Nieuw vennootschapswetboek 2018 - een verregaande flexibilisering, maar met aandacht voor de belangen van derden, waaronder de schuldeisers

Geschreven door Lexalert
Foto: Creative Tools  

Het wetsontwerp van 4 juni 2018 moderniseert het vennootschapsrecht via drie krachtlijnen nl. (1) door een doorgedreven vereenvoudiging door te voeren (2) door te kiezen voor meer aanvullend recht en flexibiliteit en (3) door te kiezen voor nieuwe rechtsregels die moeten helpen om het hoofd te bieden aan, voornamelijk, Europese evoluties en nieuwe tendensen zoals steeds mobielere vennootschappen.

Het voorliggend ontwerp voert een flexibel vennootschapsrecht in, dat eenvoudig en voorspelbaar is, maar houdt uiteraard rekening met de Europeesrechtelijke voorschriften. Dit idee wordt doorgetrokken in de BV, de CV en de NV. Er is echter steeds over gewaakt dat deze flexibilisering geen afbreuk doet aan het gebruiksgemak van de voorschriften: telkens waar de wet statutaire of contractuele vrijheid aan de vennootschap en haar oprichters laat, is voorzien in een duidelijke default-regel die zal gelden wanneer de partijen zelf geen regeling hebben uitgewerkt.

Ook wordt gezocht naar een goed evenwicht tussen flexibiliteit voor de vennootschap en haar aandeelhouders en adequate bescherming van de belangen van derden, in de eerste plaats van de schuldeisers.

1. De BV

Anders dan in de NV, waar de Belgische wetgever is gebonden aan de kapitaalregels van de Tweede Richtlijn, wordt voor de BV vooreerst het concept “maatschappelijk kapitaal” afgeschaft.

Het kapitaalconcept van vandaag is voorbijgestreefd en voldoet niet meer aan de economische realiteit. Het biedt niet de efficiënte schuldeisersbescherming die men ervan verwachtte, maar confronteert vennootschappen wel met kosten en bureaucratische procedures. Vandaar dat het wordt vervangen door een realistischere en economischere benadering met de nodige zorg en aandacht voor een gezond evenwicht tussen dwingende derdenbescherming en de contractuele vrijheid.

Samen met het kapitaalconcept verdwijnt ook het strikte verband dat het BVBA-recht tot nog toe steeds heeft gehanteerd tussen de waarde van de inbrengen en de rechten die in ruil daarvoor aan de vennoten worden toegekend, met de dwingende regel dat elk aandeel dezelfde rechten moest geven. De oprichters, de algemene vergadering of het bestuursorgaan van een BV, naargelang het geval, bepalen voortaan vrij de omvang van de rechten die aan een bepaalde inbreng worden gekoppeld. Dit is een minder grote revolutie dan op het eerste gezicht lijkt: vandaag worden mechanismes zoals de uitgiftepremie en de uitgifte beneden fractiewaarde daartoe aangewend (zij het meer in de NV dan in de BVBA).

Dat betekent evenwel niet dat de waarde van de inbrengen niet meer objectief hoeft te worden vastgesteld en gecontroleerd, noch dat die waarde niet meer als parameter voor de aan het aandeel verbonden rechten zou kunnen worden gehanteerd. Vennootschappen kunnen er nog steeds vrijwillig voor kiezen om de rechten binnen de vennootschap te verdelen in functie van de waarde van de verrichte inbrengen. In het bijzonder in het kader van de oprichting mag worden verwacht dat dit eerder de regel dan de uitzondering zal zijn. De keuze om de inbrengcontrole door een bedrijfsrevisor bij inbrengen in natura te behouden, is mede vanuit deze overweging ingegeven.

Ook een aantal andere regels moest worden geherformuleerd in het licht van de afschaffing van het kapitaalconcept, waaronder de voorschriften over verkrijging van eigen aandelen, financiële steunverlening, de alarmbelprocedure, de verplichte verantwoording en waardebepaling van de inbrengen in natura. Verder werden de regels over de verantwoording van de uitgifteprijs van nieuwe aandelen scherpgesteld, met een veralgemeende en explicietere verantwoordingsplicht van het bestuur.

Voor het overige wordt aan de BV een flexibel kader geboden in die zin dat vele vandaag geldende regels van aanvullend recht worden. Dit betreft o.a. de regels aangaande het bestuur van de vennootschap en de overdracht van aandelen. Zo kan in de BV de overdraagbaarheid van aandelen volledig vrij worden geregeld (artikel 5:63), zodat men van de BV een zeer gesloten maar ook een zeer open vennootschap kan maken.

De nieuwe keuzevrijheid mag evenwel niet voor verwarring zorgen bij startende ondernemers, of voor lacunes wanneer de oprichters vergeten bepaalde aangelegenheden in de statuten te regelen. De wet bevat daarom meestal een duidelijke suppletieve regeling die zal gelden wanneer niets anders is bepaald, zodat aan startende ondernemers een regeling wordt aangeboden wanneer zij het niet nodig achten een op maat uitgewerkte regeling uit te (laten) werken, of wanneer zij een of ander aspect van de organisatie van hun vennootschap uit het oog verloren zijn.

Volg het on demand seminarie 2018: Het jaar van het vernieuwde vennootschapsrecht met Philippe MULLIEZ

2. De NV

Door de dwingende Europese wetgeving bestaat er minder ruimte om de regelgeving voor de NV aan te passen. Maar daar waar mogelijk wordt ook de NV flexibeler gemaakt.

Vooreerst wordt het statuut van de bestuurder herdacht. Zo wordt de dwingende regel van de ad nutumherroepbaarheid van de bestuurders, naar voorbeelden in het buitenland, van aanvullend recht.

Verder is het bestuursmodel grondig herdacht.

Waar de NV vandaag enkel een klassieke (“collegiale”) raad van bestuur kent, zal zij in de toekomst een “enige bestuurder” kunnen aanstellen die slechts om wettige reden kan worden ontslagen. Op die manier wordt het mogelijk een NV te structureren op een gelijkaardige wijze als de door dit ontwerp afgeschafte commanditaire vennootschap op aandelen.

Daarnaast wordt een duaal bestuursmodel voorgesteld, dat in de plaats kan komen van het huidige directiecomité en dat is geïnspireerd op buitenlandse voorbeelden. Dit zuiverder duaal stelsel, dat facultatief is, komt erop neer dat het bestuur van de vennootschap wordt verdeeld over twee organen wier bevoegdheden bij wet worden vastgelegd: een directieraad die bevoegd is voor het geheel van de operationele aangelegenheden, en een raad van toezicht die bevoegd wordt om zich uit te spreken over de strategie van de vennootschap en over een aantal toegewezen aangelegenheden, alsmede om toezicht te houden op de directieraad. Er is een duidelijke scheiding tussen beide organen: hun bevoegdheden overlappen niet en niemand kan gelijktijdig lid zijn van beide organen.

Het huidige directiecomité (artikel 524bis W.Venn.) wordt afgeschaft. Dit verhindert een klassieke (lees: monistische) raad van bestuur uiteraard niet om, zoals vandaag al het geval is, bepaalde bevoegdheden te delegeren aan een uitvoerend comité.

Ten slotte wordt ook een aantal andere wijzigingen ingevoerd die een antwoord bieden op vragen van de praktijk en die reeds zijn uitgewerkt in onze buurlanden. Zo wordt het mogelijk om in een genoteerde NV statutair in een (ten hoogste) dubbel stemrecht te voorzien voor trouwe aandeelhouders, terwijl in de niet-genoteerde NV en in de BV het meervoudig stemrecht wordt toegelaten.

Lees ook: Nieuw Vennootschapswetboek 2018 - Een doorgedreven vereenvoudiging

3. De CV

De CV blijft behouden als afzonderlijke vennootschapsvorm, maar wordt voorbehouden aan die vennootschappen die een onderneming voeren op basis van het coöperatief gedachtegoed zoals vervat in de ICA-beginselen. De CV is gedefinieerd naar analogie met de Europese coöperatieve vennootschap (SCE). De flexibiliteit die vandaag de CV aantrekkelijk maakt, wordt mogelijk gemaakt in de BV. De “oneigenlijke” coöperatieven moeten bijgevolg niet langer deze vorm aannemen en zullen BV’s kunnen worden.

Zoals boven al opgemerkt, wordt in het Wetboek een verwijzing opgenomen naar de mogelijkheid om een cooperatieve vennootschap te erkennen overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van coöperatieve vennootschappen. Ook een erkenning als landbouwonderneming of als sociale onderneming is mogelijk.