Op loon waarvan de werknemer afstand doet, zijn niet altijd RSZ-bijdragen verschuldigd

Geschreven door Mr. Willy VAN EECKHOUTTE, Van Eeckhoutte, Tacquet & Kileste, www.bellaw.be
Foto: dhendrix73  

Cass. 18 januari 2016, S.13.0016.N 

In 2002 besliste het Hof van Cassatie in niet mis te verstane termen dat “het feit dat een werknemer, nadat het loon hem effectief verschuldigd is ingevolge het verrichten van de overeengekomen arbeidsprestaties, niet verder aanspraak maakt op dat loon of met de werkgever overeenkomt dat dit loon verminderd wordt of niet wordt betaald, niet verhindert dat sociale-zekerheidsbijdragen op dat loon verschuldigd zijn”. Die rechtspraak vond ruime navolging (zie www.sociaalcompendium.be).

In het hierboven nader aangeduide arrest van 18 januari 2016 nuanceert het Hof die zienswijze.

In de zaak waarin het Hof uitspraak deed, had een werknemer die van de rechtbank een opzeggingsvergoeding had verkregen overeenstemmende met negen maanden loon, een dading gesloten met zijn werkgever waarbij de werknemer genoegen nam met zes maanden loon en de werkgever afzag van hoger beroep.

De RSZ vorderde echter socialezekerheidsbijdragen op de door de rechter toegekende opzeggingsvergoeding overeenstemmende met negen maanden loon. Hij voerde daarbij aan dat een dading zoals die welke de partijen sloten, weliswaar geldig is in hun onderlinge verhouding, maar niet kan worden tegengeworpen aan derden, zoals de RSZ.

Fout, zegt het Hof van Cassatie. Het bestaan van een dading dringt zich op aan derden, die gehouden zijn de uitvloeisels te erkennen die zij tussen de partijen meebrengt. De dading brengt enkel voor de partijen het recht mee zich te verzetten tegen een herleving van het geschil. Derden kunnen niet meer inroepen dat de rechten van de partijen of van een van hen zijn vastgesteld door een vonnis als gevolg waarvan de dading werd gesloten.

De RSZ had ook ingeroepen dat zijn recht op socialezekerheidsbijdragen de openbare orde raakt. Dat kan wel zijn, zo oordeelt het Hof, maar dat doet geen afbreuk aan het feit dat derden gehouden zijn de externe gevolgen van de dading te erkennen, ten minste als het voorwerp van die overeenkomst niet verder gaat dan de zaken waarover men kan beschikken.