Terugvordering bijkomende bijdrage voor onvoldoende opleidingsinspanningen

Geschreven door Mr. Ann Taghon, Van Eeckhoutte, Tacquet & Clesse, www.bellaw.be
Foto: Jacob Bøtter  

RvS 4 februari 2016, nr. 233.741 (BS 19 april 2016)

Werkgevers uit de private sector die in de jaren 2008, 2009, 2010 en/of 2011 behoorden tot één van de sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseerden, hebben voor die jaren een bijkomende werkgeversbijdrage van 0,05 % betaald aan de RSZ. De wettelijke basis van die bijkomende bijdrage is artikel 30 van de Generatiepactwet dat een systeem heeft opgezet om ervoor te zorgen dat alle werkgevers van de particuliere sector samen minstens tot beloop van 1,9 % van de totale loonmassa opleidingsinspanningen doen.

Opmerkelijk in dit systeem is dat de beoordeling van het feit of voldoende inspanningen werden geleverd, bepaald wordt op het vlak van de sector, terwijl de financiële sanctie (= de bijkomende bijdrage van 0,05 %) zich situeert op het vlak van de onderneming. Op 23 oktober 2014 oordeelde het Grondwettelijk Hof dan ook, bij arrest nr. 154/2014, dat artikel 30 van de Generatiepactwet in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod (zie SoCompact nr. 44-2014). Ingevolge dat arrest heeft de wetgever de uitvoering van de hier behandelde regelgeving m.b.t. de opleidingsinspanningen opgeschort voor de jaren 2015 en 2016 en bepaald dat de bijdrage niet kan toegepast worden voor de opleidingsinspanningen die betrekking hebben op de jaren 2012, 2013 en 2014 (zie SoCompact nr. 13-2015).

Het arrest van het Grondwettelijk Hof kwam er in antwoord op een prejudiciële vraag van de Raad van State, bij wie een vordering aanhangig was tot nietigverklaring van het ministerieel besluit dat voor de jaren 2008 en 2009 de lijst vaststelt van de sectoren die voor die jaren onvoldoende opleidingsinspanningen hebben gerealiseerd.

In een recent arrest van 4 februari 2016, waarvan een uittreksel afgelopen week in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, volgt de Raad van State de redenering van het Grondwettelijk Hof en wordt besloten tot nietigverklaring van de lijst van sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen voor het jaar 2009 realiseerden. Over de lijst van 2008 werd nog geen uitspraak gedaan maar het valt te verwachten dat over die lijst op dezelfde manier zal geoordeeld worden. Een vordering tot nietigverklaring van de lijsten van 2010 en 2011 werd nog niet ingediend.

Werkgevers die voor het jaar 2009 de bijdrage hebben betaald, kunnen die dus terugvorderen van de RSZ. Zoals we al signaleerden (zie SoCompact nr. 44-2014) begint de driejarige verjaringstermijn die geldt voor de terugvordering van RSZ-bijdragen, in afwijking van de algemene regel conform dewelke de verjaringstermijn ingaat vanaf de dag van betaling, te lopen vanaf het ogenblik van nietigverklaring van de lijst door de Raad van State.

Hoewel voor de jaren 2008, 2010 en 2011 (nog) geen uitspraak werd gedaan, zijn er argumenten om aan te nemen dat ook de voor die jaren betaalde bijdragen kunnen teruggevorderd worden.

Mogelijks zal de RSZ binnenkort meer duidelijkheid geven over hoe de terugvordering/terugbetaling van de “ten onrechte” betaalde bijdragen van 0,05 % concreet moet/kan gebeuren.

Wij houden u op de hoogte.

Lees ook: Sociaal Strafwetboek wordt aangevuld en opgelapt