Moet u belastingen betalen op de meerwaarden die u behaalt uit bitcoin (en andere cryptocurrencies)?

Geschreven door Mr. Jonas Helaut, Everest Advocaten, www.everest-law.eu
Foto:   Antana

De recente koershausse m.b.t. cryptovaluta heeft heel wat mensen op relatief korte termijn flinke winsten opgeleverd.

Zelfs met de (zeer) recente koerscorrecties in het achterhoofd, blijft de koersstijging van sommige van deze cryptovaluta ronduit spectaculair te noemen.

Zo is bijvoorbeeld de koers van bitcoin op één jaar tijd met bijna 1.000 % gestegen. Over een periode van twee jaar merken we zelfs een koersstijging van maar liefst 2.500 %[1].

Gelijkaardige stijgingen merken we bij andere cryptovaluta, zoals ethereum.

Heel wat mensen (natuurlijke personen) die – op het juiste ogenblik – in deze cryptovaluta hebben geïnvesteerd, stellen zich nu de vraag of zij belastingen zullen moeten betalen op de meerwaarde die zij realiseren.

Ik bespreek vooreerst de fiscale behandeling van dergelijke meerwaarden naar Belgisch fiscaal recht (I) zowel inzake de directe belastingen, meer bepaald de personenbelasting (A) als inzake indirecte belastingen, meer bepaald de BTW (B)

Inzake personenbelasting, worden vier mogelijke fiscale regimes onderzocht, met name belastbaarheid als roerend inkomen (A.1), beroepsinkomen (A.2), divers inkomen (A.3) of belastingvrijstelling (A.4).

Na bespreking van de fiscale behandeling naar Belgisch fiscaal recht, geef ik het huidige standpunt weer van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (hierna “de rulingdienst” of “de DVB”) (II) om daarna een korte blik over de grenzen te werpen (III).

Tot slot wordt de conclusie van voormelde analyse weergegeven (IV).

►Volg op 14 juni 2018 het online seminarie De digitale goldrush: De (directe en indirecte) fiscale behandeling van cryptomunten met mr. Jonas HELAUT (Everest Advocaten)

I. De fiscale behandeling

  1. Directe belastingen (personenbelasting)

A.1. roerend inkomen

Het aanhouden van cryptogeld op zich geeft in beginsel geen aanleiding tot een roerend inkomen (waarop bevrijdende roerende voorheffing zou dienen te worden ingehouden).

In de blockchain-technologie waarop cryptogeld steunt is er immers geen automatische aangroei van het aantal cryptocurrencies dat men houdt, of enige andere opbrengst die men verkrijgt louter door het houden van cryptogeld.

Naast de eventuele opbrengsten van een actiefbestanddeel (het cryptogeld) kan het actiefbestanddeel zelf in waarde stijgen of dalen, in welk geval men spreekt over een meerwaarde dan wel een minwaarde.

Deze meer- of minwaarden kunnen naar gelang worden beschouwd als beroepsinkomen, divers inkomen dan wel vrijgesteld.

A.2. beroepsinkomen

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 23, §1, wetboek van inkomstenbelasting (het zgn. “WIB 92”) zijn beroepsinkomsten inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreels voortkomen uit werkzaamheden van alle aard.

Uit de administratieve commentaar bij het wetboek van inkomstenbelasting (nr. 23/35 Com. IB 92), blijkt dat onder winstgevende bezigheid wordt verstaan, wanneer ze door een natuurlijke persoon wordt uitgeoefend, een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid uit te maken en die, vallend buiten de grenzen van het normale beheer van een privévermogen, een beroepskarakter hebben.

Indien de inkomsten kwalificeren als beroepsinkomen, worden zij belast aan de normale progressieve tarieven in de personenbelasting en dienen zij als berekeningsbasis voor de heffing van de sociale bijdragen.

De vraag of er al dan niet sprake is van beroepsinkomsten is een loutere feitenkwestie.

►Blijf op de hoogte over de fiscale actualiteit via de maandelijkse, online seminaries "Up-to-date Fiscaliteit, boekhouding en vennootschap" met Roel VAN HEMELEN (TaxQuest)

A.3. Divers inkomen

Wat is een divers inkomen?

De eventuele meerwaarde die wordt gerealiseerd op cryptogeld kan beschouwd worden als divers inkomen in de zin van artikel 90, 1° WIB 92.

Luidens dit artikel worden beschouwd als divers inkomen: winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.

Om als divers inkomen belastbaar te zijn, dienen dus twee voorwaarden cumulatief te zijn voldaan:

  • behaald zijn buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid
  • niet voortkomen van het normaal beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen

De eerste voorwaarde werd hierboven sub randnummer A.2. reeds besproken.

De tweede voorwaarde, het normaal beheer van een privé-vermogen, wordt hierna besproken.

Vooreerst dient te worden uitgemaakt of cryptogeld op zich kan worden beschouwd als privé-vermogen, gezien dit volgens de wettekst beperkt is tot onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.

Cryptocurrencies zijn geen roerende voorwerpen omdat dat begrip alleen slaat op stoffelijke roerende goederen (Cass. 24 oktober 1975, Arr. Cass. 1976, 244). Hoewel het technisch mogelijk is om (de sleutel tot) cryptogeld in een fysieke drager te vervatten, is het cryptogeld op zich niet van stoffelijke aard.

Cryptogeld kan volgens de rechtsleer[2] wel worden beschouwd als portefeuillewaarden, in de zin van artikel 90, 1° WIB 92.

Hoewel dit begrip nooit is gedefinieerd in het wetboek van inkomstenbelastingen, werd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 november 1962, die de voorloper van het huidig fiscaal wetboek invoerde, over portefeuillewaarden gesproken als “roerende waarden” die worden gekocht en verkocht, zowel op termijn als contant (Parl. St. Senaat 1961-62, stuk 366, 148)

Zowel de rechtsleer als de fiscale administratie hebben steeds een evolutieve invulling van dat begrip gehanteerd, waardoor nieuwe financiële producten consequent als potentieel vrijgestelde portefeuillewaarden werden behandeld[3].

Het moet echter wel om vrij verhandelbare waarden gaan[4]. Deze voorwaarde is in elk geval vervuld voor wat betreft cryptogeld gezien het groot aantal platforms waarop dit kan worden verhandeld.

De invulling van het concept ‘normaal beheer van een privévermogen’ is in het verleden aanleiding geweest tot talloze (gerechtelijke) betwistingen en uitgebreide vakliteratuur, maar ook tot een massa rulings. De oorzaak hiervan ligt in het gebrek aan een duidelijk afgelijnde definitie in de toepasselijke wetgeving.

Bij de invoering van het begrip in 1962 werd gesteld[5] dat het “normaal” beheer zowel blijkt uit de aard van de goederen - d.w.z. onroerende goederen, waarden in portefeuille, roerende voorwerpen (allemaal goederen die normalerwijze een privé- vermogen uitmaken) - als uit de aard van de daden die met betrekking tot die goederen verricht worden : daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijks beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, d.i. van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking of door eigen sparen, of nog als wederbelegging van vervreemde goederen.

Uit de administratieve commentaar blijkt dat in het algemeen mag worden aangenomen dat het normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen betreft, wanneer die verrichtingen niet met speculatieve bedoeling geschieden en ze niet door herhaling de aard van een winstgevende bezigheid verkrijgen (Comm. IB 90/5.2).

Binnen het kader van artikel 90,1° WIB 92[6], vormt het speculatief gedrag dus de antipode van het normaal beheer.

"Speculatie" kan volgens de administratieve commentaar worden omschreven als een transactie met veel risico, waarbij men bij zich voordoende prijsstijging of prijsdaling kans op veel winst, maar ook op een groot verlies heeft (Comm. IB 90/5.6).

Hoewel iedereen het over eens is dat het investeren in cryptogeld een transactie is met veel risico, gezien de hoge volatiliteit van deze activa én het vooralsnog ontbreken van een regulerend kader, kan deze voorwaarde op zich de eventuele belastbaarheid ervan als divers inkomen niet verklaren.

Er zijn immers meerdere andere mogelijke transacties, bv investering in (project)vastgoed of aandelen, die ook gepaard kunnen gaan met een (in meer of mindere mate van) risico.

Nochtans beschouwt zowel de rechtspraak, rechtsleer als de rulingdienst bepaalde van deze transacties, ook als deze gepaard gaan met hoge risico’s, als een normaal beheer van privé-vermogen.

Zo bevestigt de fiscale administratie zelf in de administratieve commentaar dat de potentiële speculatieve handeling bij uitstek, de beursverrichting, kadert binnen het normaal beheer van privévermogen[7].

Om tot belastbaarheid als divers inkomen te besluiten dient dan ook een bijkomende voorwaarde te zijn vervuld, met name speculatief inzicht.

Uit de rechtspraak terzake blijkt immers dat er sprake moet zijn van een aankoop met een belangrijk risico voor de belastingplichtige, maar dat hij ook de intentie moet hebben om belangrijke winsten te realiseren op een relatief korte tijdspanne[8].

Andere elementen die meespelen in de beoordeling betreffen vaak[9]: herhaalde handelingen, leningen die werden afgesloten om de aankoop te kunnen financieren, de omvang van de aangewende middelen in verhouding tot de omvang van het volledige vermogen, een aanzienlijke wanverhouding tussen aan- en verkoopprijs, een korte termijn tussen aan- en verkoop.

Belangrijk is meestal dat de belastingplichtige op het ogenblik van de verwerving een speculatief inzicht heeft[10].

De administratie draagt de bewijslast betreffende de belastbaarheid van een inkomen. De administratie zal dan ook dienen te bewijzen dat een handeling buiten het normaal beheer van een privé-vermogen valt. Echter zal de belastingplichtige die stelt dat een winst of baat niet belastbaar is en aldus deel uitmaakt van het normaal beheer van het privévermogen, niet kunnen volstaan met een loutere ontkenning van het standpunt van de administratie. Hij zal met feitelijke gegevens de niet belastbaarheid van zijn winst of baat moeten rechtvaardigen. Dit komt praktisch gezien haast neer op het leveren van het bewijs dat de belastingplichtige zijn vermogen op een normale maar verstandige manier heeft beheerd[11].

Andere interessante artikels: 

Hoe wordt de meerwaarde bepaald?

Enkel de netto gerealiseerde meerwaarde is belastbaar. De kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden, zijn aftrekbaar (artikel 97, §1 WIB 92).

Een andere vraag die zich stelt bij de waardebepaling van de meerwaarde, en dat inherent is aan het feit dat cryptogeld een soortzaak is, is de vraag naar de waarderingsmethode die moet toegepast worden bij opeenvolgende aankopen en verkopen (geleidelijke realisatie).

Stel dat men op datum X 10 ethereum heeft gekocht aan 10 euro en één maand later nog eens 10  ethereum aan 100 euro. Men heeft dan in totaal 20 ethereum, doch met een totaal verschillende aanschaffingswaarde. Wat is dan de meerwaarde op de dag dat men bijvoorbeeld 5 ethereum terug omzet naar euro? Is de aanschaffingswaarde van deze 5 ethereum 10 euro (belangrijke meerwaarde), 100 euro (minder hoge meerwaarde) of nog 55 euro (gemiddelde)?

Bij gebrek aan specifieke richtlijnen wordt in de rechtsleer[12] verdedigd dat de belastingplichtige zelf een waarderingsmethode kan kiezen (FIFO of LIFO, gewogen middelde…). De belastingplichtige zal de aanschaffings- en vervreemdingsdata moeten bewijzen en de gekozen methode consequent moeten toepassen.

Wat is het tarief?

De meerwaarde die wordt beschouwd als divers inkomen, wordt belast aan een tarief van 33% (artikel 171, 1°, a WIB 92) desgevallend te verhogen met de gemeentelijke opcentiemen). Er worden geen sociale bijdragen geheven.

A.4. belastingvrijstelling

De meerwaarde die wordt gerealiseerd buiten de voornoemde hypotheses inzake divers inkomen of beroepsinkomen, is vrijgesteld van belastingen.

  1. Belasting over de toegevoegde waarde

In een arrest van 22 oktober 2015 heeft het Europese Hof van Justitie[13] op prejudiciële vraag geoordeeld dat het inwisselen van traditionele valuta’s tegen virtuele valuta tegen een winstmarge een dienst uitmaakt onder bezwarende titel die vrijgesteld is van BTW.

II. Het standpunt van de rulingdienst

In een vrij recente ruling heeft de DVB geoordeeld dat de meerwaarde die de aanvrager realiseert op de verkoop van bitcoins middels een door hem ontwikkelde applicatie niet als beroepsinkomen in de zin van artikel 23 WIB 92 dient te worden aangemerkt, doch wel belastbaar is als een divers inkomen ingevolge artikel 90, 1° WIB 92 gelet op het speculatief karakter[14].

Volgens mondelinge inlichtingen die de rulingdienst heeft verstrekt zou zij binnenkort een standpunt publiceren waarin zij – onder verwijzing naar een “interne nota” – haar visie zal uiteenzetten inzake de behandeling van rulingaanvragen mbt gerealiseerde meerwaarden op virtuele valuta.

Volgens deze interne nota zouden meerwaarden op cryptogeld – bij wijze van algemene regel - zowiezo worden beschouwd als speculatief en dus als divers inkomen, tenzij in een welbepaald aantal heel specifieke gevallen waarin de meerwaarde zal worden beschouwd als beroepsinkomen dan wel vrijgesteld.

Dit standpunt staat haaks op het standpunt van het Europese Hof van Justitie, althans voor wat betreft de virtuele valuta “bitcoin”.

Volgens het Hof staat het immers vast dat de virtuele valuta “bitcoin” enkel tot doel heeft als betaalmiddel te worden gebruikt en met dat doel door sommige marktdeelnemers wordt geaccepteerd.

III. De fiscale behandeling van cryptogeld in het buitenland

De fiscale behandeling van cryptogeld in het buitenland is zeer divers:

  • In Nederland is de meerwaarde op cryptogeld belastbaar. De waarde ervan moet worden aangegeven in box 3 met als peildatum 1 januari
  • In Duitsland zijn meerwaarden behaald op cryptogeld vrijgesteld van belastingen op voorwaarde dat men een minimale houdperiode van één jaar eerbiedigt
  • Italië kent een belastingvrijstelling voor dergelijke meerwaarden

Hoewel de regimes dus uiteenlopen, hebben zij t.o.v. het Belgisch fiscaal regime wel het voordeel van de duidelijkheid.

V. Conclusie

Meerwaarden op cryptogeld gerealiseerd door natuurlijke personen zullen naar Belgisch fiscaal recht doorgaans worden belast als divers inkomen (33%), oftewel als beroepsinkomen (progressief tarief), afhankelijk van de vraag of zij buiten de grenzen van het normaal beheer vallen (divers inkomen) dan wel voldoende talrijk en onderling verbonden zijn (beroepsinkomen).

In uitzonderlijke gevallen, indien er sprake is van “normaal” beheer, zullen deze meerwaarden worden vrijgesteld.

Dit is althans het standpunt van de rulingdienst en wellicht ook van de fiscale administratie.

Dit standpunt is betwistbaar.

Er is m.i. immers steeds vereist dat de fiscus het speculatief inzicht op het ogenblik van de aankoop van cryptogeld aantoont.

Deze bewijslast ligt bij de fiscus.

Het is dus allerminst evident dat een eventuele fiscale aanslag op dergelijke meerwaarden dan ook stand zou houden in geval van een gerechtelijke betwisting.

Een eenvoudiger en vooral duidelijker juridisch kader, dat niet louter steunt op vage criteria zoals het “normaal” beheer, zou in elk geval onnodige discussies met de fiscus kunnen vermijden.


[1] Bron: bitcoinspot.nl

[2] T. SPAAS, “Bitcoin en de blockchain in de directe belastingen”, Fisc. Act. nr 36, 22.10.2015

[3] B. COLMANT, Belgium Country Report, IFA Cahiers 1995, vol 80b, “Tax aspects of derivate financial instruments”

[4] H. VANHULLE, “Het normaal beheer van een privé-vermogen anno 2005: evolueert de fiscus mee?”, Actualia vermogensrecht, 225

[5] Stukken Senaat Stuk 366, Zitting 1961-1962, blz. 147

[6] Het criterium van het al dan niet normaal karakter van de verrichting wordt ook gehanteerd voor de fiscale behandeling van meerwaarden op overdracht van aandelen, die al dan niet belastbaar zijn volgens artikel 90, 9°, eerste streepje WIB 92

[7] Com. IB, nr. 90/8, 4°

[8] K. VANDEVELDE, “Interne meerwaarden: de problematiek doorheen de jaren – een stand van zaken. Met een knipoog naar de Dienst Voorafgaande Beslissingen”, AFT 2012, afl. 5, 15.

[9] S. DE CEULAER, “Enkele kanttekeningen bij recente (inter)nationale evoluties inzake privé-meerwaarden”, TFR 2001, afl. 204, punt 6

[10] Cass. 6 mei 1988, FJF 1988, nr.88/156, 294, Gent 25 juni 1998, Fiscoloog 1998, afl. 674, 10; Brussel 6 oktober 1999, JDF 2000, 103

[11] A. MEYUS, Beleggingen en fiscus: Hoe fiscaal vriendelijk beleggen?, Mechelen, Kluwer, 2013, 96

[12] T. SPAAS, “Bitcoin en de blockchain in de directe belastingen”, Fisc. Act. nr 36, 22.10.2015

[13] HvJ 22-10-2015 Hedqvist C-264/14

[14] Voorafgaande beslissing nr. 2017.852 d.d. 05.12.2017