. 15, § 3, W.Venn).

Voor de bijzonderheden met betrekking tot de vaststelling van die criteria, inzonderheid in het geval van een boekjaar van meer of minder dan 12 maanden, wordt eveneens verwezen naar art. 15, W.Venn.

2. Aanvang van de activiteit

9. De kredietnemer moet sinds ten hoogste 48 maanden ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) of in een gelijkaardig register in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER) (6).

(6) Zie art. 21, eerste lid, 13°, b), WIB 92.

Die periode van maximum 48 maanden vangt aan vanaf de datum van registratie in de KBO of in een gelijkaardig register in een andere lidstaat van de EER (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66).

10. De kredietnemers die zich in de volgende situaties bevinden, zijn daarom bv. uitgesloten van de maatregel (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66 en 67):

-     het louter onderbrengen in een vennootschap van activiteiten die voorheen reeds als natuurlijke persoon werden uitgeoefend

-     het overbrengen van bestaande activiteiten van de ene naar de andere vennootschap door inbreng, fusie, splitsing of een daarmee gelijkgestelde verrichting.

De uitsluiting voorzien in het vorige lid zal evenwel niet van toepassing zijn wanneer de overgebrachte vennootschap ten hoogste 48 maanden is ingeschreven en voor zover de verkrijgende vennootschap eveneens ten hoogste 48 maanden zal ingeschreven zijn.

V. Kenmerken van de leningen

11. De vrijstelling is van toepassing op de interesten van bepaalde leningen die privé zijn afgesloten tussen een natuurlijke persoon en een vennootschap zodat die laatste een nieuw economisch initiatief kan financieren. Met andere woorden, de aangetrokken fondsen zullen moeten bestemd zijn voor de ontwikkeling van nieuwe economische projecten.

Onder lening wordt verstaan, een overeenkomst waarbij de kredietgever aan de kredietnemer een overeengekomen som geld ter beschikking stelt voor een overeengekomen termijn en krachtens dewelke de kredietnemer gehouden is tot de betaling van de interesten die op elke vervaldag verschuldigd zijn aan de kredietgever en tot de terugbetaling van die som binnen de overeengekomen termijn (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66).

De bedoelde leningen moeten inzonderheid beantwoorden aan de voorwaarden zoals bepaald in art. 21, eerste lid, 13°, c) tot f), WIB 92, die hierna worden vermeld.

1. Minimale looptijd: 4 jaar

12. De leningen moeten afgesloten zijn voor een minimale looptijd van vier jaar (7) .

(7) Zie art. 21, eerste lid, 13°, c), WIB 92.

Om die looptijd te berekenen, moet men vertrekken van de datum die wordt verstrekt door het erkend crowdfundingplatform (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66).

2. Wijze van vergoeding

13. De leningen moeten afgesloten zijn op basis van een jaarlijks te betalen interestvoet (8).

(8) Zie art. 21, eerste lid, 13°, c), WIB 92.

Die voorwaarde heeft betrekking op de wijze van berekening van de interesten en niet op de periodiciteit van hun toekenning. Zo moeten de interesten niet noodzakelijk jaarlijks worden betaald maar kunnen ze bv. ook per maand, per trimester of per semester worden betaald (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 68).

3. Uitsluiting van de herfinancieringsleningen

14. De herfinancieringsleningen worden niet in aanmerking genomen(9).

(9) Zie art. 21, eerste lid, 13°, d), WIB 92.

Het moet gaan om nieuwe leningen die de financiering van nieuwe initiatieven beogen (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66).

4. Tussenkomst van een erkend crowdfundingplatform

15. De bepaling heeft tot doel crowdfunding voor startende vennootschappen aan te moedigen.

Crowdfunding (vrij vertaald 'financiering door de menigte' of 'financiering door het brede publiek') verwijst naar initiatieven waarbij vaak via internet geld bij het publiek wordt opgehaald voor een specifiek doel. Om dat geld bij elkaar te krijgen, stelt de initiatiefnemer het project voor en vermeldt hij het benodigde bedrag voor de verwezenlijking van het project. Het basisidee voor crowdfunding is dat vele personen een klein bedrag investeren en dat die kleine investeringen samen een project financieren (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 65).

Het is een manier om projecten, onafhankelijk van de financiële sector, financieel te steunen. Wanneer KMO’s een project willen financieren, gaan ze doorgaans naar de bank. Crowdfunding werkt zonder tussenkomst van kredietinstellingen. Het is een alternatieve financieringsvorm naast het traditionele banksysteem.

De bedragen die worden geïnvesteerd in crowdfunding zijn over het algemeen kleine bedragen (tussen de tien en duizenden euro), in ruil voor een vooraf bepaalde tegenprestatie.

16. Het Belgische crowdfundingplatform of het crowdfundingplatform naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte moet als alternatief financieringsplatform zijn vergund door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten of moet worden uitgebaat door een Belgische gereglementeerde onderneming of een gereglementeerde onderneming naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die, op grond van haar statuut, een dergelijke activiteit mag verrichten, conform de W 18.12.2016 (10).

(10) Zie art. 21, eerste lid, 13°, e), WIB 92, zoals vervangen door art. 37, 2°, W 18.12.2016.

17. Bijgevolg moeten de leningen aan de startende ondernemingen worden verstrekt (11):

-     hetzij door de belastingplichtigen die op beleggingsinstrumenten inschrijven, die deze leningen materialiseren en die door deze ondernemingen worden uitgegeven in het kader van een aanbieding tot verkoop of tot inschrijving conform de W 16.06.2006,

-     hetzij door een financieringsvehikel zoals bedoeld in de W 18.12.2016 dat conform de voormelde W 16.06.2006, beleggingsinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de belastingplichtigen.

(11) Zie art. 21, eerste lid, 13°, f), WIB 92, zoals ingevoegd door art. 37, 3°, W 18.12.2016.

5. Beperking van de vrijstelling

18. In vergelijking met de andere vrijstellingen die zijn voorzien in art. 21, WIB 92, vertoont de vrijstelling die is ingevoerd in het kader van crowdfunding de bijzonderheid dat ze niet beperkt is in functie van het bedrag van de inkomsten maar in functie van het geïnvesteerde bedrag.

Zo is de vrijstelling beperkt tot de interesten op de eerste schijf van 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor het aj. 2017) (12), per jaar en per belastingplichtige, van nieuwe leningen die zijn afgesloten over een periode van 4 jaar.

(12) Het basisbedrag is 9.965 euro. Het geïndexeerde bedrag voor de aj. 2016 en 2018 bedraagt eveneens 15.000 euro.

Om die eerste schijf van 15.000 euro te berekenen, moet bij elke interestbetaling rekening worden gehouden met het totaal van de beoogde leningen die nog niet afgelopen zijn en die in de loop van de vier vorige jaren werden afgesloten (13). Vermits er geen maximumduur van de leningen is vastgelegd, moet die berekening in de loop van de tijd verschuiven telkens op basis van een periode van vier jaar (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 66). Dat wordt verduidelijkt in titel VIII hierna.

(13) In tegenstelling tot de Franse versie van dat deel van de Parl. St., is de Nederlandse versie van die tekst duidelijk en sluit ze aan bij de bewoordingen van art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92.

Het begrip 'bij elke interestbetaling' stemt overeen met het moment van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten in de zin van art. 267, WIB 92.

VI. Toepassing van de roerende voorheffing (RV)

19. Er kan worden aanvaard dat bij de inhouding van de RV aan de bron, de schuldenaar van de inkomsten de vrijstelling van 15.000 euro bekijkt in functie van de leningen die hijzelf heeft afgesloten met de belastingplichtige, zonder rekening te houden met de eventuele leningen die deze laatste zou hebben afgesloten met andere kredietnemers (14).

(14) De redenen daarvoor zijn vergelijkbaar met wat gebruikelijk is voor de interesten van gewone spaardeposito’s zoals bedoeld in art. 21, eerste lid, 5°, WIB 92. Er kan inzonderheid worden verwezen naar de mondelinge parlementaire vraag nr. 5569 van de heer Jacques Chabot (Kamer, zitting 2004-2005, Integraal Verslag, CRIV 51 COM 505, blz. 36 tot 38).

Die pragmatische benadering kan worden toegepast aangezien de verkrijger van de inkomsten verplicht is de inkomsten, die de vrijgestelde schijf zouden overschrijden en die geen inhouding aan de bron van de RV zouden hebben ondergaan, aan te geven (zie nr. 22). Zij is bovendien in overeenstemming met de wil van de wetgever die eveneens voorziet in de mogelijkheid dat er onvoldoende RV is ingehouden aan de bron (zie Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 67).

Niettemin is het duidelijk dat er inhouding is van RV, indien de belastingplichtige aan de schuldenaar van de inkomsten laat weten dat de bedoelde lening de grens van 15.000 euro, zoals voorzien in art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92 (15) , overschrijdt.

(15) Zie, naar analogie, de toepassingsmodaliteiten van art. 21, eerste lid, 5°, WIB 92 (parlementaire vraag nr. 387 van 12.05.2004 gesteld door de heer Volksvertegenwoordiger Carl Devlies, Kamer, zitting 2005-2006, QRVA 51 112, blz. 21079 en 21080).

VII. Aangifte in de personenbelasting (PB)

1. Controlemaatregelen

20. De belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de PB zijn gehouden, in hun hoedanigheid van kredietgever, in hun jaarlijkse aangifte in de inkomstenbelastingen, melding te maken van het aantal leningen zoals bedoeld in art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, die ze hebben afgesloten (zie art. 307, § 1, elfde lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 63, PW 10.08.2015).

Het gaat hier om het geheel van leningen die beantwoorden aan de kenmerken zoals bepaald in art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, ongeacht of de inkomsten ervan al dan niet zijn vrijgesteld.

21. Bovendien moeten de kredietgevers de boeken en bescheiden met betrekking tot die leningen aan de administratie voorleggen op haar uitdrukkelijk verzoek (zie art. 315, tweede lid, 4°, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 65, PW 10.08.2015 en Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 67).

Ten slotte kan de administratie eveneens, in voorkomend geval, bij het crowdfundingplatform de nodige informatie inwinnen (zie art. 323bis, WIB 92 en Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 67).

2. Aangifte van de inkomsten

22. Enkel de interesten met betrekking tot de eerste schijf van 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor het aj. 2017) die door de belastingplichtige wordt uitgeleend, zijn gedurende een periode van vier jaar vrijgesteld.

Bijgevolg, wanneer een belastingplichtige (in voorkomend geval, globaal) een hoger bedrag heeft uitgeleend, moet hij dat excedent vermelden in zijn aangifte, behalve wanneer de RV door de kredietnemer werd ingehouden op dat gedeelte (zie art. 313, eerste lid, 6°, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 64, PW 10.08.2015 en Parl. St., Kamer, zitting 2014-2015, DOC 54 1125/001, blz. 67).

De interesten die, na de eerste vier jaar vanaf de afsluiting van de lening, worden voortgebracht, zijn niet meer vrijgesteld zodat ze in principe het voorwerp zullen uitmaken van een inhouding van de RV aan de bron (die RV is in dat geval bevrijdend in de PB (16) aangezien het per definitie gaat om een lening die door een belastingplichtige werd verstrekt buiten de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid).

(16) D.w.z. dat de aangifte van die inkomsten in de PB facultatief is.

VIII. Voorbeeld

23. Op 15.04.2017 staat een natuurlijke persoon een lening toe van 10.000 euro (lening 1) aan een nieuw opgerichte kleine vennootschap, met een looptijd van 6 jaar (jaarlijkse interestvoet: 4 %, namelijk 400 euro, tot 15.04.2023). Die lening beantwoordt aan de voorwaarden zoals bepaald in art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92, en er is op die datum geen enkele andere crowdfunding lening.

Op 01.07.2018 staat dezelfde belastingplichtige een nieuwe lening toe voor een bedrag van 9.000 euro (lening 2) aan een andere nieuw opgerichte kleine vennootschap, met een looptijd van 7 jaar (jaarlijkse interestvoet: 5 %, namelijk 450 euro, tot 01.07.2025). Die lening beantwoordt eveneens aan de voorwaarden van art. 21, eerste lid, 13°, WIB 92.

De interesten op die leningen zijn jaarlijks betaalbaar.

Om het voorbeeld te vereenvoudigen, zal de grens van 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor de aj. 2016 tot 2018) van de leningen die zijn vrijgesteld, behouden blijven in de tijd.

24. Aangezien elk van de leningen minder bedraagt dan 15.000 euro, zullen de interesten die erop betrekking hebben in principe geen inhouding van de RV aan de bron hebben ondergaan (zie nr. 19).

SITUATIE VOOR HET JAAR 2018

25. Op 15.04.2018 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 1 (1ste vervaldag op 6).

Op die datum is het totaal bedrag van de leningen die in de loop van de 4 vorige jaren werden afgesloten, gelijk aan 10.000 euro, wat minder is dan 15.000 euro. Daarenboven bevindt men zich in de 4 jaar die volgt op de datum van afsluiting van lening 1.

Bijgevolg is het totaal bedrag van de interesten met betrekking tot lening 1, namelijk 400 euro (4 % van 10.000 euro), vrijgesteld.

SITUATIE VOOR HET JAAR 2019

26. Op 15.04.2019 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 1 (2de vervaldag op 6).

De situatie is niet veranderd in vergelijking met de toekenning van de interesten in het vorige jaar (zie nr. 25) zodat het totaal bedrag van de interesten (namelijk 400 euro) is vrijgesteld.

27. Op 01.07.2019 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 2 (1ste vervaldag op 7).

Op die datum is het totaal bedrag van de leningen die in de loop van de 4 vorige jaren werden afgesloten, gelijk aan 19.000 euro en dus boven de grens van 15.000 euro.

Bijgevolg moet het bedrag van de vrijgestelde interesten worden beperkt. Die beperking geldt uitsluitend voor de interesten die betrekking hebben op lening 2 (de leningen worden chronologisch gerangschikt):

  Bedragen in euro
Totaal bedrag van de leningen afgesloten in de loop van de 4 vorige jaren (17):

Lening 1: 10.000 EUR

Lening 2: +9.000 EUR

19.000 EUR

Excedent van het uitgeleende bedrag in vergelijking met de grens van 15.000 euro, uitsluitend toegerekend op lening 2: 19.000 - 14.000 = 5.000 EUR

Belastbaar bedrag van de interesten met betrekking tot lening 2:

5% van 4.000 = 200 EUR

 

(17) Het gaat om leningen die zijn afgesloten in de loop van de 4 vorige jaren. De leningen die vroeger zijn afgesloten, komen niet in aanmerking voor de vrijstelling en komen dus niet voor in de berekening van de grens van 15.000 euro.

SITUATIE VOOR DE JAREN 2020 EN 2021

28. Op 15.04.2020 en 15.04.2021 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 1 (3de en 4de vervaldag op 6).

Op die datum is het totaal bedrag van de leningen die in de loop van de 4 vorige jaren werden afgesloten, gelijk aan 19.000 euro en dus boven de grens van 15.000 euro.

De beperking van de vrijstelling geldt echter niet voor die lening (zie nr. 27) waarvan de jaarlijkse interesten (namelijk 400 euro) volledig vrijgesteld blijven gedurende de eerste 4 jaar van de afsluiting van de lening.

29. Op 01.07.2020 en 01.07.2021 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 2 (2de en 3de vervaldag op 7).

Dezelfde situatie als op 01.07.2019 (zie nr. 27): de jaarlijkse interesten van die lening zijn belastbaar voor een bedrag van 200 euro. Dat bedrag vertegenwoordigt de interest die betrekking heeft op het gedeelte van lening 2 dat de grens van 15.000 euro overschrijdt.

Voor de aj. 2021 en 2022 zal een bedrag van 200 euro verplicht moeten worden aangegeven als interesten waarop geen RV aan de bron werd ingehouden.

SITUATIE VOOR HET JAAR 2022

30. Op 15.04.2022 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 1 (5de vervaldag op 6).

Op die datum is het totaal bedrag van de leningen die in de loop van de 4 vorige jaren werden afgesloten, gelijk aan 9.000 euro (het gaat om lening 2) en dus onder de grens van 15.000 euro.

Lening 1 komt niet meer in aanmerking voor de vrijstelling aangezien zij meer dan 4 geleden werd afgesloten. Het totaal bedrag van de interesten die zijn toegekend op 15.04.2022 (namelijk 400 euro), is belastbaar en er moet RV aan de bron worden op ingehouden.

31. Op 01.07.2022 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 2 (4de vervaldag op 7).

Op die datum komt enkel lening 2 in aanmerking voor de berekening van de grens van 15.000 euro. Het bedrag van de lening bedraagt 9.000 euro en het totaal bedrag van de interesten die er jaarlijks op betrekking hebben (namelijk 450 euro), is vrijgesteld.

SITUATIE VOOR HET JAAR 2023

32. Op 15.04.2023 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 1 (6de en laatste vervaldag).

Op die datum werden zowel lening 1 als lening 2 meer dan 4 jaar geleden afgesloten. Er zijn geen leningen meer die in de loop van de 4 vorige jaren werden afgesloten.

Het totaal bedrag van de interesten die zijn toegekend op 15.04.2023 met betrekking tot lening 1 (namelijk 400 euro), is belastbaar en er moet RV aan de bron worden op ingehouden.

33. Op 01.07.2023 is er de jaarlijkse betaling van de interesten van lening 2 (5de vervaldag op 7).

Op die datum komt lening 2 niet meer in aanmerking voor de vrijstelling aangezien zij meer dan 4 jaar geleden werd afgesloten. Bijgevolg is het totaal bedrag van de interesten die erop betrekking hebben (namelijk 450 euro), belastbaar en er moet RV aan de bron worden op ingehouden.

SAMENVATTING (BEDRAGEN IN EURO)

Twee leningen zijn afgesloten op verschillende datums => vrijstelling van de 1ste schijf van 15.000 euro, chronologisch gerangschikt volgens de afsluiting van de leningen (niet volgens de datum van de toekenning van de interesten)

Jaar van de inkomsten

Lening 1: 10.000

15.04.2017 - 15.04.2023

Jaarlijkse interestvoet: 4 %

Lening 2: 9.000

01.07.2018 - 01.07.2025

Jaarlijkse interestvoet: 5 %