Nieuwe regeling voor bepalen BTW-forfait

Geschreven door Lexalert
Foto: Ryan Ritchie  

Op dit moment machtigt artikel 56, § 1, van het Wetboek om bij KB, ten aanzien van te omschrijven kleine ondernemingen, de wijze te regelen waarop de administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststelt, wanneer dat mogelijk is.

Deze bijzondere regeling van aanslag maakt het voorwerp uit van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde dat de toepassingsvoorwaarden, de structuur en de werking van deze regeling bepaalt.

Deze forfaitaire grondslagen van aanslag maken het mogelijk om de belastbare omzet van de belastingplichtige te bepalen in de gevallen waarin deze omzet niet blijkt uit facturen of andere precieze gegevens, zonder dat de betrokkene zijn ontvangsten van dag tot dag moet optekenen.

Deze regeling is derhalve enkel van toepassing op de kleine ondernemingen die gewoonlijk leveringen van roerende goederen en diensten verrichten voor particulieren en die voor hun handelingen in principe geen factuur uitreiken.

De  belastingplichtigen die, krachtens artikel 21bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gehouden zijn tot het uitreiken van het kasticket bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, worden voor hun gehele activiteit uitgesloten van de forfaitaire regeling. Door middel van het gebruik van een geregistreerd kassasysteem kan het omzetcijfer immers nauwkeurig worden vastgesteld waardoor de regeling van de forfaitaire belastingheffing niet verenigbaar is met het houden van een geregistreerd kassasysteem. Deze aanpassing bekrachtigt de beslissing nr. E.T. 131 030 van 10 november 2016. De betrokken sectoren zijn de consumptie-ijsbereiders, de frituurexploitanten, de caféhouders en kleine caféhouders, de slagers en spekslagers, de bakkers en de brooden banketbakkers.

Volg het on demand seminarie Up-to-date BTW (JUN 2018) met Evy VAN DIJCK

Aangezien sommige essentiële bepalingen van het voormelde koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969, niet kunnen worden aangemerkt als eenvoudige uitvoeringsmaatregelen, wordt de inhoud ervan voortaan geïntegreerd in artikel 56, nieuw, van het Wetboek. Het gaat om het beginsel van de invoering van een forfaitaire regeling van aanslag, de voorwaarden om van dergelijke regeling te genieten, de fundamentele basisregels van de werking ervan, de mogelijkheid voor de betrokken belastingplichtigen om te opteren voor de normale regeling of de vrijstellingsregeling van belasting alsook de modaliteiten om de forfaitaire grondslagen van aanslag vast te stellen.

Ar tikel 12 van het ontwerp ver vangt ar tikel 56, § 1, van het Wetboek door een artikel 56, nieuw, (hierna “ar tikel 56”) dat voor taan vijf paragrafen telt die, zoals hier voor uiteengezet, een aantal bepaling en van het ver m eld e ko nink lijk besluit nr. 2 van 7 november 1969, hernemen.

die voldoen aan de voorwaarden opgesomd in deze bepaling. Overeenkomstig punt 8 van het voornoemd advies 63 254 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, belast artikel 56, § 1, van het Wetboek de Koning om de praktische modaliteiten te bepalen voor de vaststelling, het overleg en de eventuele wijzigingen van deze forfaitaire grondslagen van aanslag.

De voorwaarden hebben betrekking op de juridische vorm waaronder de belastingplichtige zijn activiteit uitoefenent, alsook op een aantal beperkingen met betrekking tot de omzet en op de specifieke omstandigheden waarin de activiteit wordt uitgeoefend.

Wat de juridische vorm betreft waaronder een belastingplichtige kan gebruik maken van de forfaitaire grondslagen van aanslag, voorziet artikel 56, § 1, tweede lid (nieuw), van het Wetboek, dat de vennootschappen onder firma (VOF), de gewone commanditaire vennootschappen (GCV) en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (BVBA) nog slechts gebruik zullen kunnen maken van deze regeling tot en met 31 december 2019. Rekening houdend met het feit dat zij een gedetailleerde boekhouding moeten voeren – een volledige voor de BVBA’s en een vereenvoudigde voor de VOF’s en de GVC’s – die in beide gevallen in principe op geïnformatiseerde wijze wordt bijgehouden, is het aangewezen deze vennootschappen niet meer toe te laten de vereenvoudigde regeling van forfaitaire aanslag te laten genieten. In de gegeven omstandigheden beantwoorden de betrokken ondernemingen niet meer aan het concept van kleine ondernemingen in de zin van artikel 281 van richtlijn 2006/112/EG, waarvan de structuur de toepassing van deze forfaitaire regeling rechtvaardigt.

Lees ook: Wijzigingen BTW 2018

Om deze vennootschappen niettemin een redelijke termijn toe te kennen om zich aan te passen aan deze nieuwe situatie, wordt voorzien dat zij deze belastingsregeling niet meer zullen kunnen gebruiken vanaf 1 januari 2020.

Artikel 56, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van het Wetboek, voorziet meer bepaald dat, om de forfaitaire grondlagen van aanslag te kunnen toepassen, de belastingplichtige beroepswerkzaamheden moet uitoefenen die voor ten minste 75 pct. van de omzet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur krachtens de bepalingen van het Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De forfaitaire grondslagen van aanslag kunnen echter ook worden toegepast door belastingplichtigen die niet voldoen aan de hiervoor vermelde voorwaarde, wanneer die in beperkte mate handelingen verrichten waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is, met name als die handelingen slechts betrekking hebben op een beperkt aantal personen of op beperkte hoeveelheden goederen. In geen geval mogen de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is echter 40 pct. van de omzet overtreffen.

Artikel 56, § 1, eerste lid, 4°, van het Wetboek, sluit uitdrukkelijk van deze regeling uit, de belastingplichtigen die leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor ze verplicht zijn een kasticket uit te reiken, zoals bedoeld in het hiervoor vermelde koninklijk besluit van 30 december 2009.

De paragrafen 2, 3 en 4, van artikel 56, van het Wetboek hebben respectievelijk betrekking op de berekening van het omzetcijfer dat als referentie wordt gebruikt om deze regeling te kunnen toepassen, op het wettelijk vermoeden dat alle goederen die hij heeft verworven geacht worden, tot bewijs van het tegendeel, te zijn geleverd of gebruikt bij de uitvoering van diensten onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt, op de regels met betrekking tot de inventaris van de voorraad en op de mogelijkheid om te opteren voor een andere belastingsregeling. Deze bepalingen die momenteel in koninklijk besluit nr. 2 zijn opgenomen, zijn voortaan geïntegreerd in het Wetboek.

Tenslotte kent paragraaf 5 van artikel 56 van het Wetboek aan de Koning de bevoegdheid toe om de praktische toepassingsvoorwaarden en de na te leven formaliteiten te bepalen, met name ten aanzien van de aanvang, de wijziging en de stopzetting van de activiteit of van de belastingsregeling. De voormelde paragraaf kent de Koning eveneens de bevoegdheid toe om de regels voor de uitoefening van de optie bedoeld in paragraaf 4 te bepalen evenals de modaliteiten voor het vestigen van de forfaitaire grondslagen van aanslag.

Overeenkomstig punt 9 van het voornoemd advies 63.254/3 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, voorziet artikel 19, eerste lid, van het ontwerp dat dit hoofdstuk uiterlijk op 1 januari 2019 in werking zal treden. Deze inwerkingtreding moet immers samenvallen met die van het koninklijk besluit dat het voornoemd koninklijk besluit nr. 2 zal vervangen, rekening houdend met het feit dat meerdere bepalingen van dit koninklijk besluit in artikel 56, nieuw, van het Wetboek, worden opgenomen. Daarom voorziet artikel 19, tweede lid, van het ontwerp dat de Koning een datum van inwerkingtreding kan bepalen voorafgaand aan 1 januari 2019. Deze vroegere datum van inwerkingtreding zal in voorkomend geval het voorwerp uitmaken van een bijzondere bepaling in het koninklijk besluit tot vervanging van het voornoemd koninklijk besluit nr. 2.

Lees hieronder de volledige tekst van het artikel 56 WBTW:

Art. 56 WBTW. § 1. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde kan, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen voor de belastingplichtigen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1° een fysieke persoon zijn;

2° beroepswerkzaamheden uitoefenen die voor ten minste 75 pct. van de omzet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

3° een jaaromzet hebben die niet meer bedraagt dan 750 000 euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde;

4° geen leveringen van goederen en diensten verrichten waarvoor zij gehouden zijn aan de klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.

Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen onder firma, op gewone commanditaire vennootschappen en op besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid tot 31 december 2019.

In afwijking van het eerste lid kunnen de forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast op de belastingplichtigen die niet voldoen aan de in het eerste lid, 2°, gestelde voorwaarde, wanneer de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is, geschieden ten bate van een gering aantal personen of betrekking hebben op hoeveelheden van goederen die niet merkelijk hoger zijn dan deze welke gewoonlijk aan particulieren worden geleverd. In geen geval mogen de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is 40 pct. van de omzet overtreffen.

De administratie bedoeld in het eerste lid kan eveneens, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector, bijzondere forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige bijzondere omstandigheden, onder meer wegens de aard of de hoedanigheid van de door hen geleverde goederen of de aard van de door hen verrichte diensten, of wegens hun wijze van bevoorrading of de door hen toegepaste winstmarges.

Ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in omstandigheden die het onmogelijk maken de vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag, zelfs de bijzondere, toe te passen, kan deze administratie, op hun verzoek, deze forfaitaire grondslagen aanpassen aan de werkzaamheid van die belastingplichtigen.

§ 2. De omzet die als maatstaf dient om in aanmerking te komen voor de toepassing van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde forfaitaire grondslagen, wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van:

a) de totale omzet van de verschillende beroepswerkzaamheden die door dezelfde belastingplichtige worden uitgeoefend;

b) de totale omzet van de beroepswerkzaamheden die, in onverdeeldheid of in vereniging, door verschillende belastingplichtigen worden uitgeoefend.

Wanneer echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefenen wordt afzonderlijk rekening gehouden met de omzet van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvoorwaarden.

§ 3. De belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen wordt, behoudens tegenbewijs, geacht al de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd, te hebben geleverd, al of niet na bewerking of verwerking, of ze te hebben gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit vermoeden is in de regel van toepassing op elk aangiftetijdvak.

Wanneer de belastingplichtige niet jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt die voorraad geacht constant te zijn gebleven.

Wanneer de belastingplichtige jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt voor het vaststellen van de omzet van het tijdvak waarin de inventaris wordt opgemaakt het bedrag van de inkopen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren, naargelang het geval, vermeerderd of verminderd met het verschil in waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen, van de goederen die in de opeenvolgende inventarissen van zijn voorraad werden opgenomen.

Wanneer de belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen handelingen verricht die van de belasting zijn vrijgesteld of waarvoor geen forfaitaire grondslagen van aanslag werden vastgesteld, wordt bij de forfaitaire vaststelling van de omzet geen rekening gehouden met de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd en die voor de bedoelde handelingen werden gebruikt. De belastingplichtige moet het bewijs leveren van dat gebruik.

§ 4. De belastingplichtige die aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen is onderworpen, kan opteren voor de normale regeling van de belasting.

Hij kan evenwel opteren voor de vrijstellingsregeling van belasting bepaald in artikel 56bis wanneer hij aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing van die regeling voldoet.

Bij overgang naar de normale regeling van de belasting of naar de vrijstellingsregeling van belasting kan de belastingplichtige teruggaaf verkrijgen van de belasting die hij voldaan heeft voor de goederen die voor de toepassing van de forfaitaire regeling als geleverd worden beschouwd doch die hij nog in voorraad heeft.

De belastingplichtige die aan de normale regeling van de belasting of aan de in artikel 56bis bedoelde vrijstellingsregeling van belasting is onderworpen, kan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen toepassen voor zover hij voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald en voor zover hij op het tijdstip van de overgang een inventaris van zijn voorraad opmaakt.

§ 5. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast onder meer wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit, de belastingregeling en de modaliteiten voor de uitoefening van de in paragraaf 4 bedoelde opties.

Hij legt bovendien de modaliteiten vast voor de vaststelling door de administratie van de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen.”.