Thuis is waar je terecht komt als je niets beters te doen hebt…in Monaco?*

Geschreven door Mrs. Ben Van Vlierden - Bruno Cardoen - Olja Rudic, Tiberghien, www.tiberghien.com
Foto: Kurt Bauschardt  

Op 23 januari blokletterde De Tijd dat de fiscus 130 Belgen viseert met adres in Monaco. Voor de eerste keer zou de belastinginspectie een grootschalig onderzoek voeren naar alle Belgen die mogelijk veinzen dat ze in Monaco wonen. Europese rechtspraak toont aan dat een dergelijk onderzoek niet kan plaatsvinden zonder respect van de fundamentele rechten van de belastingplichtige.

Natuurlijke personen zijn aan de Belgische inkomstenbelasting onderworpen indien zij in België hun woonplaats of hun zetel van fortuin hebben gevestigd. De (fiscale) woonplaats is een feitelijke woonplaats die noodzakelijkerwijze gekenmerkt wordt door een bepaalde bestendigheid of continuïteit en die onafhankelijk is van de burgerlijke woonplaats of de nationaliteit van de belastingplichtige. De zetel van fortuin wordt daarnaast gedefinieerd als de plaats van waaruit het fortuin wordt beheerd en die gekenmerkt is door een bepaalde eenheid. Het Hof van Cassatie oordeelde op 7 september 1965 dat deze criteria alternatief en niet cumulatief dienen te worden beoordeeld.

Uit deze definities mag reeds blijken dat het bepalen van de fiscale woonplaats in de praktijk steeds een zeer feitelijke kwestie is.   Het is de fiscus die moet aantonen dat de door de betrokkene aangegeven woonplaats niet met de werkelijkheid overeenstemt. Daarbij dient de fiscus nochtans de grondrechten van de betrokkene te respecteren. Het valt immers niet te ontkennen dat het verzamelen van informatie over de precieze plaats waar een persoon zich bevindt, een inmenging vormt in diens privéleven. Aangezien het recht op privéleven hoofdzakelijk wordt gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 22 van de Grondwet, kunnen beperkingen hierop enkel gerechtvaardigd worden door een wet. Bovendien is vereist deze beperkingen noodzakelijk en proportioneel zijn en ertoe strekken om een legitiem doel te bereiken.

Volg het on demand seminarie Van éénmanszaak naar vennootschap (of omgekeerd) – Het fiscaal omslagpunt met Roel VAN HEMELEN

Hoewel het vestigen van een correcte belasting zo’n legitiem doel zou kunnen zijn, kan men zich bijvoorbeeld de vraag stellen of de fiscus wel localisatiegegevens mag opvragen van niet nadergenoemde belastingplichtigen, zonder dat hij enige indicaties heeft van een schending van de belastingwet.

In 2014 oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Digital Rights Ireland dat de dataretentierichtlijn niet verenigbaar is met het recht op privéleven, omdat deze richtlijn telecombedrijven verplichtte om algemene localisatiegegevens beschikbaar te stellen voor een strafrechtelijk onderzoek. Het Hof argumenteerde dat zo’n algemene bewaarplicht niet evenredig is met het beoogde doel, i.e. de bestrijding van criminaliteit en terrorisme. Zowel de dataretentierichtlijn als de daarop gebaseerde Belgische dataretentiewet van 30 juli 2013 werden in navolging van dit arrest vernietigd.

Op 21 december 2016 velde het Hof van Justitie een nieuw arrest dat de onduidelijkheden over de draagwijdte van het Digital Rights Ireland arrest moest verhelpen. Het Zweedse telecombedrijf Tele2 weigerde immers halsstarrig om nog enige gegevens van klanten te bewaren. Het Hof oordeelde opnieuw dat een ongedifferentieerde, algemene bewaarplicht van alle verkeers- en locatiegegevens van gebruikers van elektronische communicatiemiddelen in strijd is met het Unierecht. Net omdat uit dit soort gegevens zeer persoonlijke informatie kan worden gehaald, zoals bijvoorbeeld de dagelijkse gewoonten van een belastingplichtige, zijn verblijfplaats, zijn verplaatsingen, zijn activiteiten en zijn sociale relaties, is het bewaren van deze gegevens een bijzonder ernstige inmenging in het privéleven. Het Hof erkent dat de bestrijding van ernstige criminaliteit, zoals georganiseerde misdaad en terrorisme, prioriteiten zijn van de Unie en de Lidstaten, maar bevestigt hierbij ook uitdrukkelijk dat een algemene, ongedifferentieerde bewaring van gegevens op geen enkele manier gerechtvaardigd kan worden.

Volgens het Hof is het bovendien van wezenlijk belang dat de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens in beginsel, behalve in gevallen van naar behoren gerechtvaardigde spoedeisendheid, wordt onderworpen aan een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit, en dat deze rechterlijke instantie of deze entiteit haar beslissing geeft op een met redenen omkleed verzoek van deze autoriteiten dat met name is ingediend in het kader van procedures ter voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten.

Het opvragen door de fiscale administratie van persoonlijke localisatiegegevens van natuurlijke personen, blijkt in elk geval, op grond van deze rechtspraak, geen voor de hand liggende zaak.