Over het dwangbevel en de minnelijke invordering door de RSZ

Geschreven door Mr. Ester Van Oostveldt, Van Eeckhoutte, Taquet en Clesse , www.bellaw.be
Foto: eflon  

Wet 1 december 2016 tot wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot opheffing van hoofdstuk III, afdeling 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat betreft de invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en tot wijziging van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de fede-rale overheid (BS 29 december 2016)

Koninklijk besluit 1 december 2016 tot wijziging van de artikelen 43octies tot en met 43decies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (BS 6 januari 2017)

1.       De verschillende invorderingswegen van de RSZ

De RSZ beschikt over verschillende mogelijkheden om achterstallige socialezekerheidsbijdragen in te vorderen. In zijn administratieve instructies (zie www.socialsecurity.be) heeft de RSZ het over de 4 invorderingswegen:

  1. de gerechtelijke invordering (1ste weg),
  2. de invordering via dwangbevel (2de weg),
  3. de minnelijke invordering (3de weg),
  4. de invordering via de hoofdelijke aansprakelijkheid van de overnemer ten aanzien van de overlater in het geval van de overdracht van een handelsfonds (4de weg).

2.       Veralgemening van het dwangbevel

Tot vóór 1 januari 2017 was de gerechtelijke invordering, d.w.z. de invordering via dagvaarding voor de arbeidsrechtbank, de regel. Invordering via dwangbevel werd enkel gebruikt voor de invordering van schulden bij dienstenchequebedrijven, in gevallen van fraude, in het geval de minnelijke afbetalingstermijnen niet gerespecteerd werden en in het geval van invordering voor rekening van buitenlandse instellingen van sociale zekerheid.

De hier besproken wet van 1 december 2016 maakt van de invordering via dwangbevel de regel en verankert het veralgemeend gebruik van het dwangbevel in de RSZ-wet. De manier waarop de RSZ tot invordering via dwangbevel kan overgaan, verandert niet t.o.v. de situatie voor 1 januari 2017 (zie www.sociaalcompendium.be).

Ander interessant artikel: Zet u schrap voor de Wet Werkbaar en Wendbaar Werk

3.       Minnelijke invordering

Werkgevers met betaalmoeilijkheden die de invordering via dwangbevel of de gerechtelijke invordering van achterstallige bijdragen willen vermijden, kunnen sinds 1 januari 2007 een minnelijk afbetalingsplan overeenkomen met de RSZ.

Het hier besproken KB van 1 december 2016 past de bestaande regeling voor de minnelijke invordering van bijdragen, aan met ingang van 1 november 2016. Uitgangspunt is dat de RSZ een of meer afbetalingsplannen kan verlenen die bestaan uit minnelijke afbetalingstermijnen.

De krachtlijnen van de nieuwe regeling zijn de volgende:

  • de aanvraag tot afbetalingstermijnen moet betrekking hebben op de totale vervallen schuld op datum van de aanvraag of op een te vervallen schuld waarvan de RSZ het bedrag in bijdragen kent,
  • een afbetalingsplan is uitgesloten voor vervallen schulden die al het voorwerp uitmaken van rechtsvervolgingen of invordering door middel van dwangbevel door de RSZ,
  • bij de berekening van de maandelijkse schijven wordt rekening gehouden met de aan te rekenen bijdrageopslagen en de te vervallen interest,
  • het afbetalingsplan omvat in principe maximum 12 maandelijkse afbetalingen (dit maximum kan in bepaalde gevallen opgetrokken worden tot maximum 24 maandelijkse afbetalingen),
  • het plan voorziet steeds in een eerste onmiddellijke betaling, ten laatste binnen 10 dagen na de vermoedelijke datum van ontvangst van het afbetalingsplan,
  • het toezicht op de naleving van het afbetalingsplan door de werkgever vindt één keer per maand plaats en houdt rekening met overeengekomen vervaldata,
  • het afbetalingsplan wordt verzonden bij aangetekende brief en heeft uitwerking de derde werkdag na de datum van verzending.