Nieuwe regels prospectus vanaf 21 juli 2019

Geschreven door Lexalert
Foto: RadishTM  

Het wetsontwerp van 11 juni 2018 wijzigt het regime dat van toepassing is bij aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek. Het berust – zoals vandaag op de verplichting om een informatiedocument voor de beleggers (het prospectus, goedgekeurd door de FSMA) op te stellen. Een prospectus is een juridisch document dat door ondernemingen wordt opgesteld voor potentiële beleggers en dat informatie over de uitgegeven effecten en over de ondernemingen zelf bevat.

De drempel waarboven deze verplichting van toepassing is wordt echter verhoogd tot 5.000.000 of 8.000.000 euro. Voor de aanbiedingen met een tegenwaarde onder dat drempel enkel moet een beknopte document opgesteld worden. Deze maatregel heeft als doel het toegang tot de financiering voor de kleine ondernemingen te vergemakkelijken.

In tegenstelling tot de vorige regeling neemt de Europese prospectuswetgeving  voortaan de vorm aan van een Europese verordening, de zogenaamde prospectusverordening, waarvan de meeste bepalingen rechtstreeks van toepassing zijn. Slechts voor enkele bepalingen van die prospectusverordening zijn dus specifieke omzettingsmaatregelen door de lidstaten vereist (bijvoorbeeld de drempel waarboven de prospectusplicht van toepassing is).

De prospectusverordening is verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd  wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG. De prospectusverordening is van toepassing vanaf 21 juli 2019.  

Dit wetsontwerp heft de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding  van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt op en vervangt dit. Het neemt uitsluitend de elementen van die wet over die niet in de prospectusverordening aan bod komen, of in verband waarmee de nationale wetgevers specifieke omzettingsmaatregelen dienen te nemen.

Een groot deel van de toepasselijke regeling, in het bijzonder de bepalingen over de vrijstellingen van de prospectusplicht, de prospectusregeling zelf, de goedkeuringsprocedure van het prospectus en de bepalingen over de internationale samenwerking, zit, met andere woorden, in de prospectusverordening  vervat en komt niet in dit ontwerp aan bod.

Bovendien worden een aantal wijzigingen aangebracht aan de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen.

Het ontwerp zorgt ook voor de implementatie van de verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen in het Belgisch recht, en wijzigt ook het Belgisch financieel recht op diverse punten.

I. — TENUITVOERLEGGING VAN DE PROSPECTUSVERORDENING

1. Overzicht van de door de prospectusverordening ingevoerde nieuwe regeling

De nieuwe prospectusverordening zal de thans geldende prospectusrichtlijn vervangen1.

De Europese wetgever beschouwt de prospectusverordening als een essentiële stap in de richting van de voltooiing van de kapitaalmarktenunie. Doel van die unie is ondernemingen te helpen een grotere diversiteit aan kapitaalbronnen van overal in de Europese Unie aan te boren, de markten efficiënter te doen werken en de beleggers en spaarders extra kansen te bieden om hun geld te doen renderen, om zo de groei te stimuleren en banen te scheppen (zie considerans 1 van de prospectusverordening). Dat de Europese wetgever voor een verordening (en niet voor een richtlijn) opteert, sluit aan bij zijn wens om de harmonisatie te bevorderen van de wetgeving over de openbaarmaking van informatie wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten: de verschillen tussen de reglementeringen die in de verschillende lidstaten van toepassing zijn, kan tot aanzienlijke belemmeringen leiden die grensoverschrijdende aanbiedingen van effecten, meerdere noteringen op gereglementeerde markten en uniale regels ter bescherming van de consument in de weg staan (zie considerans 5 van de prospectusverordening).

Hieronder worden de belangrijkste verschillen tussen de regeling van de prospectusverordening en die van de prospectusrichtlijn kort toegelicht:

— het grootste verschil betreft de drempels waarboven de prospectusplicht van toepassing is. Zo zal het voortaan verboden zijn om de opstelling van een prospectus te eisen voor aanbiedingen van effecten aan het publiek met een totale tegenwaarde van minder dan 1 000 000 euro (zie art. 1, lid 3, van de prospectusverordening). De lidstaten kunnen echter alternatieve informatieverplichtingen opleggen, voor zover die niet voor onevenredige of onnodige lasten zorgen. De lidstaten zullen in dat verband ook voor een minder strengere regeling dan die van de prospectusverordening kunnen opteren, en besluiten om aanbiedingen van effecten aan het publiek met een totale tegenwaarde tussen 1 000 000 euro en 8 000 000 euro vrij te stellen van de prospectusplicht (zie art. 3, lid 2, van de prospectusverordening). Ter zake wordt opgemerkt dat de aldus vrijgestelde aanbiedingen niet in aanmerking zullen komen voor de door de prospectusverordening vastgestelde paspoortregeling.

De bepalingen van de prospectusverordening die deze nieuwe drempels vaststellen, zullen vanaf 21 juli 2018 van toepassing zijn.

Er wordt opgemerkt dat die vrijstellingen niet gelden voor toelatingen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt waarvoor een prospectus is vereist, ongeacht het bedrag van de verrichting;

— de prospectusverordening bevat ook andere nieuwigheden in verband met de vrijstellingen van de prospectusplicht bij toelatingen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt.

Zo is de prospectusplicht niet meer van toepassing bij de toelating tot de verhandeling van effecten die fungibel zijn met effecten die al tot de verhandeling op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten, mits die over een periode van twaalf maanden minder dan 20 % (en niet meer 10 % zoals vroeger) vertegenwoordigen van het aantal effecten dat reeds tot de verhandeling op dezelfde gereglementeerde markt is toegelaten. Bovendien geldt de vrijstelling voor alle soorten effecten en niet langer enkel voor aandelen.

De nieuwe prospectusverordening legt een plafond van 20 % op voor de toelating tot de verhandeling van aandelen die resulteren uit de conversie of de omruiling van andere effecten, of uit de uitoefening van aan andere effecten verbonden rechten, indien de hieruit voortgekomen aandelen tot dezelfde klasse behoren als de aandelen die al tot de verhandeling op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten. Die beperking zat voorheen niet vervat in de prospectusrichtlijn en in de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt (hierna “de wet van 16 juni 2006”).

Ander interessant artikel: Wijzigingen consumenten-, bancair en verzekeringsrecht

Die nieuwe bepalingen zijn sinds 20 juli 2017 van toepassing en hebben de betrokken bepalingen van de wet van 16 juni 2006 (zie art. 18, § 2, a) en g), van die wet) op die datum dus impliciet opgeheven;

— de informatieverplichtingen bij toelating tot de verhandeling op een bepaalde gereglementeerde markt van effecten die al tot de verhandeling op een andere gereglementeerde markt zijn toegelaten, worden beperkt;

— de nieuwe prospectusverordening voert de regeling van het “universele registratiedocument” in, waardoor een uitgevende instelling waarvan de effecten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een MTF zijn toegelaten, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kan komen voor kortere goedkeuringstermijnen voor het prospectus;

— er wordt een specifieke lichtere regeling (het “EUgroeiprospectus”) ingevoerd voor kmo’s en bepaalde andere kleinschalige uitgevende instellingen;

— de inhoud van het prospectus zal ingrijpend worden herzien. De betrokken wetgevende werkzaamheden zijn nog aan de gang op Europees niveau;

— tot slot wordt opgemerkt dat het de wens van de Europese wetgever is om een hoger niveau van harmonisering tot stand te brengen omtrent de goedkeuringsprocedure van het prospectus. Ook deze aspecten komen aan bod in het kader van voornoemde wetgevende werkzaamheden.

Dit derde deel van de nieuwe regeling zal moeten worden toegepast vanaf de dag waarop de prospectusverordening van toepassing is (21 juli 2019 – zie art. 49, lid 2 van de verordening).

2. Belangrijkste kenmerken van de door dit ontwerp ingevoerde regeling

Hieronder volgt een gedetailleerde toelichting bij de belangrijkste aspecten van de door dit ontwerp ingevoerde regeling. Voor bijkomende details wordt naar de commentaar bij de artikelen verwezen.

— Begrip “beleggingsinstrument”

Zoals eerder de prospectusrichtlijn is ook de prospectusverordening uitsluitend van toepassing op de aanbiedingen aan het publiek en de toelatingen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt van effecten. De wet van 16 juni 2006 heeft een veel ruimer toepassingsgebied: zij hanteert niet het begrip “effect” maar het veel ruimere begrip “beleggingsinstrument”. Die benadering blijft behouden en het begrip “beleggingsinstrument” wordt op geen enkel punt gewijzigd. Dit ontwerp zal dus van toepassing blijven op de openbare aanbiedingen en de toelatingen tot de verhandeling van beleggingsinstrumenten die geen effecten zijn. Het bepaalt echter dat de regeling van de prospectusverordening wordt uitgebreid tot de aanbiedingen aan het publiek van beleggingsinstrumenten die geen effecten zijn. Bijgevolg zal het koninklijk besluit van 31 oktober 1991 over het prospectus dat moet worden gepubliceerd bij openbare uitgifte van effecten en waarden, worden opgeheven.

— Toepassingsgebied van de prospectusplicht en drempels

Hoewel de prospectusverordening de meeste vrijstellingen van de prospectusplicht rechtstreeks vaststelt, biedt zij de lidstaten toch de mogelijkheid om de drempel voor de prospectusplicht vrij vast te stellen voor de aanbiedingen aan het publiek waarvan de tegenwaarde tussen 1 000 000 euro en 8 000 000 euro bedraagt (zie art. 1, lid 3, en art. 3, lid 2, van de prospectusverordening).

Het ontwerp bepaalt dat de prospectusplicht in de volgende gevallen geldt:

1/ aanbiedingen aan het publiek met een totale tegenwaarde van meer dan 5 000 000 euro, van beleggingsinstrumenten die niet op een door de Koning aangeduide MTF zijn toegelaten (zie punt 2/ hieronder);

2 / aanbiedingen aan het publiek met een to tale tegenwaarde van meer dan 8 000 000 euro, van beleggingsinstrumenten die tot de verhandeling op een door de Koning aangeduide MTF zijn toegelaten. Bij de uitoefening van die machtiging zal de Koning erop toezien MTF’s aan te duiden die aan minimumstandaarden voldoen, zodat op passende wijze rekening kan worden gehouden met de belangen van de beleggers; en

3/ toelatingen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, ongeacht het bedrag ervan.

Het ontwerp strekt er dus toe drie afzonderlijke regelingen in te voeren voor de toepassing van de prospectusplicht, naargelang de betrokken beleggingsinstrumenten al dan niet tot de verhandeling op een door de Koning aangeduide MTF of op een gereglementeerde markt zijn (of zullen worden) toegelaten.

Vooreerst wordt eraan herinnerd dat, volgens de prospectusverordening, een prospectus moet worden gepubliceerd voor alle toelatingen van effecten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, alsook voor de aanbiedingen aan het publiek van effecten die tot de verhandeling op een dergelijke markt zijn toegelaten, ongeacht de betrokken tegenwaarde. Die regeling wordt door het ontwerp logischerwijs uitgebreid tot de toelatingen van beleggingsinstrumenten die geen effecten zijn.

Zoals al vermeld, voert het ontwerp bovendien een onderscheid in tussen de gevallen waarin de aanbieding aan het publiek betrekking heeft op beleggingsinstrumenten die zijn of zullen worden toegelaten tot de verhandeling op een MTF die aan bepaalde standaarden voldoet, en de gevallen waarin de betrokken beleggingsinstrumenten niet zijn genoteerd, dan wel tot de verhandeling op een ander type van MTF zijn toegelaten.

De Regering wil op die manier een evenwichtig compromis bereiken tussen de nood aan degelijke informatieverstrekking aan de beleggers en de door dit ontwerp nagestreefde doelstellingen inzake de financiering van ondernemingen. In concreto merkt de Regering op dat de toelating tot de verhandeling op een MTF de toepassing van een hogere drempel voor de prospectusplicht kan rechtvaardigen, als die toelating samengaat met de toepassing van een specifieke regeling die bescherming biedt aan de beleggers. Die regeling zou bijvoorbeeld vereisten inzake de continue informatieverstrekking moeten omvatten over voornamelijk de financiële prestaties van de uitgevende instelling van de betrokken instrumenten. De uitgevende instellingen zouden aan specifieke vereisten voor hun initiële toelating en aan een reglementering inzake marktmisbruik moeten worden onderworpen. Bovendien kan in het algemeen worden gesteld dat de toelating tot de verhandeling op een MTF impliceert dat, indien de beleggers dat wensen, zij hun beleggingsinstrumenten te gelde kunnen maken op een markt die liquiditeit alsook een geordend prijsvormingsproces biedt. Een dergelijke markt wordt bovendien verplicht uitgebaat door een onderneming die een vergunning moet verkrijgen van de FSMA en aan permanent toezicht door de FSMA is onderworpen (zie art. 42 en volgende van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiele instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU).

Om die redenen wordt voorgesteld om te voorzien in een hogere drempel, die wordt vastgesteld op het maximumniveau waarvan sprake in de prospectusverordening, voor de toepassing van de prospectusplicht bij een aanbieding aan het publiek van beleggingsinstrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een MTF die aan bepaalde standaarden voldoet: gelet op de specifieke regeling die bij toelating tot de verhandeling op een dergelijke MTF zal gelden, is de Regering van oordeel dat het algemeen beschermingsniveau van de beleggers behouden blijft.

Omdat – voor de andere beleggingsinstrumenten – een regeling ontbreekt die doorlopende garanties van hetzelfde type biedt als bij de toelating tot de verhandeling op een MTF van het eerder vermelde type, acht de Regering het daarentegen aangewezen om de drempel voor de prospectusverplichting op een lager niveau, namelijk op 5 000 000 euro, vast te stellen.

Voornoemde drempels van 5 000 000 euro en 8 000 000 euro zijn de drempels waarvoor respectievelijk in Nederland en Frankrijk is geopteerd. Naar het oordeel van de Regering maakt de hier voorgestelde regeling het dus mogelijk een level playing field te garanderen ten opzichte van de buurlanden.

Zoals voorheen, geldt de prospectusplicht niet bij een gewone toelating tot de verhandeling op een MTF of een OTF zonder aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek (zie echter hieronder in verband met de regeling van de informatienota).

— Informatienota

Dit ontwerpt strekt er ook toe alternatieve informatieverstrekkingsverplichtingen in te voeren voor bepaalde verrichtingen waarvoor de prospectusplicht niet geldt.

Voor de aanbiedingen aan het publiek met een totale tegenwaarde die minder bedraagt dan of gelijk is aan 5 000 000 euro of 8 000 000 euro, naargelang het geval (zie hierboven), wordt voorgesteld om de opstelling van een informatienota verplicht te stellen, i.e. een veel beknopter document dan een prospectus. Die regeling strekt ertoe de toegang tot de financiering te vergemakkelijken voor kleine ondernemingen, en tegelijkertijd te garanderen dat beleggers voldoende worden geïnformeerd. Het schema voor de opstelling van de informatienota en de inhoud van die nota zullen gedetailleerd en volledig worden vastgesteld bij koninklijk besluit. De informatienota zal niet vooraf door de FSMA moeten worden goedgekeurd.

Te noteren valt dat een de minimis-regeling wordt ingevoerd voor de aanbiedingen aan het publiek waarvan de totale tegenwaarde minder dan 500 000 euro bedraagt, en voor zover elke belegger slechts voor een maximumbedrag van 5 000 euro op de aanbieding aan het publiek kan ingaan. Voor dergelijke aanbiedingen aan het publiek zal geen informatienota en a fortiori ook geen prospectus moeten worden gepubliceerd.

De regeling van de informatienota zal ook van toepassing zijn bij de rechtstreekse toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op de door de Koning aangeduide MTF’s of segmenten daarvan. Wat de voor het publiek toegankelijke MTF’s betreft, is de Regering van oordeel dat de aan de toelating tot de verhandeling voorafgaande publicatie van een informatienota effectief gerechtvaardigd kan zijn. Eens de beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een dergelijke MTF zijn toegelaten, kunnen zij immers door niet-professionele beleggers worden gekocht, hoewel de toelating tot de verhandeling niet gepaard ging met een aanbieding aan het publiek. In voorkomend geval, zal de Koning een onderscheid kunnen maken tussen de verschillende segmenten van een MTF, bijvoorbeeld in de gevallen waarin slechts bepaalde van die segmenten toegankelijk zouden zijn voor niet-professionele beleggers. De Koning zal ook uitzonderingen op de verplichting om een informatienota te publiceren kunnen voorzien, inzonderheid in de in artikel 1, paragraaf 5, van de prospectusverordening bedoelde gevallen.

3. Legistieke benadering

In tegenstelling tot de vorige regeling neemt de Europese prospectuswetgeving voortaan de vorm aan van een verordening, waarvan de meeste bepalingen rechtstreeks van toepassing zijn. Slechts voor enkele bepalingen van die prospectusverordening zijn dus specifieke omzettingsmaatregelen vereist. Dat is zo voor de regeling inzake de verantwoordelijkheid met betrekking tot het prospectus (art. 11 van de prospectusverordening), de aansprakelijkheid van de bevoegde autoriteiten (art. 20, lid 9, van de prospectusverordening), de bepalingen over de aanwijzing en de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten (art. 31 en 32 van de prospectusverordening) en de bepalingen over de sancties en de administratieve maatregelen (art. 38 tot 43 van de prospectusverordening).

Verder blijft het voor de nationale wetgevers natuurlijk mogelijk om een regeling uit te werken voor aangelegenheden die buiten de materies vallen die door de prospectusverordening worden geharmoniseerd. Zo blijven de bestaande reglementering inzake bemiddeling en de regels over de werving en de inontvangstneming van terugbetaalbare bijvoorbeeld behouden.

Bijgevolg strekt dit wetsontwerp ertoe de wet van 16 juni 2006 op te heffen en te vervangen. Het neemt uitsluitend de elementen van die wet over die niet in de prospectusverordening aan bod komen, of in verband waarmee de nationale wetgevers specifieke omzettingsmaatregelen dienen te nemen. Een groot deel van de toepasselijke regeling, in het bijzonder de bepalingen over de vrijstellingen van de prospectusplicht, de prospectusregeling zelf, de goedkeuringsprocedure van het prospectus en de bepalingen over de internationale samenwerking, zit, met andere woorden, in de prospectusverordening vervat en komt niet in dit ontwerp aan bod. De reikwijdte van dit ontwerp is dus veel beperkter dan die van de wet van 16 juni 2006.

Het wettelijke kader voor aanbiedingen aan het publiek zal dus bestaan uit de prospectusverordening, de overeenkomstig die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen, dit ontwerp en de uitvoeringsbesluiten ervan.

II. — WIJZIGINGEN AAN DE WETGEVING OP DE OPENBARE OVERNAMEBIEDINGEN

Er worden ook een aantal wijzigingen aangebracht in de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen (hierna “de wet op de openbare overnamebiedingen”). Die wijzigingen hebben hetzelfde perspectief als de prospectusverordening, in die zin dat zij er met name naar streven de toegang tot de kapitaalmarkten te vergemakkelijken voor de kleinschalige ondernemingen:

— artikel 5 van de wet op de openbare overnamebiedingen, dat handelt over de toepassing van de wetgeving op de openbare overnamebiedingen op de vennootschappen die tot de verhandeling op een MTF zijn toegelaten, wordt gewijzigd met het oog op de modernisering van de regeling inzake verplichte openbare overnamebiedingen;

— artikel 8 van de wet op de openbare overnamebiedingen wordt gewijzigd, om de Koning in staat te stellen een specifieke regeling uit te werken voor openbare overnamebiedingen op schuldinstrumenten die door de uitgevende instelling van die instrumenten worden uitgebracht. Ter zake wordt er immers van uitgegaan dat bij dergelijke verrichtingen niet dezelfde regeling moet worden toegepast als bij openbare overnamebiedingen op effecten die toegang geven tot stemrecht, of bij openbare overnamebiedingen op schuldinstrumenten die door derden worden uitgebracht;

— de wet op de openbare overnamebiedingen stelt de “andere documenten en berichten die betrekking hebben op een openbare overnamebieding” gelijk met reclamestukken. Door die gelijkstelling zal de FSMA dergelijke documenten moeten goedkeuren, terwijl dat soms geen reclamestukken zijn (bv. de vennootschapsdocumenten van een vennootschap). Die gelijkstelling wordt opgeheven, waardoor die “andere documenten en berichten die betrekking hebben op een openbare aanbieding” niet meer a priori door de FSMA zullen moeten worden goedgekeurd bij een openbare overnamebieding;

— de bepalingen over de publicatiemodaliteiten voor prospectussen bij openbare overnamebiedingen en over de opneming van documenten door middel van verwijzing worden afgestemd op de regeling van de prospectusverordening.

Die wijzigingen zullen aanleiding geven tot een aanpassing van het koninklijk besluit van 27 april 2007 op de openbare overnamebiedingen.

III. — VARIA

Tot slot strekt het ontwerp ertoe de recente verordening inzake geldmarktfondsen2  ten uitvoer te leggen. Verder worden in de financiële wetgeving een aantal diverse en vormwijzigingen aangebracht. Voor meer details daarover wordt naar de commentaar bij de artikelen hieronder verwezen.

Bekijk de volledige tekst van het wetsontwerp van 11 juni 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt