Regeling willekeurig ontslag in publieke sector ongrondwettig

Geschreven door Lexalert

GwH 30 juni 2016, nr. 101/2016

Publieke sector – motivering ontslag – harmonisatie arbeiders bedienden –  art. 63 Arbeidsovereenkomstenwet – CAO nr. 109 – schending gelijkheidsbeginsel    

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, in samenhang gelezen met artikel 38, 2° van de wet Eenheidsstatuut, het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre het van toepassing is op arbeiders in de publieke sector, wanneer het ontslag plaatsvindt na 31 maart 2014.

Deze zaak betreft een gemeentearbeider die actief was als garagist. Bij besluit van 16 mei 2014 van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente werd beslist een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang omdat de functie van garagist om besparingsredenen zou worden afgeschaft en er geen andere geschikte functie voor de arbeider beschikbaar was. De wettelijke opzeggingsvergoeding van 84 dagen en 4 weken werd betaald. De arbeider was echter van oordeel dat de gemeente een schadevergoeding diende te betalen wegens kennelijk onredelijk ontslag en trok naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Tongeren.

De arbeidsrechtbank wees erop dat binnen de publieke sector een verschil in behandeling bestaat tussen arbeiders, die zich kunnen beroepen op de bijzondere wettelijke bescherming bij willekeurig ontslag, en bedienden, die deze bescherming niet genieten. De vraag rijst of dat onderscheid nog steeds verantwoord is.

De prejudiciële vraag die aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld kan als volgt worden verwoord:

“Zijn artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 38 van de Wet Eenheidsstatuut bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij, nadat de Wet Eenheidsstatuut met ingang van 1 januari 2014 de opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden heeft geharmoniseerd, in de publieke sector een verschil in behandeling laten voortbestaan tussen arbeiders en bedienden, nu enkel de eerste categorie zich bij willekeurig ontslag op de bescherming van artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan beroepen, en dit zolang voor de publieke sector geen regeling wordt aangenomen die vergelijkbaar is met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 109?”

►Van 1 juli tot 30 augustus 2016 - Zomer van de Cijferberoeper - 20% korting! op onze on demand seminaries

De gemeente voert in haar argumentatie aan dat zij als overheidsdienst het motiveringsbeginsel dient te respecteren voorzien in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De gemeente is dan ook van oordeel dat het niet verantwoord is dat de bescherming van artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet nog gevolgen zou hebben in de publieke sector en meent bijgevolg dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel.

Het Grondwettelijk Hof herhaalt in eerste instantie dat CAO nr. 109 op 1 april 2014 in werking is getreden waardoor de figuur van het willekeurig ontslag (art. 63 Arbeidsovereenkomstenwet) middels artikel 38, 1° van de Wet Eenheidsstatuut niet langer van toepassing is in de private sector maar dat voormelde figuur wel degelijk toepasselijk blijft op een arbeider die een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de overheid overeenkomstig artikel 38, 2° Wet Eenheidsstatuut.

Verder verwijst het Grondwettelijk Hof naar vorige arresten en onder meer naar zijn arrest nr. 187/2014 van 18 december 2014 (zie NB Arbeidsrecht nr. 2014/10) waarbij geoordeeld werd dat artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, zoals het van toepassing was vóór de totstandkoming van de Wet Eenheidsstatuut, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond en dat de gevolgen van dit artikel slechts gehandhaafd dienden te worden tot 1 april 2014. Volgens het Grondwettelijk Hof kon de wil om een geleidelijke harmonisatie van het statuut van arbeider en dat van bediende te bereiken niet langer verantwoorden dat een dergelijk criterium van onderscheid werd gehandhaafd, met name wat betreft de beperking van de aanvaardbare motieven van ontslag, de omkering van de bewijslast en de forfaitaire vaststelling van de aanvullende ontslagvergoeding die verschuldigd is in geval van willekeurig ontslag.

Finaal stelt het Grondwettelijk Hof dat het de wetgever betaamt om een nieuwe regeling te treffen voor de werknemers bedoeld in artikel 38, 2° van de Wet Eenheidsstatuut (zoals werknemers in dienst van de overheid) en dat, in afwachting van nieuwe regelgeving, aan de rechtscolleges toekomt om de rechten van alle werknemers in de publieke sector bij een kennelijk onredelijk ontslag zonder discriminatie te vrijwaren, waarbij zij zich in voorkomend geval kunnen laten leiden door CAO nr. 109. (Alex Franchimont)

Volledige tekst van het arrest