Nieuw Vennootschapswetboek 2018 - Structuur

Geschreven door Lexalert
Foto: Matthias Ripp  

Het nieuw Wetboek Vennootschappen 2018 krijgt een eigen structuur mee. 

Algemene structuur

Dit wetboek vervangt niet alleen het bestaande Wetboek van vennootschappen, maar ook de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen (hierna v&s-wet) en de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen.

Het wetboek is ingedeeld in vier delen. Het eerste deel (boeken 1 tot en met 3) bevat algemene bepalingen die (potentieel) gelden voor zowel vennootschappen, verenigingen als stichtingen. Deel 2 behandelt de voorschriften specifiek voor vennootschappen (boeken 4 tot en met 8). Deel 3 (boeken 9 tot en met 11) handelt over verenigingen en stichtingen. Deel 4 regelt de herstructurering en omzetting.

Boek 1: Definities

Boek 1 van dit wetboek bevat voornamelijk een aantal definities, waaronder deze van de vennootschap, de vereniging en de stichting.

Vooraleer de belangrijkste krachtlijnen van boek 1 weer te geven, past het de aandacht te vestigen op een terminologische vernieuwing in het Nederlands. Voortaan worden de activiteiten die een rechtspersoon voert consistent aangeduid met de term “voorwerp”. Het oogmerk waarmee de rechtspersoon is opgericht, met name winstuitkering voor zijn leden dan wel een ideëel oogmerk, wordt steeds aangeduid met de term “doel” of “doeleinden”. Waar het Wetboek van vennootschappen en de v&s-wet spreken over statutair doel, gebruikt dit wetboek de term “voorwerp”. Het oude “oogmerk” wordt voortaan “doel” of “doeleinden”.

In het huidige systeem ligt het onderscheidend criterium tussen vennootschappen, verenigingen en stichtingen zowel in de toegelaten activiteiten (een vereniging mag niet in hoofdorde daden van koophandel stellen) als in het winstverdelingsoogmerk dat bij vennootschappen aanwezig moet zijn, bij de verenigingen en stichtingen niet aanwezig mag zijn.

Men kent evenwel de moeilijkheden waartoe winstoogmerk of de afwezigheid ervan als bestanddeel van de wettelijke specialiteit van de vennootschappen en van de VZW’s leidt.

Het ontwerp geeft daarom elk van die organisaties de mogelijkheid om een economische activiteit te beoefenen. Het winstoogmerk wordt vervangen door een ander criterium, dat van de rechtstreekse of onrechtstreekse winstuitkering onder de leden van die structuren. Winstuitkering nastreven, en niet de aard van de activiteiten noch enig ideëel doel/oogmerk, is voortaan het enige criterium van onderscheid.

Een vennootschap wordt niet alleen opgericht om een welbepaald voorwerp (opgenomen in haar statuten) te verwezenlijken maar ook om de winsten uit haar activiteiten aan de vennoot of vennoten ervan uit te keren als tegenprestatie voor hun inbreng.

Omgekeerd kan een vereniging of een stichting zonder enige beperking een economische activiteit verrichten, voor zover zij niet overgaat tot enerlei rechtstreekse of onrechtstreekse winstuitkering onder haar leden of haar leiders. Zo wordt komaf gemaakt met de moeilijkheden die verband houden met de netelige vraag in welke mate een vereniging “commerciële” of “winstgevende” activiteiten kan verrichten om middelen te genereren ten behoeve van haar belangeloos doel.

De invoering van dat criterium veronderstelt uiteraard een verduidelijking van het begrip “winstuitkering”, en meer bepaald van de “onrechtstreekse uitkering”. Het verbod op rechtstreekse of onrechtstreekse winstuitkering binnen de verenigingen en stichtingen wordt versterkt. Zij moeten – uiteraard – wel vrij blijven om hun winsten aan te wenden om hun voorwerp of doel te verwezenlijken.

In navolging van een groot deel van de hedendaagse rechtsleer wordt er in het ontwerp van afgezien om bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen te formuleren. Dit is een verschil met het Wetboek van vennootschappen (Boek II: artikelen 18 tot 45, W.Venn.).

In Boek II van het Wetboek van vennootschappen zijn immers bepalingen van het Burgerlijk Wetboek overgenomen die in wezen zijn opgesteld voor het vennootschapscontract. En zelfs wanneer die bepalingen zoals vaak beperkt blijven tot een herneming van beginselen van gemeen recht, valt de formulering ervan uit de toon wanneer ze worden toegepast op sterk geïnstitutionaliseerde kapitaalvennootschappen.

Met uitzondering van bepaalde beginselen betreffende de inbreng (alle vennootschappen worden gekenmerkt door het feit dat de oprichters een inbreng moeten doen, overgenomen in de inleidende bepalingen, zie de artikelen 1:8 tot 1:10) en de bepalingen die van toepassing zijn op de vennootschapsovereenkomst (met andere woorden de essentie van de artikelen 19 tot

55 W.Venn., zie boek 4) zijn zij geschrapt ten voordele van het gemeen recht (geschrapt zijn de artikelen 23, tweede en derde lid, 25, 26, 27, 29, 36, 2° tot 4°, en 41). Die bepalingen geven immers aanleiding tot diverse controverses in de rechtsleer en hebben nauwelijks praktisch belang.

Niettemin blijken een aantal regels van toepassing op alle rechtspersonen te kunnen worden samengebracht (boek 2).

Boek 2: Bepalingen gemeenschappelijk aan de rechtspersonen

Boek 2 bevat bepalingen over de naam van de rechtspersoon, de oprichting en de openbaarmakingsformaliteiten, de nietigheid, het bestuur, de geschillenregeling, de ontbinding en de vereffening. Deze bepalingen zijn van toepassing op alle rechtspersonen, tenzij anders wordt aangegeven. Zo vindt de geschillenregeling enkel toepassing op de besloten vennootschap en de naamloze vennootschap, en wordt voor de ontbinding en de vereffening de regelgeving voor de vennootschappen enerzijds, en de verenigingen en stichtingen anderzijds afzonderlijk behandeld.

In verband met het bestuur wordt een belangrijke innovatie ingevoerd. De bestuurdersaansprakelijkheid wordt beperkt tot specifieke bedragen, gekoppeld aan de omvang en daarom aan de maatschappelijke impact van de vennootschap. Daar tegenover staat een verbod op exoneratie en vrijwaring door de vennootschap of haar dochtervennootschappen.

Er wordt tevens voor het eerst een wettelijke regeling ingevoerd over de nietigheid van bestuursbeslissingen. Zij is geïnspireerd op de regeling die al langer bestaat voor beslissingen van de algemene vergadering van aandeelhouders.

De regels over de vereffening worden verduidelijkt, onder meer door een betere bescherming van schuldeisers in het geval van ontbinding en sluiting van de vereffening op één dag of in gevallen waarin de aandeelhouders activa hebben ontvangen zonder dat de schuldeisers volledig waren betaald.

Boek 3: Het jaarrekeningenrecht

Boek 3 bevat het jaarrekeningenrecht. Het herneemt in hoofdzaak de artikelen 92 tot 167 W.Venn.

De controle op de jaarrekening blijft toevertrouwd aan bedrijfsrevisoren, zoals dat onder meer ook het geval is voor de controle op de inbreng in natura.

De stellers van het ontwerp hebben zich diep gebogen over de logica in de verdeling van de opdrachten die het Wetboek van vennootschappen toevertrouwt aan de beoefenaars van economische beroepen (voornamelijk de bedrijfsrevisoren en de accountants).

Er werd uiteindelijk geopteerd voor een status quo voor de opdrachten die niet veranderen. Voor nieuwe opdrachten werd geprobeerd de bestaande logica van het Wetboek van vennootschappen te respecteren.

Na dit derde Boek volgen de Boeken gewijd aan de verschillende vennootschapsen verenigingsvormen.

Boek 4: De maatschap

Boek 4 bevat de regels voor de nog resterende vennootschapsvormen waarin de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap.

De maatschap is een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die in het leven wordt geroepen door een vennootschapsovereenkomst te sluiten.

In het Frans wordt het gebruik van de term “société de droit commun” niet behouden omdat hij doet denken aan een wettelijk stelsel dat gemeenschappelijk is aan alle vennootschappen. De uitdrukking “société simple” is geïnspireerd op het Zwitsers wetboek van verbintenissen en op het Italiaans burgerlijk wetboek (“società semplice”).

De maatschap wordt, als vennootschap van gemeen recht, als uitgangspunt genomen. VOF en CommV zijn slechts varianten op de maatschap, nl. maatschappen met rechtspersoonlijkheid en, in het geval van de CommV, met minstens één stille vennoot. Gezien de grote gelijkenis tussen de drie genoemde vennootschapsvormen is het gerechtvaardigd hen in één boek onder te brengen.

De regels uit het Wetboek van vennootschappen over deze rechtsvormen werden overgenomen, onder voorbehoud van een aantal aanpassingen die hieronder worden uiteengezet.

Zoals reeds vermeld, is de rechtsleer van mening dat er geen voldoende ruime basis meer bestaat voor het behoud van een Boek gewijd aan het “gemeen vennootschapsrecht”, met principes die aan alle vennootschappen gemeenschappelijk zouden zijn. Bijgevolg wordt Boek II van het Wetboek van vennootschappen niet meer hernomen.

Dat neemt niet weg dat het nuttig is een aantal bepalingen uit Boek II over te nemen in het Boek gewijd aan de maatschap. Bijgevolg herneemt Boek 2 grotendeels de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn op de vennootschapsovereenkomst, met andere woorden de essentie van de artikelen 19 tot 55 van het Wetboek van vennootschappen, met uitzondering van de beginselen inzake de inbrengen (zie de artikelen 1:8 tot 1:10).

Worden evenwel niet hernomen de artikelen 23, tweede en derde lid, 25, 26, 27, 29, 36, 2° tot 4°, en 41 van het Wetboek van vennootschappen, die worden weggelaten ten voordele van het gemeen recht. Die bepalingen geven immers aanleiding tot diverse controverses in de rechtsleer en hebben nauwelijks praktisch belang.

Ten slotte wordt opgemerkt dat artikel 49 van het Wetboek van vennootschappen niet wordt hernomen, zulks met het oog op coherentie, aangezien het ontwerp vertrekt vanuit het idee van een afschaffing van het onderscheid tussen burgerlijke vennootschappen en handelsvennootschappen.

Volg het on demand seminarie 2018: Het jaar van het vernieuwde vennootschapsrecht met Philippe MULLIEZ

Boeken 5 , 6 , 7 e n 8 : de belangrijkste vennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid en de erkenningen

Er kunnen geen vennootschappen worden opgericht buiten de kaders die in het leven worden geroepen door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of door bijzondere wetgeving. Bijgevolg is een vennootschap die niet beantwoordt aan de in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of in bijzondere wetgeving opgenomen definities van andere vennootschappen per definitie een maatschap.

In de boeken 5 (BV), 6 (CV) en 7 (NV) worden de drie belangrijkste vennootschapsvormen met rechtspersoonlijkheid en beperkte aansprakelijkheid voor de aandeelhouders geregeld. Deze boeken bevatten ook de voornaamste wijzigingen die het ontwerp doorvoert, voornamelijk door de hierboven beschreven flexibilisering met daaraan gekoppeld een reeks nieuwe voorschriften ter bescherming van de belangen van de “stakeholders” en met name van de schuldeisers van de vennootschap. De BV – nieuwe naam voor de BVBA – wordt de basisondernemingsvorm, bedoeld voor zowel besloten als open vennootschappen. Alleen de grootste en vooral genoteerde ondernemingen zullen naar verwachting nog voor de NV opteren. De coöperatieve vennootschap wordt voorbehouden aan de vennootschappen die worden geïnspireerd door het coöperatieve gedachtegoed zoals vervat in de ICAbeginselen. De flexibilisering van het BV-recht en de nieuwe mogelijkheid om ook in de BV in een statutaire uittredingsmogelijkheid voor aandeelhouders ten laste van het vennootschapsvermogen te voorzien, hebben tot gevolg dat er buiten de echt coöperatieve sector ook geen behoefte meer bestaat aan een aparte coöperatieve rechtsvorm.

Boek 8 behandelt de erkenning van bepaalde vennootschappen als erkende coöperatieve, sociale of landbouwonderneming.

Deel 3: De verenigingen en de stichtingen

Deel 3 van het Wetboek bevat in wezen een loutere hercodificatie van de voorschriften over verenigingen en stichtingen. Hierbij zijn enkele kleinere aanpassingen gebeurd. Zo werd de (vooral in samenwerkingsverbanden) als hinderlijk en nutteloos ervaren regel afgeschaft dat het bestuur van een VZW minder leden moet tellen dan de ledenvergadering. De beroepsvereniging wordt voor het eerst geïntegreerd in het wetboek, onder de vorm van de VZW erkend als beroepsvereniging. De internationale VZW wordt wegens haar grote succes zonder wijziging behouden.

De Raad van State stelt zich vragen bij de optie die het ontwerp neemt om de v&s-wet te integreren in het nieuwe Wetboek en daarbij de beide stelsels op elkaar af te stemmen. Meer bepaald rijst, aldus de Raad van State, de vraag of het kan worden verantwoord, hoewel de wetgever tot nog toe blijkbaar legitieme redenen zag om de twee types rechtspersonen – vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en verenigingen met rechtspersoonlijkheid – niet aan exact dezelfde regels te onderwerpen, dat nu plots wel te doen, en daarbij veelal de strengste standaard te hanteren, met name die van de vennootschappen. De Raad van State wijst erop dat dit vooral voor kleine verenigingen een verzwaring van de op hen toepasselijke regels zou betekenen, waarvoor geen objectieve verantwoording zou bestaan.

Hoewel het enkele feit dat, in het eveneens wijzigende Wetboek van economisch recht, verenigingen en vennootschappen ondernemingen worden, die beide failliet kunnen worden verklaard, inderdaad niet volstaat om beide types rechtspersonen juridisch gelijk te behandelen, is dit toch een belangrijke factor om voortaan, waar mogelijk, een gelijke behandeling voorop te stellen.

Men mag bovendien de afstemming waarvan boven sprake niet overroepen. In de eerste plaats heeft ook de v&s-wetgeving recent, in verschillende fasen, een toename van het aantal formaliteiten voor verenigingen gekend: men denke alleen al maar aan de nieuwe boekhoudkundige verplichtingen die in 2002 aan alle VZW’s (in verschillende gradaties naargelang de omvang) werden opgelegd. Dit schrijft zich in in een algemene maatschappelijke tendens naar meer transparantie en verantwoording. Deze regeling wordt overigens niet gewijzigd. Ook de bekendmakingsvoorschriften zijn, anders dan de Raad van State lijkt te suggereren, niet fundamenteel gewijzigd in dit ontwerp (met dien verstande dat, zoals voor vennootschappen, ook voor verenigingen voortaan een neerleggingstermijn van dertig dagen wordt ingevoerd).

Verder moet erop worden gewezen dat algemeen wordt aanvaard dat, als de v&s-wet hiaten vertoont, de wetgeving inzake vennootschappen die als de behoorlijke standaard in het rechtspersonenrecht kan worden aanvaard, als inspiratiebron kan dienen om die leemte op te vullen. Een voorbeeld daarvan is de benadering van belangenconflicten van leden van het bestuursorgaan. De regeling in de BVBA en de NV is een uitwerking van het algemeen beginsel dat een lasthebber niet als tegenpartij kan optreden. Dat beginsel vindt onverkort toepassing in een vereniging: derhalve komt het de rechtszekerheid ten goede om dit beginsel uit te werken in een regeling waardoor alle partijen weten waaraan zich te houden, eerder dan de betrokkenen in het ongewisse te laten over de precieze gevolgen van dit beginsel van gemeen recht. Overigens legt het ontwerp wel degelijk aan kleinere verenigingen – waar de financiële belangen ook geringer zijn – minder zware regels op.

De wetgever heeft al eerder gebruik gemaakt van deze benadering, waarbij het vennootschapsrecht tot voorbeeld dient voor het verenigingsrecht: men denke bijvoorbeeld aan de overname van de regels inzake verbintenissen namens een vereniging in oprichting, inzake de gevolgen van haar nietigverklaring, inzake vertegenwoordiging in de v&s-wet. Er is er geen objectieve reden  waarom de gelijklopende regels inzake doeloverschrijdend handelen niet ook mee werden overgenomen, dat is vandaag integendeel een bron van verwarring voor derden. Precies dit soort inconsistenties beoogt het ontwerp te verminderen.

In dezelfde zin worden de regels inzake vaste vertegenwoordiging van een bestuurder-rechtspersoon, dagelijks bestuur, coöptatie en schriftelijke besluitvorming ook van toepassing gemaakt op VZW’s.

Het is juist dat bestuurders van verenigingen aan dezelfde aansprakelijkheidsstandaard zullen worden onderworpen als bestuurders van vennootschappen (artikel 2:55), maar deze regel is zo geschreven dat hij rekening houdt met de verenigingscontext waarin de betrokken bestuurders opereren. Zij kunnen ook genieten van de voorgestelde beperking van aansprakelijkheid in artikel 2:56. De talloze kleine verenigingen zullen onder de eerste grens vallen. Overigens dienen de bestuurders van verenigingen geen zelfstandigen te zijn in die hoedanigheid.

In het algemeen blijven er nog steeds fundamentele verschillen overeind: de vereniging blijft nog steeds een lichtere structuur dan de vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Men kijke maar naar de regels inzake bijeenroeping en besluitvorming ter algemene vergadering, waar de tradities grotendeels in ere werden gehouden. Hetzelfde geldt voor de boekhoudkundige verplichtingen, waar, zoals de Raad van State zelf terecht opmerkt (met dan deze keer wel de vraag of dit onderscheid kan worden verantwoord), ervoor werd geopteerd grotendeels het status quo te behouden inzake de drempels die bepalen aan welke boekhoudverplichtingen (I)VZW’s zijn onderworpen.

Lees ook:  Nieuw vennootschapswetboek 2018 - bestuurdersaansprakelijkheid

Deel 4: De herstructureringen

Deel 4 behandelt de herstructureringen (boek 12 en 13) en de omzetting (boek 14). De partiële splitsing, een goed ingeburgerde verrichting waarvan de rechtsbasis en ook sommige modaliteiten evenwel onzeker waren, wordt hier voor het eerst duidelijk geregeld.

In Boek 14 wordt de omzetting geregeld. De bestaande regels worden hernomen (waarbij rekening wordt gehouden met de kapitaalloze BV en CV), maar aangevuld met een nieuwe regeling voor de grensoverschrijdende omzetting, dat wil zeggen de grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel van de vennootschap.

4. Overgangsrecht

Het belang van het overgangsrecht bij de voorgestelde hervorming werd niet uit het oog verloren. Daarom werd onder meer voorzien in ruime overgangstermijnen waarbinnen de bestaande vennootschappen en verenigingen zich aan het nieuwe recht kunnen aanpassen.

Lees de volledige tekst van het wetsontwerp van 4 juni 2018 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen 

Het wetsontwerp bestaat uit twee delen: