Visitatierecht fiscus: Grondwettelijk Hof blaast koud en (een beetje) warm …

Geschreven door Tax Litigation Team , Tiberghien, www.tiberghien.com

Het visitatierecht van de fiscale administratie boeit iedere belastingplichtige en fiscalist al jaren.

In 2016 stelde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen – afdeling Gent een prejudiciële vraag hierover aan het Grondwettelijk Hof. De vraag werd gesteld of het visitatierecht de toets met de Grondwet en het EVRM (zijnde het grondrecht op eerbiediging van het privéleven) kan doorstaan, indien men uitgaat van het principe dat fiscale ambtenaren onbeperkt vrije toegang tot bedrijfslokalen kunnen eisen om vervolgens deze lokalen te doorzoeken op een manier die aan een strafrechtelijke huiszoeking doet denken.         

Het Grondwettelijk Hof heeft nu beslist in een arrest van 12 oktober 2017 dat er geen sprake is van een schending van de Grondwet in samenhang gelezen met het EVRM.            

Volg het on demand seminarie Testamenten – 10 topics uit de schaduw gelicht met Bart VAN DEN BERGHE

Het Hof oordeelt dat de fiscale visitatie inzake de inkomstenbelastingen en de belasting over de toegevoegde waarde gepaard gaat met voldoende waarborgen tegen misbruik. Aldus is een effectieve rechterlijke controle van de regelmatigheid van een fiscale visitatie en het verkregen bewijs mogelijk.         

Het Hof stelt o.a. dat een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking van de belastingplichtige vereist dat de fiscale administratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bv. gesloten kasten of kluizen te openen. De fiscale wetgeving laat de bevoegde belastingambtenaren evenwel niet toe om de inzage van boeken en stukken of bescheiden eigenmachtig af te dwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet. Indien de wetgever een dergelijke afdwingbaarheid had beoogd, dan had de wetgever dit uitdrukkelijk moeten voorzien en de voorwaarden daartoe nauwkeurig moeten omschrijven, wat niet het geval is.  

Uiteraard moet worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof enkel uitspraak doet binnen de contouren van de prejudiciële vraag. Een juiste interpretatie en contextualisering is dan ook aan de orde. Een nadere diepgaande analyse volgt dan ook later …