Sociaal Strafwetboek - Bespreking van de wijzigingen

Geschreven door Lexalert
Foto: Ken Teegardin  

Het ontwerp van wet heeft tot doel het Sociaal Strafwetboek te actualiseren en rekening te houden met een aantal evoluties sedert de goedkeuring ervan.

Het Sociaal Strafwetboek bestaat uit twee boe- ken. Het Eerste Boek behandelt de “preventie,  de vaststelling en de vervolging van de inbreuken en hun bestraffing in het algemeen”. Dit Boek definieert de actoren van de strijd tegen de sociale fraude, het interventiekader en de bevoegdheden van de sociaal inspecteurs, de nadere regels inzake strafrechtelijke en administratieve vervolging en diverse regels van algemeen strafrecht. Het Tweede Boek bevat alle inbreuken van sociaal strafrecht en de sancties die eraan verbonden zijn. Het ontwerp van wet wijzigt zowel het Eerste Boek van het Sociaal Strafwetboek als het Tweede Boek. Het ontwerp van wet wijzigt ook verschillende sociale basiswetten.

De in het Eerste Boek aangebrachte wijzigingen hebben betrekking op de bepalingen betreffende het beleid inzake preventie en toezicht, de uitoefening van het toezicht en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en de bijzondere bepalingen.

De wijzigingen aan Boek 2 hebben meer bepaald tot doel om inbreuken op sociaalrechtelijke bepalingen in te voegen die, hetzij niet ingevoegd werden in het Sociaal Strafwetboek tijdens het opstellen ervan, hetzij daarna in werking getreden zijn. De in Boek 2 aangebrachte wijzigingen beogen eveneens de aanpassing van de in het Sociaal Strafwetboek opgenomen strafbaarstellingen die steunen op verplichtingen  die vermeld zijn in sociale basiswetten die gewijzigd of opgeheven werden. Het ontwerp van wet heeft eveneens tot doel strafbaarstellingen die bij vergissing in Boek 2 van het Sociaal Strafwetboek in het leven geroepen werden, op te heffen. In het ontwerp van wet wordt ten slotte voorgesteld over te gaan tot het verbeteren van vormfouten en tot een harmonisatie van de in het Sociaal Strafwetboek gebruikte terminologie.

Het ontwerp van wet wijzigt anderzijds verschil- lende bepalingen van het sociaal strafrecht. Het invoegen van nieuwe incriminaties in het Sociaal Strafwetboek brengt het opheffen van de straf- bepalingen die de sociale basiswetten bevatten, met zich mee.

Het ontwerp van wet wijzigt bovendien artikel 5 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht teneinde aan de Koning toe te laten om over een wettelijke basis te beschikken om over te gaan tot een coördinatie van de wet van 2 juni 2010 en de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek.

Het ontwerp van wet heeft tot doel het Sociaal Strafwetboek evenals verscheidene bepalingen van sociaal strafrecht te vervolledigen en te wijzigen.

Volg het on demand seminarie Temporele werkgeversflexibiliteit – Mogelijkheden en beperkingen met Sigrid DEREYMAEKER

1. Enerzijds wijzigt het ontwerp van wet het Sociaal Strafwetboek.

De wijzigingen die het ontwerp van wet bevat, hebben zowel betrekking op de bepalingen van het Eerste Boek van het Sociaal Strafwetboek, die gewijd zijn aan de preventie, de vaststelling en de vervolging van de inbreuken en aan hun bestraffing in het algemeen, als op de inbreuken die bijeengebracht zijn in Boek 2 van het Sociaal Strafwetboek.

De voornaamste wijzigingen die betrekking hebben op het Eerste Boek van het Sociaal Strafwetboek, zijn de volgende:

— Het ontwerp van wet stelt enerzijds voor om artikel 4 van het Sociaal Strafwetboek dat deel uitmaakt van titel 1, die gewijd is aan het beleid inzake preventie en toezicht, te herzien.

Meer in het bijzonder voorziet het in de wijziging van de samenstelling van de Algemene Raad van de Partners van de Sociale Inlichtingenen Opsporingsdienst. Artikel 2 van het ontwerp van wet stelt aldus voor om de aanwezigheid van vertegenwoordigers van verschillende in de strijd tegen sociale fraude betrokken administraties die momenteel nog niet vertegenwoordigd zijn in de Algemene Raad van de Partners, toe te voegen. Het heeft eveneens tot doel om de vertegenwoordigers van de krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen inzake tewerkstellingsbeleid van Buitenlandse arbeidskrachten bevoegde overheden volwaardige leden van deze Algemene Raad te maken. Het heeft uiteindelijk tot doel het aantal vertegenwoordigers van de leden van de meest representatieve organisaties van werkgevers en van de meest representatieve organisaties van werknemers te verhogen.

— Het ontwerp van wet herziet vervolgens artikel 53 van het Sociaal Strafwetboek, dat gewijd is aan de formele garanties en dat ingevoegd in hoofdstuk 3 van titel 2 met betrekking tot de uitoefening van het toezicht en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.

Artikel 3 van het ontwerp van wet wijzigt de tweede paragraaf van artikel 53 van het Sociaal Strafwetboek om zich daarin te richten op de zelfstandige teneinde de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber enerzijds en de zelfstandige anderzijds op dezelfde manier te behandelen wanneer er door een sociaal inspecteur dwangmaatregelen getroffen worden.

De zelfstandige aan wie door een sociaal inspecteur een dwangmaatregel zal opgelegd worden, zal aldus eveneens een schriftelijke vaststelling ontvangen.

Op dezelfde manier wijzigt artikel 4 artikel 210, § 1, van het Sociaal Strafwetboek.

De zelfstandige die een dwangmaatregel die door een sociaal inspecteur opgelegd wordt, niet zal naleven, zal strafbaar zijn met een sanctie van niveau 4, zoals dit het geval is voor een werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber.

— Het ontwerp brengt eveneens wijzigingen aan hoofdstuk 5 met betrekking tot de regeling van bepaalde aspecten van de elektronische informatie-uitwisseling tussen de actoren van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, dat ingevoegd werd in titel 5 door de programmawet (I) van 29 maart 2012.

Het ontwerp heeft tot doel om, in artikel 5, een tegenstrijdigheid op te heffen tussen de teksten van de artikelen 100/10, § 4 en 100/4 van het Sociaal Strafwetboek. De toegang van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en van de onderzoeksrechters tot de gegevens van de gegevensbank e-pv wordt niet onderworpen aan de machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid, overeenkomstig voormeld artikel 100/10, § 4, in tegenstelling tot wat de terminologie van artikel 100/4 zou kunnen laten denken.

De voornaamste wijzigingen die aangebracht werden aan Boek 2 concentreren zich rond vijf thema’s:

1) Het heeft tot doel om het Sociaal Strafwetboek te actualiseren en meer bepaald om er de inbreuken op sociaalrechtelijke bepalingen in te voegen die, hetzij niet ingevoegd werden in het Sociaal Strafwetboek tijdens het opstellen ervan, hetzij aangenomen werden of in werking getreden zijn op het ogenblik waarop de toekomstige wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek haar wetgevend proces aangevat had of eenmaal als deze wet goedgekeurd was.

Deze nieuwe bepalingen moeten worden opgenomen in het Wetboek zodat het coördinatiewerk dat het Wetboek voorstelt, wordt verdergezet, en zodat de uniformering die de hervorming aanbrengt aan het sociaal strafrecht, wordt nageleefd.

a) De bepalingen die niet ingevoegd werden in het Sociaal Strafwetboek tijdens het opstellen ervan zijn, bij voorbeeld, de volgende:

— De inbreuken op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zijn gedeeltelijk hernomen door de artikelen 119 en volgende van het Sociaal Strafwetboek. De artikelen 6 tot 25 van het ontwerp van wet vervolledigen deze bepalingen en verbeteren hun structuur. Het ontwerp van wet herneemt, bij voorbeeld, de inhoud van het oude artikel 81, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 dat de personen bestraft die niet behoren tot het personeel van de werkgever die de opdrachten die hen in toepassing van de wet van 4 augustus 1996 werden toevertrouwd, uitvoeren in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, of die deze opdrachten niet uitvoeren volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het herneemt eveneens de inhoud van het oude artikel 86 van de wet van 4 augustus 1996 dat sancties bevatte in geval van het niet-naleven van de verplichtingen betreffende de werkzaamheden op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen tijdens de fase van het ontwerp van het bouwwerk.

De artikelen 6 tot 25 van het ontwerp van wet voorzien eveneens de hervorming van de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek die geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk betreffen. Immers, deze materie werd grondig gewijzigd door de wet van 28 februari 2014 tot aanvulling van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wat de preventie van psychosociale risico’s op het werk betreft, waaronder inzonderheid geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en door het koninklijk besluit van 10 april 2014 betreffende de preventie van psychosociale risico’s op het werk. De nieuwe strafbepalingen, werden verduidelijkt om het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel na te leven.

— Artikel 39bis van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers werd opgeheven door artikel 109 van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek. De inhoud ervan werd niet hernomen in het Sociaal Strafwetboek. Deze bepaling wordt dan ook hernomen door artikel 27 van het ontwerp van wet dat een nieuw artikel 176/1 in het Sociaal Strafwetboek invoegt. Artikel 176/1 stelt de gebruiker gelijk met de werkgever en sanctioneert hem op dezelfde manier als hij inbreuk heeft gepleegd op een in artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 bedoelde bepaling.

Bovendien wordt artikel 39bis van de voormelde wet van 24 juli 1987 opnieuw ingevoerd in een redactie die toelaat dat de gebruiker, zijn aangestelde of zijn lasthebber die inbreuk pleegt op de bepalingen die bedoeld worden in artikel 19 van de voormelde wet, maar waarvan de sanctie niet voorzien is in het Sociaal Strafwetboek, gestraft wordt met dezelfde strafsancties als deze die bepaald zijn in de wetten krachtens welke deze bepalingen vastgelegd zijn.

— De incriminaties die de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid bevat, werden niet hernomen in het Sociaal Strafwetboek. Deze strafbepalingen worden ingevoegd in het Sociaal Strafwetboek door de artikelen 42 tot 51 van het ontwerp van wet. Deze artikelen hebben tot doel een nieuwe afdeling 9/1 in hoofdstuk 9 van Boek 2 van het Sociaal Strafwetboek in te voeren dat de nieuwe artikelen 225/1 tot 225/9 bevat.

b) De bepalingen die aangenomen werden op het ogenblik waarop de toekomstige wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek zijn wetgevend proces aangevat had, zijn, bij voorbeeld, de volgende:

— Artikel 25 van het ontwerp van wet voegt de inbreuk die bepaald is in artikel 15, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, in het Sociaal Strafwetboek in.

— Artikel 28 van het ontwerp van wet vervolledigt artikel 181 van het Sociaal Strafwetboek met bepaalde incriminaties inzake de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bedoeld in de artikelen 9ter tot 9sexies van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;

— Artikel 13quater van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten werd opgeheven door artikel 109, 26°, van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek. De inhoud ervan werd niet hernomen in het Sociaal Strafwetboek, omdat deze bepaling ingevoegd werd in de wet van 30 juni 1971 door de programmawet van 23 december 2009. De artikelen 30 en 31 van het ontwerp van wet voorzien in het invoegen van een nieuwe afdeling in hoofdstuk 5 van Boek 2 van het Sociaal Strafwetboek met als titel “Niet-aangegeven arbeid in hoofde van de werknemer”, dat voormelde incriminatie bevat;

— De wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (I) heeft een punt 3° ingevoegd in artikel 16 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid. Deze bepaling werd opgeheven door artikel 109, 14°, van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, terwijl de inhoud van punt 3° niet hernomen werd in het Sociaal Strafwetboek. Derhalve voert artikel 39 van het ontwerp van wet een artikel 220/1 in het Wetboek in met als titel “Kosteloosheid van de voordelen toegekend door de Fondsen voor bestaanszekerheid”.

c) De bepaling die aangenomen werd nadat de wet van 6 juni 2010 gestemd werd, is de volgende:

— De wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen heeft artikel 13quinquies ingevoegd in de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten. Deze bepaling voorzag een administratieve geldboete ten laste van de werkgever die een gelegenheidswerknemer tewerkstelde, zonder de formaliteiten in verband met het gelegenheidsformulier na te leven. Deze bepaling werd opgeheven op het ogenblik waarop de wet van 6 juni 2010 in werking is getreden. De artikelen 33 en 34 van het ontwerp van wet hernemen de inhoud ervan in artikel 188/1 van het Sociaal Strafwetboek.

2) De aan Boek 2 aangebrachte wijzigingen hebben ook tot doel de in het Sociaal Strafwetboek opgenomen incriminaties die steunen op verplichtingen die opgenomen zijn in sociale basiswetten die gewijzigd of opgeheven werden, aan te passen.

— Dit is bij voorbeeld het geval voor artikel 127 van het Sociaal Strafwetboek. Deze bepaling bestraft de werkgever die, in strijd met de arbeidswet van 16 maart 1971, bepaalde werkzaamheden heeft doen of laten uitvoeren door werkneemsters. Het ontwerp van wet heft dit artikel op, omdat de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen deze verboden opheft, vermits zij in strijd zijn met drie Europese richtlijnen inzake gelijke behandeling.

— Het verbod werkzaamheden te doen of laten uitvoeren door gepensioneerden in de bouwsector, bedoeld in artikel 156, 3°, van het Sociaal Strafwetboek, moet eveneens worden opgeheven, vermits het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, dat dit verbod bevatte, opgeheven werd door de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (artikel 60 van het ontwerp van wet).

— De incriminatie bedoeld in artikel 226, 4°, c, van het Sociaal Strafwetboek, te weten de tewerkstelling van een werknemer zonder zijn controlekaart na te zien, moet worden opgeheven, gelet op het feit dat artikel 137, § 4, vijfde lid, van het koninklijk besluit van

25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dat de basisverplichting bevatte, opgeheven werd door het koninklijk besluit van 31 mei 2009 tot wijziging van de artikelen 71 en 137 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (artikel 67 van het voorontwerp van wet).

— De inhoud van ar tikel 197 van het Sociaal Strafwetboek (kennisgevingen in geval van collectief ontslag) moet gewijzigd worden omwille van de wijziging die aan het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag aangebracht werd door het koninklijk besluit van 31 januari 2012 (artikel 38 van het ontwerp van wet).

3) Het ontwerp van wet heeft eveneens tot doel de incriminaties die bij vergissing in het Sociaal Strafwetboek in het leven geroepen werden, op te heffen.

Het voorziet bij voorbeeld in het opheffen van de sanctie ten laste van de kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 222, 1°, van het Sociaal Strafwetboek. Voor de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek werden de in punt 1° van artikel 222 bedoelde feiten noch strafrechtelijk gesanctioneerd, noch bestraft met een administratieve geldboete. Artikel 40 van het ontwerp van wet heeft dan ook tot doel de administratieve geldboete af te schaffen ten laste van kinderbijslagfondsen die reeds zwaar gesanctioneerd kunnen worden, gelet op het feit dat de kinderbijslagfondsen het voorwerp kunnen uitmaken van financiële sancties in toepassing van de samengeordende wetten van 19 december 1939.

4) Het vierde veranderingsthema bestaat in de opheffing van de woorden “zijn aangestelde of zijn lasthebber” in de strafbepalingen die voorzien zijn van een sanctie van niveau 1, gelet op het feit dat de administratieve geldboete die het niveau 1 uitmaakt, slechts kan opgelegd worden aan de werkgever zelfs indien de inbreuk gepleegd is door een aangestelde of een lasthebber.

5) Het ontwerp van wet heeft ten slotte tot doel de tik-, vertaal- of woordenschatfouten te verbeteren of om de in het Sociaal Strafwetboek gebruikte terminologie te uniformeren.

►Lees ook: Wijzigingen aan het Sociaal Strafwetboek

2. Anderzijds heeft het ontwerp van wet tot doel verschillende bepalingen in het sociaal strafrecht te wijzigen:

— Het invoegen van nieuwe incriminaties in het Sociaal Strafwetboek brengt het opheffen van de strafbepalingen die de sociale basiswetten bevatten, met zich mee.

Dit is de reden waarom het ontwerp van wet in elke sociale wet verduidelijkt dat de inbreuken op deze wetten worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek. Op deze manier organiseert het de burgerrechtelijke opdracht van de arbeidsinspectie in de materies waarin er geen inbreuk is. Het voorziet eveneens in in een uitbreiding van de bevoegdheden waarover de arbeidsinspecteurs beschikken inzake veiligheid en gezondheid van de werknemers.

— Het ontwerp van wet heeft tot doel de wettelijke verwijzingen die de sociale basiswetten bevatten, te actualiseren.

Verschillende wettelijke bepalingen verwijzen naar de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, naar de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten of naar het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen. De wet van 6 juni 2010 heft de wetten van 16 november 1972 en van 30 juni 1971 op en sluit de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 op inbreuken van sociaal strafrecht uit. Het ontwerp van wet voorziet dan ook in een vervanging van de verwijzing naar voormelde wetten door een verwijzing naar het Sociaal Strafwetboek.

— Het ontwerp van wet vervangt artikel 5 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht teneinde aan de Koning toe te laten om over een wettelijke basis te beschikken om over te gaan tot een coördinatie van de wet van 2 juni 2010 en de wet van 6 juni 2010. Het ontwerp heeft dan ook tot doel om het werk van codificatie van het sociaal strafrecht verder te zetten. Deze wijziging zal toelaten om de bepalingen van de wet van 2 juni 2010 in te voegen in het Sociaal Strafwetboek in de geest van volledigheid en coherentie die ook de boventoon gevoerd heeft tijdens het opstellen van het Sociaal Strafwetboek.

— Tenslotte voegt het ontwerp van wet in bepaalde regels wettelijke bepalingen in die bij vergissing opgeheven werden door de wet van 6 juni 2010.

De Adviesraad van het sociaal strafrecht, de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk en de Nationale Arbeidsraad hebben respectievelijk het advies nr. 2013/003 van 26 juni 2013, het advies nr. 174 van 25 oktober 2013 en het advies nr. 1 873 van 6 november 2013 uitgebracht over het voorontwerp van wet tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en verscheidene bepalingen van sociaal strafrecht.

De Raad van State heeft eveneens het advies nr. 56 108/1 van 25 juni 2014 uitgebracht over het voorontwerp van wet tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en verscheidene bepalingen van sociaal strafrecht, evenals het advies nr. 56 109/1 van 25 juni 2014 over het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.

De voorontwerpen van wet werden aangepast aan de verschillende adviezen.

Het voorontwerp van wet tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en verscheidene bepalingen van sociaal strafrecht voorzag om artikel 5 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht te vervangen teneinde aan de Koning toe te laten om over een wettelijke basis te beschikken om over te gaan tot een coördinatie van de wet van 2 juni 2010 en de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek¸ In het advies dat hij over het voorontwerp van wet uitgebracht heeft, stelt de Adviesraad van het sociaal strafrecht voor om deze bepaling uit de tekst van het ontwerp weg te laten om hem in te voegen in een ander voorontwerp van wet, waarvan artikel 1 zou verduidelijken heeft dat het een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt.

De wijziging werd derhalve ingevoegd in een voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.

In advies nr. 56 108/1 dat hij op 25 juni 2014 uitgebracht heeft, geeft de Raad van State aan dat, ingevolge de Grondwetswijziging van 6 januari 2014, in het kader van de Zesde Staatshervorming, de in de twee tekstontwerpen geregelde aangelegenheden met ingang van 25 mei 2014 moeten opgevat worden als aangelegenheden in de zin van artikel 74 van de Grondwet.

Hij stelt dan ook voor de twee ontwerpen om te vormen tot één ontwerp waarvan artikel 1 bepaalt: “Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet”.

In zijn advies geeft de Raad van State eveneens aan dat het proportionaliteitsbeginsel in strafzaken vereist dat straffen moeten kunnen worden bepaald in verhouding tot de zwaarte van het misdrijf.

Met betrekking tot de misdrijven waarvoor de sanctie wordt gewijzigd ten aanzien van de bestaande sanctie, beveelt de Raad van State aan om voor die wijziging een verantwoording in het licht van het proportionaliteitsbeginsel op te nemen in de memorie van toelichting. Dit geldt eveneens voor de gevallen waarin de regel wordt ingevoerd of afgeschaft dat de geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.

In antwoord op de opmerking die de Raad van State in zijn advies formuleert, is het gepast te herinneren aan de leidraad die de wetgever tijdens het opstellen van het Sociaal Strafwetboek gevolgd heeft om de sanctieniveaus te bepalen.

Niveau 1 sanctioneert de werkgever die zijn verplichtingen om bepaalde formaliteiten te vervullen of bepaalde bekendmakingen te verrichten die het gevolg zijn van administratieve regels die het goed functioneren van het sociale zekerheidssysteem regelen of die de arbeidsbetrekkingen ordenen, niet heeft nageleefd.

Niveau 2 sanctioneert inbreuken van gemiddelde zwaarte en maakt een restcategorie uit. Deze categorie neemt bij voorbeeld de inbreuken over die het privéleven van werknemers beschermen of die tot doel hebben om hen te beschermen tegen geweld, pesterijen of seksuele intimidatie op het werk.

Niveau 3 omvat de zware inbreuken en, onder meer, het feit van het niet-naleven van een vonnis dat een beroepsverbod, een exploitatieverbod of een bedrijfssluitingsluiting oplegt, de inbreuken inzake veiligheid en gezondheid, de inbreuken op de reglementering inzake deeltijdse arbeid, enz..

De sancties van niveau 4 worden opgelegd voor zware inbreuken die de wetgever een gevangenisstraf leken te verdienen, zoals schendingen van de bepalingen inzake gezondheid en veiligheid van de werknemers wanneer zij voor een werknemer gezondheidsschade of een arbeidsongeval tot gevolg hebben gehad, kinderarbeid en schendingen van de gezondheid en de veiligheid van jeugdige werknemers, belemmering van het toezicht, valsheid en het gebruik van valse stukken in het sociaal strafrecht, enz...

Wetsontwerp van 5 november 2015 tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en verscheidene bepalingen van sociaal strafrecht