Single permit - Gecombineerde vergunning voor buitenlandse werknemers

Geschreven door Lexalert
Foto: tec_estromberg  

De wet van 9 mei 2018 regelt de gecombineerde aanvraagprocedure en de gecombineerde vergunning. Deze vergunning wordt ook wel de "single permit" genoemd en combineert arbeids- en verblijfsvergunning.  

De wet regelt de instemming met het samenwerkingsakkoord dat op 2 februari 2018 werd afgesloten tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.

Dit samenwerkingsakkoord  werd afgesloten met het oog op de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied  van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven en andere Europese richtlijnen die ten gunste van onderdanen van derde landen die in de lidstaten willen verblijven om er bijzonder werk uit te oefenen bijzondere verblijfsstatuten creëren.

Het weerhouden scenario voert een gecombineerde aanvraagprocedure voor de machtiging om op het grondgebied te werken en te verblijven in. 

Volg op 17 september 2018 van 12 uur tot 14 uur het online seminar Single Permit voor buitenlandse werknemers: een revolutie voor de legale arbeidsmigratie met Sophie MAES en Martijn BAERT

Gecombineerde aanvraagprocedure en gecombineerde vergunning

Gecombineerde aanvraagprocedure

Om de richtlijn 2011/98/EU toe te passen voorziet het samenwerkingsakkoord een gecoördineerde reglementering die tot doel heeft een gecombineerde aanvraagprocedure in te voeren, met het oog op de afgifte van een gecombineerde vergunning die de onderdanen van derde landen toestaat op het Belgisch grondgebied te verblijven om er te werken.

Het samenwerkingsakkoord legt een geheel van regels vast die van toepassing zijn op de verschillende bevoegde overheden en die tot doel hebben de procedure voor het onderzoek van een aanvraag voor een gecombineerde vergunning te regelen.

Elke bevoegde overheid bepaalt, ieder wat haar betreft, in wetgevende of reglementaire bepalingen de voorwaarden voor de toelating tot het verblijf en de toelatingen tot arbeid van de onderdanen van derde landen en bepaalt de middelen om te controleren of haar wetgeving gerespecteerd wordt, evenals de bijbehorende sancties.

In het kader van de gecombineerde aanvraagprocedure die zal worden ingevoerd zullen de betrokken overheden, met respect voor de respectieve bevoegdheden van elk van hen, beslissen of de machtiging tot verblijf en de toelating tot arbeid worden toegekend.

Met respect voor de regels met betrekking tot de gecombineerde aanvraagprocedure die door de richtlijn voorzien worden, worden de volgende zaken geregeld in het samenwerkingsakkoord:

  • de nadere regels voor de indiening van de aanvraag worden bepaald;
  • de overheid die bevoegd is om deze aanvraag te ontvangen en om de gecombineerde vergunning af te geven wordt aangeduid;
  • de verplichting om de relevante informatie inzake de documenten die vereist zijn om een volledige aanvraag in te dienen op aanvraag aan de onderdaan van een derde land en zijn werkgever te verstrekken wordt geformuleerd;
  • de verplichting om de aanvrager schriftelijk mee te delen welke aanvullende inlichtingen of documenten vereist zijn wanneer de inlichtingen of documenten die voorgelegd worden om de aanvraag te staven onvolledig zijn;
  • het gevolg van het feit dat er binnen de door de richtlijn voorziene termijn geen beslissing is genomen wordt voorzien;
  • de rechtsmiddelen in geval van weigering of intrekking van de gecombineerde vergunning worden vastgelegd.
  • Het samenwerkingsakkoord voorziet eveneens transversale bepalingen met betrekking tot:
  • de circulatie en de overdracht van de dossiers tussen de administraties die bevoegd zijn voor het onderzoek van de aanvragen voor een gecombineerde vergunning;
  • de creatie van een elektronisch platform;
  • de verdeling van de kosten die het gevolg zijn van de uitvoering van het akkoord tussen de bevoegde overheden;
  • de coherentie van de normen;
  • de regeling van de geschillen die het ge volg zijn van de interpretatie of uitvoering van het samenwerkingsakkoord;
  • de inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord. De gecombineerde aanvraagprocedure die in het samenwerkingsakkoord vermeld wordt en in de bijlage 1 op gedetailleerde wijze beschreven wordt, omvat 7 fases die als volgt kunnen worden samengevat:

Schema 1

  1. De aanvraag voor een gecombineerde vergunning wordt door de werknemer, via de werkgever, ingediend. De aanvraag voor een gecombineerde vergunning wordt alleen door de werknemer ingediend wanneer hij een aanvraag voor een onbeperkte arbeidsvergunning indient.
  2. De aanvraag wordt ingediend bij het Gewest dat territoriaal bevoegd is. Indien het Gewest niet bevoegd is, stuurt het het dossier naar het bevoegde Gewest. De territoriale verdeling van de bevoegdheden inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers tussen de gewestelijke overheden, op grond van het territoriaal aanknopingspunt, wordt in het samenwerkingsakkoord bepaald.

    Het bevoegde Gewest bevestigt de ontvangst van het dossier en onderzoekt of het dossier volledig/ontvankelijk is.

    Nadat de aanvraag ontvankelijk is verklaard wordt een kopie van het dossier ten laatste 15 dagen na de ontvangst van het volledige dossier naar de Dienst Vreemdelingenzaken gestuurd.
  1. Zodra het dossier als ontvankelijk (en dus volledig) wordt beschouwd begint de termijn van 4 maanden binnen dewelke de gecombineerde vergunning moet worden afgeleverd te lopen. Het Gewest stuurt een kopie van het dossier naar de Dienst Vreemdelingenzaken, die vervolgens zijn veiligheidsonderzoek start. Tegelijkertijd onderzoekt het bevoegde Gewest of de voorwaarden voor de afgifte van een arbeidsvergunning vervuld zijn.
  1. De Dienst Vreemdelingenzaken neemt een beslissing, onder de opschortende voorwaarde van de toelating tot arbeid door het Gewest. Het Gewest neemt een autonome beslissing inzake de toelatingen tot arbeid. Deze twee beslissingen worden in één enkele administratieve akte geïncorporeerd. Wanneer beide beslissingen positief zijn, zowel wat het luik van de tewerkstelling als wat het luik betreffend het verblijf betreft, zal de Dienst Vreemdelingenzaken de administratieve akte steeds aan de werknemer en, in voorkomend geval, de werkgever betekenen.
  1. Indien de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken negatief is, betekent hij deze beslissing alleen aan de werknemer (veiligheidsonderzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken versus privacy van de werknemer). Het Gewest wordt in kennis gesteld van deze negatieve beslissing. In dat geval kan de werknemer een beroep instellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is dan nog vatbaar voor een beroep bij de Raad van State.
  1. Als de Dienst Vreemdelingenzaken een positieve beslissing neemt, maar het Gewest daarentegen een negatieve beslissing neemt, wordt deze negatieve beslissing door het Gewest aan de werknemer en de werkgever betekend. In dit geval kunnen zowel de werkgever als de werknemer een beroep indienen bij de gewestminister die bevoegd is. Tegen de beslissing van de gewestminister kan vervolgens nog beroep worden ingediend bij de Raad van State.
  1. Ten slotte zal de Dienst Vreemdelingenzaken de eindbeslissing (indien deze zowel met betrekking tot het verblijf als met betrekking tot de tewerkstelling positief is) ter kennis brengen van de posten en/of de gemeenten. Indien het gaat om een negatieve beslissing die door de Gewesten is genomen zal de beslissing door de Gewesten ter kennis aan de aanvrager worden gebracht.
  1. Indien de Dienst Vreemdelingenzaken om een verblijfsreden een einde maakt aan het verblijf kan er bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en, in voorkomend geval, de Raad van State beroep worden ingediend tegen deze beslissing. De intrekking kan ook op vraag van het Gewest plaatsvinden wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning van een arbeidsvergunning niet langer voldaan wordt. Tegen deze negatieve beslissing kan, voor wat het luik “werk” betreft, beroep worden ingediend bij de gewestminister en, in voorkomend geval, de Raad van State. Indien de Dienst Vreemdelingenzaken de gecombineerde vergunning intrekt, kan hier steeds beroep tegen worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en, in voorkomend geval, de Raad van State.

Schema 2

  1. Indien de Gewesten op zeer korte termijn (15 dagen) een negatieve beslissing nemen over het luik “werk” stellen de Gewesten de aanvrager en de werkgever hiervan in kennis. Het dossier wordt doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken, die het veiligheidsonderzoek uitvoert. Tegen de negatieve beslissing van het Gewest kan in beroep worden gegaan bij de gewestminister en, in voorkomend geval, de Raad van State. Als de negatieve beslissing van het Gewest vernietigd wordt, begint de procedure opnieuw. De gewestelijke administratie onderzoekt de aanvraag opnieuw en de Dienst Vreemdelingenzaken zal een beslissing nemen over het luik “verblijf”.

In fine:

  • Elke instantie moet haar beslissingen motiveren en elke beslissing bevat de inlichtingen die betrekking hebben op het beroep.
  • Alle beslissing die dubbel positief zijn (verblijf en tewerkstelling) worden steeds betekend door de Dienst Vreemdelingenzaken.
  • Alle beslissingen die negatief zijn met betrekking tot het luik van het verblijf worden door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de werknemer (+ informatie voor de werkgever) betekend.
  • Alle beslissingen om een einde te maken aan de machtiging om te werken die door de gefedereerde entiteit worden genomen worden door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de werknemer en de werkgever betekend. De richtlijn legt weliswaar geen gecombineerde procedure op, maar met het oog op een coherente aanpak en rechtszekerheid betekent de DVZ alle beslissingen om een einde te maken aan de machtiging om te werken, met name om een bevel om het grondgebied te verlaten te betekenen of om een machtiging tot voorlopig verblijf af te geven, zodat de onderdaan van een derde land naar een andere werkgever kan zoeken.
  • Alle andere negatieve beslissingen met betrekking tot het luik van het verblijf worden door de gefedereerde entiteit aan de werknemer/werkgever betekend.

Gecombineerde vergunning

Het formaat van de gecombineerde vergunning, zoals dat voorzien wordt door de richtlijn, is gelijk aan het formaat dat beschreven wordt in de verordening (EG) 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen, dat de lidstaten in staat stelt om inlichtingen in te voegen die met name vermelden of de betrokkene al dan niet gemachtigd is om te werken.

Het samenwerkingsakkoord voorziet ook de afgifte van een verblijfstitel met een vermelding met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle onderdanen van derde landen die voor andere doeleinden dan tewerkstelling naar België komen en die in het bezit zijn van een verblijfstitel die conform is aan de voornoemde verordening.

De tabel6  in bijlage vermeldt, voor elke verblijfssituatie (kolom 2), in de volgende kolom, of het aspect “werk” voor de bedoelde situatie een federale (F) of gewestelijke (G) bevoegdheid is. In kolom 5 wordt de arbeidskaart die momenteel afgegeven is vermeld (A, B, C of geen recht op werk) en in kolom 9 wordt de overeenkomstige reglementaire bepaling in het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers vermeld.

Deze tabel maakt het mogelijk om de gevolgen van de omzetting van de richtlijn geval per geval weer te geven.

Kolom 6 van de tabel in bijlage 2 vermeldt telkens of de bedoelde situatie (lijn) onder het toepassingsgebied van de Europese richtlijn valt, via de vermelding “gecombineerde vergunning”. Sommige situaties van economische migratie zijn immers uitdrukkelijk uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn2011/98, hoewel de specifieke migratierichtlijnen wel een gecombineerde vergunning opleggen.

In dezelfde kolom 6 zijn ook nog deze vermeldingen opgenomen:

  • “Artikel 7”. Deze vermelding beoogt de situaties waarvoor de procedure voor de aanvraag van een gecombineerde vergunning niet van toepassing is, maar waarin wel een verblijfsvergunning wordt verstrekt, overeenkomstig EU-verordening 1030/2002: in dit geval moet de verblijfstitel die afgeleverd wordt de gegevens vermelden die verband houden met de vergunning tot het verrichten van werk. De verblijfstitel zelf volstaat om vast te stellen of en in welke mate mag worden gewerkt, wat zowel voor de werknemer zelf als voor de potentiele werkgevers en de inspectiediensten duidelijker en eenvoudiger is. Zo wordt de voor alle partijen ongemakkelijke en onzekere situatie waarin men vrijgesteld is van de arbeidskaart, zonder dat dit ergens expliciet uit een document blijkt, verholpen, doordat de verblijfstitel expliciet vermeldt of en in welke mate er mag worden gewerkt (zie bijvoorbeeld de lijnen 30, 31, 66, 67). Het gebruik van de vermelding “artikel 7” is gehaald uit artikel 7 van de richtlijn 2011/98/EU die de lidstaten verplicht de toegang tot de arbeidsmarkt te vermelden op de verblijfstitels van de onderdanen van derde landen die voor andere doeleinden dan werk op het grondgebied verblijven. De omzetting van dit artikel vindt niet plaats in het kader van de wet en zal door middel van een wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden uitgevoerd.
  • “Uitgesloten van de richtlijn”, met 2 mogelijke toevoegingen: “maar met vermelding” en “maar procedure gecombineerde vergunning”. “Maar met vermelding” betekent opnieuw dat de verblijfstitel een vermelding zal bevatten omtrent de mogelijkheden inzake werk, en dat er dus geen aparte arbeidskaart (nu meestal arbeidskaart C) meer zal worden afgeleverd (zie bijvoorbeeld de lijnen 7 tot 11). “Maar procedure gecombineerde vergunning” betekent dat de aanvraag voor de gecombineerde titel verblijf-werk overeenkomstig het schema van bijlage 2 zal verlopen, en dit zelfs indien de bedoelde situatie niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt (zie bijvoorbeeld de lijnen 83 tot 85 inzake seizoensarbeid).

De specifieke migratierichtlijnen leggen voor andere verblijfstitels om voor een periode van meer dan negentig dagen te werken, immers ook een gecombineerde vergunning op.

Kolom 7 van de tabel geeft aan welke titel in de toekomst zal worden afgeleverd en kolom 8 geeft een indicatie van de vermelding inzake werk die op de titel zal staan.

De kost verbonden aan de aanmaak van de kaarten, die de vermelding bevatten dat iemand mag werken en die gelijktijdig een toelating tot arbeid en een verblijfsvergunning bevatten, zijn éénmalige kosten. De verdeling van deze kosten wordt uitgewerkt in een uitvoerend samenwerkingsakkoord.

Lees ook: Samenwerken met onderaannemers: het belang van het formulier A1

Omzetting van andere Europese richtlijnen met betrekking tot de economische migratie

Net zoals de richtlijn 2011/98/EU maken andere richtlijnen deel uit van de maatregelen die door de Europese Unie genomen worden om de immigratie van onderdanen van derde landen voor economische doeleinden op haar grondgebied gemakkelijker te maken.

De omzetting van deze richtlijnen moet eveneens worden uitgevoerd door middel van een samenwerkingsakkoord dat tot doel heeft het beleid inzake de toekenning van de arbeidskaarten en de verblijfsvergunningen, evenals de normen met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, te coördineren.

Aangezien ze voorwaarden voor de binnenkomst en het verblijf van de onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling gedurende een periode van meer dan negentig dagen vastleggen werd besloten om deze onderdanen van derde landen te onderwerpen aan de regels die door dit akkoord, of door het uitvoeringsakkoord dat krachtens dit akkoord zou worden genomen, voorzien worden, en dit ongeacht het feit of de betrokken richtlijnen al dan niet een gecombineerde aanvraagprocedure invoeren.

Het doel is de procedure voor de toelating van buitenlandse werknemers te vereenvoudigen, te vergemakkelijken en te harmoniseren.

Hierbij gaat het met name om de richtlijnen

  • 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
  • 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider;
  • 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming
  • 2016/801/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.

Op basis van dit principe werd overeengekomen dat de gecombineerde aanvraagprocedure, zoals bepaald in het samenwerkingsakkoord, op de onderdanen van derde landen die door dergelijke richtlijnen bedoeld worden zal worden toegepast en dat artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zal worden toegepast.

Indien de uitvoering van deze richtlijnen dit noodzakelijk maakt of dit toestaat zullen aanvullende procedureregels te dien einde kunnen worden voorzien door een uitvoeringsakkoord waarvan de effectiviteit niet afhankelijk is van een wetgevende instemmingsakte.

Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze wet treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.
 
De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen die voorafgaat aan bovenvermelde datum.
 
Deze wet is niet van toepassing op de aanvragen voor verblijfsvergunningen of arbeidskaarten die werden ingediend voor de datum van inwerkingtreding ervan. Deze aanvragen blijven geregeld door de wettelijke bepalingen die van kracht waren voor deze datum.
 

Lees de volledige tekst van de wet van 9 mei 2018 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie  tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten