“Two beers or not two beers, that’s the question” - Het begrip “bier” en de belastbare grondslag ervan inzake accijnzen

Geschreven door Mr Jurgen Gevers - Mr Ward Lietaert, Tiberghien, http://www.tiberghien.com

Twee recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn van bijzonder belang voor de Europese biersector. Deze arresten leiden er niet alleen toe dat een aantal bieren voortaan minder worden belast. Zij kunnen ook de basis vormen voor de terugbetaling van te veel betaalde accijnzen en van de interesten daarop.

De zaak B.S.1

Deze zaak betrof de vraag of een mengsel van een alcoholhoudend tussenproduct, verkregen door gisting, en niet-alcoholhoudende dranken, met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol., moet worden aangemerkt als “bier” dan wel als “drank op basis van gegiste dranken”.

Voor een goed begrip dient te worden opgemerkt dat onder “bier” moet worden verstaan elk product van post 2203 van de gecombineerde nomenclatuur (“bier van mout”) alsmede elk product van post 2206 van de gecombineerde nomenclatuur dat een mengsel bevat van bier en niet alcoholhoudende dranken, in beide gevallen met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5% vol.

Het alcoholhoudend tussenproduct was gemaakt op basis van een wort met minder moutbestanddelen dan moutvrije bestanddelen en waaraan vóór de gisting glucosesiroop was toegevoegd.

Het Hof oordeelde dat dit tussenproduct en ook het mengsel kon worden aangemerkt als bier van mout.

Daartoe stelt het Hof vooreerst dat een bier niet kan worden bereid zonder dat het mout bevat, maar dat geen minimumpercentage mout in het wort is vereist. Voorts oordeelt het Hof dat glucosesiroop niet verboden is als bestanddeel van het wort.

Het Hof concludeert dan ook dat een product bereid met een laag gehalte aan mout en toevoeging van glucose vóór de alcoholgisting niet is uitgesloten van het begrip bier van mout. Echter, om effectief te kunnen worden aangemerkt als bier van mout dienen de organoleptische kenmerken van het product overeen te komen met die van bier.

Dit is het geval als het product visueel op bier gelijkt of er de specifieke smaak van heeft.

Met andere woorden, een tussenproduct dat bestemd is om te worden gemengd met niet-alcoholhoudende dranken, dat is verkregen op basis van een wort met minder moutbestanddelen dan moutvrije bestanddelen en waaraan vóór de gisting glucosesiroop is toegevoegd, kan worden aangemerkt als bier van mout, mits dit product visueel op bier gelijkt of er de specifieke smaak van heeft.

Het mengsel bestaande uit bier van mout en niet-alcoholhoudende dranken, met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol., moet in dat geval eveneens worden aangemerkt als lager belast “bier” en niet als een hoger belaste “drank op basis van gegiste dranken”.

Het oordeel van het Hof is zeker niet zonder belang. De verwijzende rechter stelde immers vast dat lidstaten dergelijke mengsels op uiteenlopende wijze indeelden wanneer de moutbestanddelen niet overheersen.

Sommige lidstaten kwalificeerden dergelijke dranken als “bier”, anderen dan weer als “drank op basis van gegiste dranken, anders dan bier” waarop een hoger accijnstarief van toepassing is. Thans staat de kwalificatie als het lager belaste “bier” vast.

De zaak Kompania Piwowarska2

In deze zaak diende het Hof uitspraak te doen over de heffingsgrondslag inzake accijnzen met betrekking tot gearomatiseerde bieren. De drank in kwestie was een traditioneel bier waaraan, na afloop van de alcoholgisting, suikersiroop, smaakstoffen en water werd toegevoegd.

Deze drank werd belast op basis van het aantal hectoliter per graad Plato.

Eén graad Plato staat voor één massaprocent droge stof van het wort, berekend op basis van het alcoholgehalte en het effectieve extract in het eindproduct. Wanneer additieven zoals suikersiroop en aromaten aan een traditioneel bier worden toegevoegd ná de gisting, stelde zich de vraag of  bij de berekening van de graden Plato hiermee rekening moet gehouden worden.

Volgens het Hof van Justitie is dit niet het geval. Bij de berekening van de graden Plato dient geen rekening te worden gehouden met de ingrediënten die na afloop van de gisting worden toegevoegd.

Het Hof van Justitie oordeelde dat in de gangbare betekenis in het brouwerijwezen, een graad Plato correspondeert met 1 gram droog extract per 100 gram stamwort. Het begrip “stamwort” slaat op het mengsel van water en andere ingrediënten van het bier die zijn voorbereid vóór start van het gistingsproces. Een droog extract van dit stamwort bestaat uit alle ingrediënten van het stamwort, afgezien van het water. Met andere woorden, het Hof is van oordeel dat de graden Plato moeten berekend worden op basis van een extract van het stamwort vóór de gisting en dus zonder rekening te moeten houden met de additieven die worden toegevoegd na de gisting.

Ook deze discussie is niet zonder gevolg. Lidstaten berekenen in de praktijk de graden Plato immers geregeld op basis van het droog extract van het eindproduct en dus met inbegrip van de additieven. Een dergelijke berekening kan op grond van deze rechtspraak succesvol worden betwist.

Besluit

Op basis van deze arresten van het Hof van Justitie zullen voortaan minder accijnzen verschuldigd zijn bij de uitslag tot verbruik van mengsels van een alcoholhoudend tussenproduct, verkregen door gisting, met de organoleptische kenmerken van bier, en niet-alcoholhoudende dranken, met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol. en bij de uitslag tot verbruik van gearomatiseerde bieren.

Bedrijven die in het verleden, in strijd met deze arresten van het Hof van Justitie, te veel accijnzen hebben betaald, hebben recht op de terugbetaling ervan te vermeerderen met de interesten vanaf het tijdstip van de betaling van de accijnzen.