Vakantiegeld bij overstap van deeltijds naar voltijds: een molensteen in de kikkerpoel?

Geschreven door Mr. Willy van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte, Tacquet en Clesse, www.bellaw.be
Foto: Andrew Nash  

HvJ nr. C-219/14 van 11 november 2015 (Greenfield/The Care Bureau) 

In een op Wapenstilstandsdag gewezen arrest geeft het Hof van Justitie van de Europese Unie enkele richtlijnen voor de berekening van de vakantie en het vakantiegeld van werknemers die overstappen van een deeltijdse naar een voltijdse tewerkstelling. Over de omgekeerde situatie heeft het Hof zich al eerder uitgesproken: de vermindering van arbeidstijd kan het in een tijdvak van voltijdarbeid opgebouwde recht op jaarlijkse vakantie niet reduceren (zie www.sociaalcompendium.be).

Men weet dat het Hof van Justitie in 2012 heeft beslist dat het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon gedurende minstens vier weken dat de Arbeidstijdrichtlijn 2003/88 waarborgt, niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat tijdens een bepaalde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt. Om die reden heeft de Belgische wetgever, op een weliswaar onvolkomen manier, de zgn. Europese vakantie ingevoerd in de vorm van een aanvullende vakantie bij aanvatting of hervatting van een activiteit als werknemer (zie SoCompact nr. 27-2012). De loskoppeling, door het recht van de Europese Unie, van het recht op vakantie in elk jaar van de opbouw van dat recht in het vakantiedienstjaar die het Belgisch arbeidsrecht kent, moet men goed voor ogen houden bij de interpretatie van het hier gesignaleerde arrest.

Volg het on demand seminarie Temporele werkgeversflexibiliteit – Mogelijkheden en beperkingen met Sigrid DEREYMAEKER

Het uitgangspunt bij een verandering van arbeidstijdregeling is het volgende, aldus het Hof: werkt een werknemer volgens verschillende werkschema’s, dan moet het aantal opgebouwde eenheden jaarlijkse rusttijd voor ieder tijdvak afzonderlijk worden berekend in verhouding tot het aantal gewerkte arbeidseenheden. Toegepast op de Belgische situatie betekent dit dat een werknemer die een half jaar voltijds werkt, een half jaar deeltijds, in dat jaar recht heeft op twee weken vakantie met een voltijds enkel vakantiegeld, twee weken met een deeltijds enkel vakantiegeld. De Arbeidstijdrichtlijn 2003/88 waarborgt enkel het “behoud van loon” en heeft dus geen betrekking op dubbel vakantiegeld.

Bij overstap van een deeltijdse naar een voltijdse arbeidsregeling moet het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon opnieuw worden berekend m.b.t. het tijdvak waarin het aantal door een werknemer gewerkte uren is verhoogd, zo vervolgt het Hof van Justitie. Toegepast op Belgisch recht betekent dit dat het recht van de Europese Unie eist dat een werknemer die in het vakantiedienstjaar deeltijds werkte en in het vakantiejaar voltijds werkt, een volledige vakantie van vier weken met behoud van loon - lees: met een voltijds enkel vakantiegeld - moet krijgen.

De in het tijdvak van deeltijdarbeid al opgenomen eenheden jaarlijkse vakantie met behoud van loon die de in dat tijdvak opgebouwde recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te boven gingen, moeten in mindering worden gebracht op het recht dat nieuw is opgebouwd in het tijdvak van arbeid waarin het aantal door de werknemer gewerkte uren is verhoogd, zo vervolgt het Hof.

Het Hof zegt ook iets over de berekening van de financiële vergoeding die verschuldigd is voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Die financiële vergoeding moet volgens dezelfde regels worden berekend als het normale loon, te weten het loon dat moet worden doorbetaald tijdens de rustperiode overeenkomend met de jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Toegepast op de Belgische situatie betekent dit dat de werknemer die overstapt van een deeltijdse naar een voltijdse betrekking, wanneer hij wordt ontslagen nadat hij voltijds is beginnen werken, maar vooraleer hij in die arbeidsregeling vakantie nam, recht heeft op een vertrekvakantiegeld berekend op voltijds loon. Hier laat het Hof van Justitie nog wat ruimte voor interpretatie: aangezien de Arbeidstijdrichtlijn 2003/88 en de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die als bijlage is gevoegd bij de richtlijn 97/81 hierover geen bepalingen bevat, is het de nationale rechter die, in het licht van de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen moet oordelen of de gevolgde methode voor de berekening van het normale loon en de financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon, het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken gewaarborgd door de richtlijn 2003/88, realiseren.

Over de interpretatie van dit “Wapenstilstandsarrest” zullen zeker nog messen worden getrokken.