Registratie aanbieders trust- of vennootschapsrechtelijke diensten

Geschreven door Lexalert
Foto: Martin Thomas  

Het wetsontwerp van 16 februari 2018 onderwerpt de dienstenverleners aan vennootschappen aan een registratie.

Inhoudstafel: 

  1. Doelstellingen van het wetsontwerp
  2. Het begrip van dienstenverleners aan vennootschappen en toepassingsgebied
  3. Uitzonderingen op het toepassingsgebied
  4. Ondernemingen die onder het toepassingsveld van de wet kunnen vallen
  5. Voorwaarden van erkenning en registratie

1. Doelstellingen van het wetsontwerp

Dit wetsontwerp beoogt de omzetting van artikel 3, 7, van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (hierna “de richtlijn 2015/849/EU”)dat de aanbieder van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten definieert en de gedeeltelijke omzetting van artikel 47 van dezelfde richtlijn dat de lidstaten uitnodigt om aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten te vergunnen of te registreren.

De lidstaten moeten van de bevoegde autoriteiten eisen dat ze de vergunning of registratie van de aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten (in Belgisch recht in het Nederlands vermeld als “dienstenverleners aan vennootschappen”) weigeren wanneer ze niet overtuigd zijn van de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de personen die deze ondernemingen daadwerkelijk besturen of van de uiteindelijke begunstigden.

Deze dienstenverleners zijn inderdaad onderworpen entiteiten in de zin van de bovengenoemde richtlijn net zoals de kredietinstellingen en verschillende gereglementeerde beroepen. Dit houdt in dat deze dienstenverleners onderworpen zijn aan het geheel van verplichtingen opgelegd door de richtlijn, met name de identificatie van hun cliënten en van verdachte handelingen. Gezien de rol die ze moeten spelen in het kader van de strijd tegen het witwassen van geld en de terrorismefinanciering is het noodzakelijk om te maken te hebben met betrouwbare en geïdentificeerde partners.

Deze dienstenverleners onderwerpen aan een registratie om ze te laten bijdragen aan de strijd tegen witwassen, laat bovendien toe tegemoet te komen aan de bezorgdheden van de Financiële Actiegroep (FAG), waarvan België lid is. Deze bezorgdheden staan vermeld in het vierde gezamenlijke evaluatierapport van België betreffende de maatregelen inzake de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme van april 2015.

Men zou zich erover kunnen verbazen dat de aanbieders van trustdiensten en vennootschapsrechtelijke diensten pas nu het onderwerp zijn van een wetsontwerp. Hoewel deze dienstenverleners al onder het toepassingsgebied “ratione personae” vielen van de richtlijn 2005/60/EG van 26 oktober 2005 en onder de 40 Aanbevelingen van de FAG, meer in het bijzonder onder Aanbeveling 12, die herzien werden in juni 2003, werden deze dienstenverleners tot op heden immers niet bedoeld in het preventief stelsel van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, noch zijn ze onderworpen aan een registratie in België.

Tot op heden werd geoordeeld dat een reglementering van deze beroepen niet nodig was. Zo vermeldt paragraaf 592 van het “3ème Rapport d’évaluation mutuelle de la Lutte Anti-Blanchiment de capitaux et contre le financement du terrorisme” van juni 2005: (vrije vertaling) “De aanbieders van diensten aan vennootschappen en trusts zijn niet bedoeld in de wet van 11 januari 1993, gezien deze beroepscategorie als dusdanig niet bestaat in België. Daarentegen worden alle activiteiten opgesomd in de Aanbeveling 12-e) en in het Glossarium voor deze beroepscategorie vooral uitgeoefend door de advocaten en de boekhoudkundige beroepen (eventueel door de notarissen).”.

Bovendien werd op het ogenblik van de omzetting van de richtlijn 2005/60/EG in Belgisch recht door de wet van 18 januari 2010 tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en financiering van terrorisme en het Wetboek vennootschappen, geoordeeld dat het niet nodig was om de aanbieders van trustdiensten en vennootschapsrechtelijke diensten te viseren “omdat die rechtsfiguur, afgezien van de gevallen die al zijn opgenomen in de wet van 11 januari 1993, niet bestaat in het Belgisch recht” (Kamer, DOC 52 1988/001, p.12).

Sindsdien moet vastgesteld worden dat de zaken in de praktijk wel geëvolueerd zijn en dat sommige diensten, in het bijzonder die van domiciliëring van een onderneming, in België blijkbaar beroepsmatig worden verleend door ondernemingen gevestigd op het Belgisch grondgebied, terwijl die ontsnappen aan de reglementering inzake bestrijding van het witwassen van geld en de terrorismefinanciering, evenals aan enige registratie.

Verder wordt in de studie van januari 2011, uitgevoerd op vraag van de Europese Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 2005/60/EG (“European Commission Final Study on the application of the AntiMoney Laundering Directive”), vermeld dat slechts drie landen van de Europese Unie de aanbieders van trustdiensten en vennootschapsrechtelijke diensten niet hebben opgenomen in het preventieve stelsel. Het gaat om België, Hongarije en Polen (zie bladzijde 219 van dit rapport).

Dit wetsontwerp heeft het registreren van dienstenverleners aan vennootschappen tot doel die nog nergens anders geregistreerd werden en die onderworpen zijn aan de anti-witwaswetgeving.

Dit wetsontwerp werd voor advies voorgelegd:

  • aan de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en KMO (HRZKMO) die zijn advies heeft gegeven op 21 maart 2017;
  • aan het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (IAB) die zijn advies heeft gegeven op 28 februari 2017;
  • aan het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) die zijn advies heeft gegeven op 7 maart 2017;
  • aan het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) die zijn advies heeft gegeven op 30 maart 2017;
  • informeel aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI), aan de Federale Overheidsdienst Justitie en aan de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) die hun opmerkingen respectievelijk op 22 mei 2017, 1 juni 2017 en 4 juli 2017 bezorgden.

 

2.  Het begrip van dienstenverleners aan vennootschappen en toepassingsgebied

De definitie van dienstenverleners aan vennootschappen opgenomen in dit wetsontwerp, heeft de definitie van de richtlijn als beginpunt genomen.

Van de vijf activiteiten beoogd in de definitie van de richtlijn, werd enkel de activiteit onder punt c) van artikel 3, 7) van de richtlijn opgenomen in dit wetsontwerp.

De andere activiteiten werden niet opgenomen:

1° hetzij omdat ze niet beroepsmatig voor rekening van derden worden uitgeoefend in België:

  • activiteit van oprichting van vennootschappen voor rekening van derden, artikel 3, 7), a), van de richtlijn,
  • activiteit van “gevolmachtigd bestuurder” (“nominee director” – artikel 3, 7), b), van de richtlijn), van trustee (artikel 3, 7), d) van de richtlijn) en van “gevolmachtigd aandeelhouder” (“nominee shareholder” – artikel 3, 7), e), van de richtlijn),

2° hetzij omdat ze al gereglementeerd is:

  • activiteit van “trustee”, artikel 3, 7), d) van de richtlijn.

Deze redenen worden verder uitgelegd in de commentaar bij artikel 3.

Deze aanpak die erin bestaat om enkel de activiteiten te vatten die daadwerkelijk worden uitgeoefend in België, is terug te vinden in andere lidstaten zoals Frankrijk of Nederland die er, net zoals België, hebben voor gekozen om deze dienstenverleners te onderwerpen aan een registratie vereist door artikel 47 van de richtlijn.

Op basis van analyses van de CFI en van de Federale Politie die door de FAG werden opgenomen in het gezamenlijke evaluatierapport van België (§§ 7.15, 7.23, 7.25 en 7.31) werd echter beslist, zoals verder uitgelegd wordt in de commentaar bij artikel 3, om het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot de activiteit van deelname aan de aan- of verkoop van aandelen van vennootschappen.

Zo heeft de Federale Politie netwerken ontdekt voor handel en verkoop van vennootschappen voor frauduleuze activiteiten van verschillende aard (sociale fraude, faillissementsfraude, georganiseerde btw-fraude), de verkoop van vennootschappen met stromannen en talrijke onregelmatigheden in verband met de daadwerkelijke maatschappelijke zetel.

Om het toepassingsgebied snel te kunnen aanpassen wanneer vastgesteld wordt dat een activiteit zich ontwikkelt die voordien niet werd uitgeoefend in België, is bovendien voorzien dat de Koning het toepassingsgebied van de wet kan uitbreiden naar andere activiteiten. Deze uitbreiding kan enkel gebeuren via een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de CFI. De uitbreiding zal ook altijd rekening moeten houden met de richtlijn 2015/849.

3. Uitzonderingen op het toepassingsgebied

Dit wetsontwerp beoogt niet de dienstenverleners aan vennootschappen, wanneer die dienstenverleners een andere beroepsactiviteit voeren krachtens dewelke ze al onderworpen zijn aan de “anti-witwas” voorkomingsmaatregelen.

Deze beroepsbeoefenaars zijn al gekend. Het is dan ook niet nodig om hen te onderwerpen aan een inschrijvings- en registratieverplichting, wat dubbel gebruik uitmaakt met de verplichtingen die al bestaan voor deze beroepen. Deze beroepsuitoefenaars worden dus uitgesloten uit het toepassingsgebied van de wet.

4. Ondernemingen die onder het toepassingsveld van de wet kunnen vallen

De HRZKMO heeft gevraagd om het aantal ondernemingen dat onder dit wetsontwerp kunnen vallen, te verduidelijken.

Het is zeer moeilijk om een precieze schatting te maken van het aantal ondernemingen waarop de wet van toepassing kan zijn.

Wanneer een adres ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen een groot aantal maatschappelijke zetels kent, kan men veronderstellen dat er een domiciliëringsactiviteit wordt uitgeoefend.

In de veronderstelling dat er vanaf 50 adressen sprake is van een domiciliëringsonderneming of van een vestigingseenheid ervan, zou het aantal adressen met een domiciliëringsactiviteit op grote schaal op 180 kunnen geschat worden.

5.  Voorwaarden van erkenning en registratie

Artikel 47 van de richtlijn 2015/849/EU verduidelijkt dat de lidstaten van de bevoegde autoriteiten moeten eisen dat ze ervoor zorgen dat de personen die de effectieve leiding hebben over de bedrijven van dienstenverleners aan vennootschappen of die er de uiteindelijke begunstigde van zijn, bekwaam en betrouwbaar zijn.

Zoals blijkt uit over weging (39) van de richtlijn 2005/60/EG, waarvan de tekst van artikel 3, 7), e), nagenoeg identiek is, moeten de criteria van bekwaamheid en betrouwbaarheid vastgelegd worden overeenkomstig het nationale recht.

De criteria met betrekking tot de betrouwbaarheid zijn bepaald door de wet. De bekwaamheid wordt in het Belgisch recht voldoende aangetoond door de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Natuurlijke personen moeten in dat kader immers voorafgaandelijk een bepaalde basiskennis van bedrijfsbeheer hebben aangetoond of bewijzen dat ze een gereglementeerd intellectueel beroep uitoefenen, wat inhoudt dat zij onderworpen zijn aan regels die een beroepsexpertise opleggen. Voor rechtspersonen moet de (afgevaardigde) bestuurder of zaakvoerder eveneens over deze basiskennis bedrijfsbeheer beschikken.

Bovendien zal de registratie voor de activiteit van domiciliëring enkel gegeven worden aan natuurlijke personen en rechtspersonen die aantonen dat ze aan de gedomicilieerde personen lokalen ter beschikking kunnen stellen met een geschikte ruimte inzake privacy en die het mogelijk maken om vergaderingen zoals die van de algemene vergadering te houden. Deze personen zullen ook de rechtmatige bewoner moeten zijn van de lokalen die aan de gedomicilieerde persoon ter beschikking gesteld worden, bijvoorbeeld omdat ze eigenaar of huurder zijn, die ze uitbaten met het oog op het aanbieden van domiciliëringsdiensten, bepaald in een domiciliëringsovereenkomst. Deze bepalingen geven de nodige bescherming om te verzekeren dat de zetel van de onderneming effectief gedomicilieerd is en niet louter een brievenbus is.

De registratieprocedure is een nieuwe bevoegdheid. De Algemene Directie K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie is al verantwoordelijk voor de wetgeving betreffende verschillende gereglementeerde beroepen die activiteiten van dienstenverleners aan vennootschappen uitoefenen.

De registratie van andere dienstenverleners van wie het beroep niet gereglementeerd is maar enkel de activiteit zal gereglementeerd zijn, zal daarom eveneens worden verzekerd door deze Algemene Directie K.M.O.-beleid van de FOD Economie onder de verantwoordelijkheid van de minister van Middenstand.

De controle op deze activiteit van dienstenverleners zal uitgeoefend worden door de Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie onder de verantwoordelijkheid van de minister van Economie. Deze directie heeft immers de vereiste ervaring om dit type van controle uit te oefenen en is al belast met de controle op verschillende niet-financiële beroepen zoals bedoeld in het preventieve stelsel op grond van artikel 39 van de wet van 11 januari 1993.

Bekijk de volledige tekst van het wetsontwerp van 16 februari 2018 tot registratie van de dienstenverleners aan vennootschappen