Tate & Lyle opgelost via artikel 269/1, WIB 92

Geschreven door Lexalert
Foto:
Het Europese Hof van Justitie oordeelde dat de Belgische roerende voorheffing op dividenden uitbetaald aan een vennootschap uit een andere lidstaat strijdig is met de vrijheid van kapitaalverkeer. - See more at: http://vbo-feb.be/nl-BE/Actiedomeinen/Fiscaliteit/Vennootschapsbelasting...
Het Europese Hof van Justitie oordeelde dat de Belgische roerende voorheffing op dividenden uitbetaald aan een vennootschap uit een andere lidstaat strijdig is met de vrijheid van kapitaalverkeer. - See more at: http://vbo-feb.be/nl-BE/Actiedomeinen/Fiscaliteit/Vennootschapsbelasting...

Het Europese Hof van Justitie oordeelde in het Tate & Lyle arrest dat de Belgische roerende voorheffing op dividenden uitbetaald aan een vennootschap uit een andere lidstaat strijdig is met de vrijheid van kapitaalverkeer. Het wetsontwerp van 4 december 2015 past de Belgsiche wetgeving overeenkomstig aan.

In het arrest van 12 juli 2012 in de zaak C-384/11 (Tate & Lyle Investments Ltd) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht verklaard dat artikel 63 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat, volgens dewelke dividenden die door een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd aan ingezeten en niet-ingezeten verkrijgende vennootschappen die een participatie van minder dan 10 pct. in het kapitaal van deze uitkerende vennootschap bezitten, maar waarvan de aanschaffingswaarde minimaal 1,2 miljoen EUR is, aan een bronheffing zijn onderworpen, terwijl alleen voor ingezeten verkrijgende vennootschappen wordt voorzien in een mechanisme ter vermindering van opeenvolgende belastingheffingen.

Voor een binnenlandse vennootschap die voldoet aan de voorwaarden om op ontvangen dividenden de aftrek voor definitief belaste inkomsten (DBI) bedoeld in de artikelen 202 en 203, WIB 92, toe te passen, is het ontvangen dividend ten belope van 95 pct. aftrekbaar. Bovendien is in die gevallen waarin er roerende voorheffing ingehouden werd, de ingehouden voorheffing volledig verrekenbaar en in voorkomend geval terugbetaalbaar. Hierdoor wordt uiteindelijk slechts 5 pct. van de ontvangen dividenden belast in de vennootschapsbelasting.

Voor een buitenlandse vennootschap is de Belgische roerende voorheffing die in voorkomend geval wordt ingehouden op de door haar ontvangen dividenden in regel niet in België verrekenbaar of terugbetaalbaar. Bovendien kan een dergelijke vennootschap de Belgische DBI-aftrek in regel niet toepassen.

Een Belgische vennootschap die recht heeft op de DBI-aftrek en de verrekening en terugbetaling van de eventueel ingehouden roerende voorheffing betaalt slechts 33,99 pct. vennootschapsbelasting op 5 pct. van het ontvangen dividend (na toepassing van de DBI-aftrek). Dit is gelijk aan een effectief tarief van 1,6995 pct.

Een buitenlandse vennootschap die soortgelijke dividenden ontvangt, betaalt 25 pct. via de roerende voorheffing die in voorkomend geval ingehouden wordt.

Dit verschil in behandeling is volgens het Europees Hof van Justitie strijdig met de vrijheid van kapitaalverkeer (artikel 63 VWEU) maar slechts in de mate dat er geen Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten dat de gevolgen van de beperking van het vrije kapitaalverkeer neutraliseert (arrest van 12 juli 2012 in de zaak Tate & Lyle, randnummer 43).

Om aan deze discriminatie een einde te stellen wordt voorgesteld een nieuw artikel 269/1 in het WIB 92 in te voegen, zodat het tarief van de roerende voorheffing dat effectief wordt betaald overeenstemt met 5 pct. van het tarief van de vennootschapsbelasting bedoeld in artikel 215, eerste lid, WIB 92, verhoogd met de aanvullende crisisbijdrage bedoeld in artikel 463bis, WIB 92, voor bepaalde van oorsprong Belgische dividenden betaald of toegekend aan een buitenlandse vennootschap. Momenteel stemt dit overeen met 5 pct. van 33,99 pct., hetzij 1,6995 pct.

De bepaling, die wordt opgenomen in artikel 269/1, WIB 92, is van toepassing op vennootschappen gevestigd in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten en die een deelneming van minder dan 10 pct. in het kapitaal van de Belgische vennootschap die deze dividenden uitgeeft, bezitten maar waarvan de aanschaffingswaarde gelijk is of hoger dan 2 500 000 euro.

De toepassing van dit tarief wordt onderworpen aan meerdere voorwaarden.

In de eerste paragraaf van dit artikel wordt verduidelijkt dat de vrijstelling enkel betrekking heeft op de dividenden die aan een vennootschap die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten en die één van de rechtsvormen heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU) worden opgesomd of een hiermee vergelijkbare rechtsvorm heeft als deze genoemd in de voormelde lijst en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten.

Als de verkrijgende vennootschap de aan de Belgische schatkist verschuldigde roerende voorheffing geheel of ten dele kan recupereren, zij het via een verrekening of via een terugbetaling, wordt het in dit artikel vermelde tarief slechts toegepast op het deel van de dividenden dat betrekking heeft op de roerende voorheffing die niet gerecupereerd kan worden.

Voorbeeld:

Veronderstel dat een in een andere lidstaat van de EER gevestigde vennootschap een deelneming in een Belgische vennootschap heeft van minder dan 10 pct. en met een aanschafwaarde van meer dan 2,5 miljoen euro, en voor deze deelneming een dividend verkrijgt van 100.

In toepassing van artikelen 261 tot 269, WIB 92, wordt de uitkerende vennootschap geacht een roerende voorheffing van 25 van dit bruto dividend in te houden. Veronderstel ook dat de verkrijgende vennootschap 10 van deze ingehouden voorheffing in haar thuisstaat kan verrekenen.

Ten gevolge hiervan is het in artikel 269/1, WIB 92, vastgestelde tarief van toepassing op het deel van de dividenden dat betrekking heeft op de roerende voorheffing die niet gerecupereerd kan worden, zijnde 15/25 van het bruto dividend. Op de andere 10/25 van het bruto dividend  is het tarief vastgesteld in artikel 269/1, WIB 92, niet van toepassing en blijft dus het normale tarief zoals bepaald in artikel 269, WIB 92, van toepassing.

In dit voorbeeld zal dus bijgevolg het in artikel 269, WIB 92 vastgestelde tarief (25 pct.) worden toegepast op het bedrag van 40 en het in artikel tarief 269/1, WIB 92 vastgestelde tarief (1,6995 pct.) worden toegepast op het bedrag van 60, waardoor een roerende voorheffing van 10 + 1,02 = 11,02 zal worden ingehouden.

In paragraaf 2 van dit artikel worden de voorwaarden inzake attestering die, noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van het in § 1 bedoelde tarief, opgenomen.

Zo moet het attest bevestigen:

1° dat de verkrijger een rechtsvorm heeft die in de bijlage I, deel A, van de richtlijn van de Raad van 30 november 2011 (2011/96/EU) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt opgesomd of een hiermee vergelijkbare rechtsvorm heeft als deze genoemd in de voormelde lijst en die wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;

2 °  dat de aanschaffingswaarde ten minste 2 500 000 euro bedraagt;

3° dat de bedoelde dividenden betrekking hebben op aandelen die gedurende ten minste één ononderbroken jaar in volle eigendom worden of werden behouden;

4° in welke mate de Belgische roerende voorheffing, voor de verkrijgende vennootschap, verrekenbaar of terugbetaalbaar is.

In antwoord op het advies van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het attest niet tot doel heeft om te attesteren in welke mate de specifiek op deze dividenden ingehouden roerende voorheffing in de toekomst zal kunnen verrekend worden. Dit attest moet daarentegen wel kunnen aantonen in welke mate de Belgische roerende voorheffing voor de verkrijgende vennootschap, principieel verrekenbaar of terugbetaalbaar is. Om de vennootschap de mogelijkheid te geven om voor de datum van toekenning of betaalbaarstelling van het dividend over het attest te kunnen beschikken, moet worden vermeden dat in het attest een beschrijving moet worden opgenomen van wettelijke bepalingen die op het ogenblik van de uitreiking van dit attest nog kunnen gewijzigd worden. Teneinde dergelijke situatie te vermijden moet bij de opmaak van dit attest de wettelijke bepalingen in acht worden genomen die van toepassing zijn op 31 december van het jaar voorafgaand aan de toekenning of betaalbaarstelling van het dividend.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 4 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen