RSZ-vrije kosten kunnen worden bewezen door een globaal forfait

Geschreven door Mr. Willy van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte, Tacquet en Clesse, www.bellaw.be

Cass. 7 september 2015, S.15.0016.F

De kosten die ten laste vallen van de werkgever”, zo omschrijft de socialezekerheidswetgeving een van de belangrijkste toekenningen die een werkgever aan zijn werknemers doet en die worden uitgesloten uit de basis waarop socialezekerheidsbijdragen worden berekend (art. 19, § 2, 4°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet). Het is een begrip dat verwant is aan dat van kosten eigen aan de werkgevervan de fiscale wetgeving, maar het heeft een eigen inhoud.

Wanneer de RSZ de realiteit betwist van de kosten die de werkgever niet als loon aangeeft, moet de werkgever de realiteit van de kosten aantonen. Hij kan dat doen door stukken voor te leggen die de kosten en hun omvang bewijzen, maar ook door andere bewijsmiddelen zoals vermoedens (art. 14, § 4, RSZ-wet).

In de zaak waarin het hierboven aangewezen cassatiearrest van 7 september 2015 werd uitgesproken, voerde de RSZ aan dat de forfaitaire sommen die een werkgever aan werknemers uitkeert als terugbetaling van de kosten van verplaatsing die werknemers maken om zich naar de werf te begeven, alleen kunnen ontsnappen aan de kwalificatie loon als de kosten die iedere werknemer voor zijn eigen verplaatsingen maakt, bewezen zijn. Dat volgt niet uit de wettelijke bepalingen, zo besliste het Hof van Cassatie.

►Lees ook: Vanaf 1 oktober 2016 verplichte girale loonbetaling indien sectoren geen uitzondering maken

Het is met andere woorden niet omdat een werkgever niet het bewijs kan leveren van de reële kosten van iedere werknemer die hij vergoedt, dat een voor alle werknemers in dezelfde situatie toegepast forfait, niet als bewijs zou in aanmerking kunnen worden genomen. Dat geldt niet alleen voor de kosten van verplaatsing naar het werk, maar ook voor alle professionele kosten die de werknemer ten laste neemt.