Overeenkomsten over opzeggingstermijnen gesloten vóór 1 januari 2014 blijven soms geldig

Geschreven door Mr. Willy Van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte, Tacquet & Clesse, www.bellaw.be
Foto: John Jones  

Vroeger

Vóór de inwerkingtreding, op 1 januari 2014, van de wet die een “eenheidsstatuut” invoerde, verschilden de opzeggingstermijnen altijd naargelang de werknemer een arbeider (werkman of werkster) dan wel een bediende was. De bedienden zelf werden onderverdeeld in drie categorieën naargelang van de hoogte van hun jaarloon.

Lager, hoger en hoogst

Men pleegde te spreken van “lagere”, “hogere” en “hoogste” bedienden.

Voor de eerste categorie waren de opzeggingstermijnen bij wet vastgelegd, de bepaling van die voor de “hogere” en “hoogste” bedienden werd overgelaten aan de partijen, met dien verstande dat zij niet lager mochten zijn dan die van de “lagere” bedienden.

Volg het on demand seminarie Up-to-date HR-recht 2018-3 met Valerie MASTELINCK

Wet Eenheidsstatuut

De Wet Eenheidsstatuut bracht verandering in de situatie: voor werknemers die in dienst traden vanaf 1 januari 2014 gelden uniforme opzeggingstermijnen, of zij nu werklieden dan wel bedienden zijn.

Maar voor werknemers met een anciënniteit die verder in de tijd teruggaat, moet de opzeggingstermijn in twee stappen worden berekend waarvan de resultaten moeten worden opgeteld: op de genoemde uniforme wijze voor de periode na 31 december 2013, maar nog steeds op een voor werklieden en bedienden verschillende wijze wat hun anciënniteit tot op dat ogenblik betreft (zie hierover ook Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2017-2018, nr. 4157).

Wat met vroegere overeenkomsten?

De vraag rees of voor het bepalen van die laatste termijn nog rekening moest of mocht worden gehouden met overeenkomsten over de opzeggingstermijn die vóór 1 januari 2014 werden gesloten met bedienden van de “hogere” en “hoogste” categorie. Dat werd betwist op grond van een verschil tussen wat in de wet staat en wat de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet Eenheidsstatuut daarover zegt (zie hierover ook Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2017-2018, nr. 4158) .

Het is weliswaar niet het Grondwettelijk Hof, maar uiteindelijk het Hof van Cassatie dat bevoegd is die knoop door te hakken, maar het eerstgenoemde hof geeft in het hieronder vermelde arrest de richting aan door te beslissen dat oordelen dat dergelijke overeenkomst niet geldt, ongrondwettig zou zijn. De arbeidsgerechten en het Hof van Cassatie kunnen nu moeilijk nog anders beslissen.

Overeenkomsten over opzeggingstermijnen zijn nog altijd binnen bepaalde grenzen mogelijk

BRON: GwH 18 oktober 2018, nr. 140/2018 (www.const-court.be)

Ondanks alle zorg die aan deze nieuwsbrief is besteed, blijven vergissingen mogelijk. De auteur en het advocatenkantoor Van Eeckhoutte, Taquet en Clesse kunnen daarvoor echter geen aansprakelijkheid aanvaarden.