Nieuwe maatregelen in strijd tegen fiscale fraude 2017

Geschreven door Lexalert
Foto: GotCredit  

Het wetsontwerp van  10 april 2017 bevat vier maatregelen:

Vooreerst wordt de Belgische  fiscale wetgeving gealigneerd aan de referentiestandaard van het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen op verzoek voor belastingdoeleinden.

In tweede instantie kan het Centraal Aanspreekpunt van bankrekeningen bij de Nationale Bank van België voortaan bevraagd  worden bij niet nominatum ge- kende bankrekeningen.

Vervolgens wordt geremedieerd aan de legistieke problemen van artikel 52bis WBTW die naar aanleiding van de parlementaire onderzoekscom- missie naar de grote fiscale fraude-dossiers werden vastgesteld. De regels inzake btw met betrekking tot het bewarend beslag worden verfijnd.

Tenslotte wordt een laattijdige aangifte uitdrukkelijk in artikel 444 WIB 92 vermeld, naast een niet-aangifte of een onvolledige aangifte. Zodoende is er geen betwisting meer of er bij een laattijdige belastingaan- gifte al dan niet een belastingverhoging kan worden toegepast.

Volg het on demand seminarie Hervorming van het vennootschapsrecht met Philippe MULLIEZ

OESO

In het kader van het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden, zal er in België in het eerste semester van 2017, een evaluatieprocedure, de zogenaamde “peer review” plaatsvinden inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen op verzoek. Deze doorlichting houdt onder andere een evaluatie in van de fiscale wetgeving.

Teneinde zo goed mogelijk te voldoen aan zijn internationale verplichtingen moet België bijgevolg bepaalde maatregelen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen aanpassen.

Het is inderdaad noodzakelijk dat de interne regels geen obstakel vormen voor het goede verloop van de uitwisseling van inlichtingen tussen de partnerstaten.

Aldus moeten inlichtingen met betrekking tot bezit (ownership) en identiteitsgegevens, evenals bankinlichtingen en inlichtingen met betrekking tot boekhoudkundige gegevens beschikbaar en toegankelijk zijn en zonder belemmeringen kunnen worden uitgewisseld tussen de partnerstaten

Het is dus belangrijk dat de bestaande onderzoekstermijnen die in de Belgische wetgeving zijn voorzien kunnen worden uitgebreid wanneer de vragen van een buitenlandse Staat komen zodat deze vragen doeltreffend kunnen worden beantwoord en België niet genoodzaakt is te verzaken aan een antwoord op een door een buitenlandse Staat gestelde vraag louter om interne redenen.

Het is eveneens belangrijk dat de Belgische wetgeving de uitwisseling toelaat van gegevens met betrekking tot bankrekeningen die op haar grondgebied zijn geopend maar waarvan de titularis noch de Belgische nationaliteit heeft noch een rijksinwoner is.

De  hiernavolgende  wijzigingen  beogen  dus hoofdzakelijk:

  • een uitbreiding van de onderzoekstermijnen wanneer de vraag uit het buitenland komt;
  • een einde te stellen aan bepaalde interpretatiemoeilijkheden inzake de reglementering op het vlak van de uitwisseling van inlichtingen die de doeltreffendheid zouden kunnen benadelen;
  • en de precisering van de informatiemodaliteiten die van toepassing zijn op de personen voor wie de onderzoeken gevoerd worden.

Naast de reeds beschreven maatregelen worden ook nog enkele kleine aanpassingen ingevoerd met betrekking tot de raadpleging van het centraal aanspreekpunt bij de Nationale Bank van België en inzake belastingverhogingen.

Teneinde de rechten van de belastingplichtigen zoveel mogelijk te vrijwaren werd voor het voorliggend ontwerp het advies van de Privacycommissie gevraagd. Op 19 december 2016 heeft de Privacycommissie hieromtrent een gunstig advies uitgebracht (advies 64/2016).

Lees ook: Wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude gepubliceerd

Niet nominatum gekende bankrekeningen

Artikel 322, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) wordt aangevuld teneinde toe te laten het centraal aanspreekpunt dat bij de Nationale Bank gehouden wordt te bevragen op basis van een rekeningnummer en niet meer uitsluitend op basis van de identiteit van de belastingplichtige.

Wanneer erin het kader van de normale toepassing van artikel 322, § 2, WIB 92, tijdens een onderzoek in hoofde van een belastingplichtige één of meerdere rekeningnummers naar voor komen waarvan de titularis niet gekend is, moet eerst de belastingplichtige bij wie het onderzoek wordt gevoerd, worden aangesproken over de identiteit van de begunstigde(n) van de rekening(en). Pas als de belastingplichtige de identiteit niet meedeelt, kan het centraal aanspreekpunt worden geraadpleegd enkel met het doel de identificatiegegevens van deze welbepaalde rekening te kennen.

Indien later uit het onderzoek dat eventueel wordt gevoerd bij de titularis van de geïdentificeerde rekening, zou blijken dat het centraal aanspreekpunt opnieuw moet geraadpleegd worden, is het vanzelfsprekend dat de in artikel 322, § 2, WIB 92, voorziene procedure moet gevolgd worden.

Teneinde de rechten van de belastingplichtige te vrijwaren kan het centraal aanspreekpunt enkel worden bevraagd wanneer de rekeningnummers naar voor komen tijdens een onderzoek van een welbepaalde en met name genoemde belastingplichtige. Dit voorkomt ook het zogenaamde “phishing”.

In dit verband wordt er gewezen op het advies van de Privacycommissie nr. 36/2011 van 21 december 2011 betreffende “het voorontwerp van wet tot wijziging van artikel 322, § 3, WIB 92 en het voorontwerp van koninklijk besluit betreffende de werking van het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3 WIB 92”. In het punt 17 van dit advies uit de Commissie haar bezorgdheid over “phishing” en de manier waarop deze gegevens zullen worden gebruikt.

Ook voor de thans voorliggende maatregel werd het advies van de Privacycommissie gevraag d. De Commissie heeft in haar voormeld advies van 19 december 2016 hieromtrent geen opmerkingen geformuleerd.

Deze nieuwe maatregel zal bijdragen tot het gemakkelijker ontdekken van fraude georganiseerd via meerdere bankrekeningen en via stromannen.

De vragen om inlichtingen van buitenlandse staten bedoeld in art. 322, § 4, WIB 92 die in voorkomend geval handelen over niet met name genoemde rekeningen, kunnen eveneens bij het centraal aanspreekpunt worden opgevraagd daar voormelde § 4 stelt dat § 3 van toepassing is op inlichtingen die door een buitenlandse Staat worden gevraagd.

BTW bewarend beslag

De parlementaire onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraude-dossiers (doc 52 0034/04, vaststellingen onder nr. 22, blz. 244-248) heeft vastgesteld dat: “De meeste grootschalige belastingfraude-constructies worden opgezet om “de buit” buiten het bereik van het gerecht en de fiscus te houden. In sommige uitermate schadelijke fraudegevallen wordt handig gebruik gemaakt van de mazen in de wetgeving of van een nog niet ontdekte constructie, die dan gedurende een korte periode intens wordt benut. Om die fraude te stoppen, moet de administratie dus in real time en doeltreffend kunnen optreden. Wanneer de belastingadministratie dan toch kan optreden, staat ze daarenboven volledig machteloos wanneer blijkt dat bepaalde fraudeurs er inmiddels voor gezorgd hebben insolvabel te zijn.”.

Hoewel de administratie tot een controle kan overgaan, zelfs al is de aangiftetermijn voor de gecontroleerde handelingen nog niet verstreken en hoewel het huidige artikel 52bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna Wetboek), ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006, de administratie de mogelijkheid biedt over te gaan tot een bewarend administratief beslag om de betaling van de btw te waarborgen, blijkt evenwel in de praktijk dat laatstgenoemde bepaling niet wordt toegepast omwille van talloze tekortkomingen.

Die onderzoekscommissie heeft bijgevolg aanbevolen om voornoemd artikel 52bis aan te passen.

Artikel 52bis, nieuw, van het Wetboek volgt die aanbeveling op.

In tegenstelling tot de oude bepaling van artikel 52bis van het Wetboek, die slechts bewarend beslag van goederen toestaat indien het onmogelijk is de tussenkomende partijen te identificeren of de oorsprong, de hoeveelheid, de prijs of de waarde van de goederen vast te stellen, waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de bepalingen van het Wetboek en de uitvoeringsbesluiten inzake btw niet werden nageleefd, laat de nieuwe bepaling het bewarend beslag op roerende goederen toe wanneer ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ter gelegenheid van hun onderzoek een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van ernstige fraude, al dan niet georganiseerd, vaststellen.

In afwijking van het Gerechtelijk wetboek, dat op basis van zijn artikel 2 het gemeen recht vormt voor rechtsplegingen, heeft het beslag effectief uitwerking – met als gevolg dat de in beslag genomen goederen niet mogen worden vervreemd of met lasten bezwaard gedurende een periode van drie jaar – vanaf de overhandiging van het afschrift van het proces-verbaal van beslag aan de beslagene of aan zijn vertegenwoordiger of gemandateerde, ongeacht de kennisgeving per aangetekende brief voorzien in het geval dat de overhandiging aan de beslagene zelf niet is kunnen gebeuren.

Het bewarend beslag kan enkel slaan op goederen bedoeld in artikel 1408, §§ 1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het beslag geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden door de verbaliserende ambtenaren binnen de drie werkdagen te rekenen vanaf de overhandiging of de betekening van het proces-verbaal van een bericht van beslag overeenkomstig artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

Om de rechten van de beslagen schuldenaar juridisch maximaal te beschermen, bepaalt paragraaf 2 van artikel 52bis, nieuw, van het Wetboek dat de geldigheid van het beslag door de beslagrechter moet worden bekrachtigd binnen twee maanden na de kennisgeving van het proces-verbaal van beslag. Deze procedure voor de beslagrechter wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift en zijn beslissing is uitvoerbaar bij voorraad. Dit rechterlijk toezicht vormt een tegengewicht voor de onmiddellijke uitwerking van het bewarend beslag gelegd door de administratie.

Bovendien kan de beslagen schuldenaar het administratief beslag binnen de drie maanden betwisten bij de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt dat bevoegd is voor de invordering van de btw-schuld. Het bezwaar wordt behandeld zoals in kortgeding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.

De beslagrechter beoordeelt onder meer of de waarde van de beslagen goederen niet disproportioneel is tegenover de zekere belastingschuld die is bepaald of voorlopig geraamd. Desgevallend kan hij het beslag wijzigen. De beslagrechter kan eveneens het beslag wijzigen of opheffen in geval de omstandigheden zijn veranderd.

Paragraaf 3 van artikel 52bis, nieuw, van het Wetboek bepaalt dat, op straffe van nietigheid, een dwangbevel met betrekking tot de schuld waarvoor beslag is gelegd binnen de drie maanden volgend op de kennisgeving van het proces-verbaal van beslag moet uitgevaardigd worden overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek. De kennisgeving of betekening kan maar plaatsvinden nadat de beslagrechter de geldigheid van het beslag heeft bekrachtigd.

De enkele kennisgeving of betekening van het dwangbevel zet het bewarend administratief beslag om in een uitvoerend beslag.

Op verzoek van de Raad van State wordt meegedeeld dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek het gemeen recht vormen voor rechtsplegingen (met inbegrip van deze met betrekking tot het beslag). Het Gerechtelijk Wetboek is met andere woorden van toepassing op het administratieve beslag uitgewerkt in artikel 52bis, nieuw, indien er niet specifiek van afgeweken wordt.

De beslagene behoudt dan ook de mogelijkheid om te verzoeken tot de wijziging of opheffing van het beslag voor de beslagrechter in geval van veranderende omstandigheden.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 10 april 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude