U heeft schulden en besluit de nalatenschap van uw moeder te verwerpen… Maar daar komt Paulius

Geschreven door Fréderic Stynen - Dirk De Groot, Sherpalaw, www.sherpalaw.be
Foto: jmv

Inleiding

Het erfrecht bepaalt dat sommige erfgenamen een reservataire aanspraak hebben. Dit betekent dat deze erfgenamen recht hebben op een bepaald minimum erfdeel van de fictieve massa (het wedersamengestelde vermogen van de erflater). Het beschikbaar deel (dit is dan het correlatieve deel van de fictieve massa waarover de erflater vrij mag beschikken) van de erflater bedraagt sinds de nieuwe erfwet 50% van deze fictieve massa. Voor zover en in de mate dat dit beschikbaar deel overschreden wordt door giften, en dus de reserve wordt aangetast, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vragen. Via de inkorting keren de giften, in de mate dat het beschikbaar deel overschreden werd, terug naar de nalatenschap, in waarde of in natura. Op deze manier worden de reservataire erfgenamen in hun rechten hersteld.

Artikel 921 Burgerlijk Wetboek stelt dat enkel de reservataire erfgenamen zelf deze inkorting kunnen vragen. Zij beslissen, in beginsel, persoonlijk en ieder voor zich of zij deze vordering al dan niet instellen.

Op basis van een arrest van het hof van beroep van Brussel van 12 april 2018 moet deze laatste stelling echter genuanceerd worden.

De feiten

In casu betrof het een belastingplichtige met een grote openstaande belastingschuld. De fiscus kon deze schulden niet invorderen aangezien de belastingplichtige insolvabel was. Tegen de belastingplichtige waren al jarenlang fiscale invorderingsprocedures lopende die zonder resultaat bleven voor de belastingdienst. Aan de belastingplichtige werd nog een bevel tot betalen betekend kort voor de dood van zijn moeder.

Op een gegeven moment overlijdt de moeder van de belastingplichtige nadat ze haar kleinkinderen, de kinderen van de belastingplichtige, had aangesteld als algemeen legataris. Deze begiftiging overschreed ruimschoots het beschikbare deel en tastte daarmee de reserve van de belastingplichtige (de zoon) aan.

De belastingplichtige verwierp de nalatenschap van zijn moeder en kon derhalve de inkorting niet meer inroepen. Bijgevolg konden zijn kinderen de gehele nalatenschap van zijn moeder behouden, zo dacht hij tenminste.

Volg op 5 april 2019 van 12:30 uur tot 14:30 uur het online seminar Lijfrente – burgerrechtelijk, fiscaal en boekhoudkundig met Guy POPPE

Het Hof van beroep

De fiscus liet het hier echter niet bij en eiste de niet- tegenstelbaarheid van de verwerping van de nalatenschap door de zoon-belastingplichtige, op basis van de artikelen 1167 en 788 Burgerlijk Wetboek, en vervolgens de inkorting in naam van de zoon-belastingplichtige op basis van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1167 Burgerlijk Wetboek regelt de Pauliaanse vordering. Een Pauliaanse vordering heeft tot doel de schade te vergoeden die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Artikel 788 Burgerlijk Wetboek is een specifieke toepassing van deze rechtsfiguur. De schuldeiser kan zich laten machtigen om de nalatenschap te aanvaarden uit hoofde van zijn schuldenaar die de nalatenschap verworpen heeft. Het Hof van Cassatie vereist wel het bewijs van de schuldeiser dat de verwerping abnormaal was en dat de schuldenaar wist dat de schuldeiser, door zijn verwerping, zou worden benadeeld. De schuldenaar kan dus desgevallend het bewijs leveren dat de verwerping van de nalatenschap niet tot doel had de schuldeiser te benadelen. In casu oordeelt het hof van beroep van Brussel dat dit bewijs niet geleverd wordt. Het hof oordeelt, dat het verwerpen van de nalatenschap gebeurde met als enige doel het benadelen van de schuldeiser. De belastingplichtige wist immers dat de fiscus al jaren de achterstallige belastingen probeerde in te vorderen. Hij was zelfs nog kort voor het overlijden met een bevel tot betalen geconfronteerd. De belastingplichtige levert verder geen enkel bewijs dat de verwerping een andere reden zou hebben.

Aangezien het hof van beroep de Pauliaanse vordering gegrond verklaart, wordt de belastingplichtige in zijn hoedanigheid van reservataire erfgenaam hersteld. De fiscus kan daarom vervolgens wel degelijk de inkorting vorderen, met toepassing van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel, de zogenaamde zijdelingse vordering, laat een schuldeiser immers toe om de rechten en vorderingen van zijn schuldenaar uit te oefenen. Deze wettelijke bepaling vindt haar grondslag in het feit dat een schuldenaar die in slechte papieren zit, weinig belang ziet in het correct invorderen van schuldvorderingen en allerhande tegoeden. De opbrengsten zouden immers toch naar zijn eigen schuldeisers gaan. Via de zijdelingse vordering kunnen alle rechten of vorderingen van de schuldenaar uitgeoefend worden door zijn schuldeiser, uitgezonderd diegene die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

Het Hof herleidt de giften aan de kinderen van de belastingplichtige dus tot het beschikbaar deel : het bedrag dat moet ingekort worden, moeten de kinderen betalen aan de schuldeiser van hun vader, de fiscus.

Ander interessant artikel: Onderscheid in tarief van de nalatigheids- en moratoriuminteresten doorstaat de grondwettigheidstoets

Deze uitspraak hoeft niet te verbazen. In het verleden oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt al dat de fiscus zich kan beroepen op artikel 788 Burgerlijk Wetboek om een nalatenschap te aanvaarden die eerder door de belastingplichtige werd verworpen (Rb. Hasselt 27 februari 1995, Fisc.Koer. 1995,290). De rechtbank van eerste aanleg te Bergen oordeelde dan weer dat de schuldeisers van een reservataire erfgenaam een zijdelingse vordering kunnen in­stellen in geval de reservataire erfgenamen zelf dat niet doen (Rb. Bergen 6 september 2000, Rev.not.b. 2001, 57).

Het is dus in beginsel niet mogelijk de fiscus of andere schuldeisers te benadelen door een nalatenschap te verwerpen. Belangrijk is wel dat de Pauliaanse vordering enkel ingeroepen kan worden indien het gaat om een bedrieglijke verarming. Het komt er dus op aan aan te tonen dat de verwerping legitieme doelstellingen nastreeft, zoals een erfenissprong. In dit opzicht is het aangewezen ruim op voorhand te verduidelijken en te documenteren om welke redenen de verwerping gebeurt, waarbij de hulp aan de eigen kinderen natuurlijk een belangrijk en legitiem element kan uitmaken. Op deze manier zal het bewijs van een bedrieglijke verarming door de fiscus moeilijker te leveren zijn, aangezien de verwerping om anderen redenen is gedaan dan benadeling van de schuldeiser. Dit arrest toont daarom eens te meer het belang van een (goede) planning aan.